Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:3369 ECLI:NL:RVS:2022:3369 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:3369 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:3369
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202107806/1/V2. Datum uitspraak: 23 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 november 2021 in zaak nr. 20/5692 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 6 september 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:3369 · Raad van State: De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris dat ten onrechte niet heeft gedaan. Alleen al daarom slaagt de eerste grief. De staatssecretaris moet alsnog beoordelen of de vreemdeling de familierelatie met referent aannemelijk heeft gemaakt of het voordeel van de twijfel verdient. Hij moet daarbij de overgelegde documenten in samenhang bezien en betrekken wat de Afdeling in haar uitspraak van 26 januari 2022 over de bewijswaarde van UNHCR-documenten heeft overwogen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2022:245
202006519/1/V1. Datum uitspraak: 26 januari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], mede voor haar minderjarig kind, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 9 november 2020 in zaak nr. 20/948 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 21 mei 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 9 januari 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2022:969
202103450/1/V3. Datum uitspraak: 31 maart 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling A] en [vreemdeling B], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 29 april 2021 in zaak nr. 20/9614 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 19 maart 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2022:1918
202106513/1/V2. Datum uitspraak: 6 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 juli 2021 en haar uitspraak van 16 september 2021, beide in zaak nr. 21/1018 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 12 mei 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202107806/1/V2. Datum uitspraak: 23 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 november 2021 in zaak nr. 20/5692 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 6 september 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 23 juni 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 november 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.E. Muller, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De vreemdeling heeft de Eritrese nationaliteit. Zij beoogt verblijf bij referent, haar gestelde halfbroer, die dezelfde biologische moeder als de vreemdeling zou hebben.

Referent is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel. Eind 2018 heeft referent een mvv-aanvraag ingediend voor gezinshereniging met de vreemdeling. Ter onderbouwing heeft de vreemdeling een schoolrapport, een family residence card, een inenting-weegkaart, een doopakte en een identiteitskaart van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: UNHCR) overgelegd. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat de familierechtelijke relatie tussen de vreemdeling en referent niet aannemelijk is gemaakt. De overgelegde documenten vormen volgens de staatssecretaris onvoldoende bewijs, omdat ze onofficieel zijn en de namen op de documenten niet geheel overeenkomen.

2. In de uitspraak van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:245, heeft de Afdeling het beoordelingskader in (Eritrese) nareiszaken uiteengezet en genuanceerd. Hoewel de nu voorliggende zaak geen nareiszaak is, moet de staatssecretaris ook in dit geval al het geleverde bewijs in onderlinge samenhang bezien, rekening houden met alle relevante elementen en ervoor zorgen dat de eisen die hij aan het bewijs stelt evenredig zijn aan die elementen. Ook moet de staatssecretaris kenbaar gemotiveerd beoordelen of de vreemdeling het voordeel van de twijfel verdient. Bovendien moet de staatssecretaris bij zijn beoordeling rekening houden met de informatie in het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van november 2020 over de beschikbaarheid van Eritrese documenten en wat de Afdeling hierover in haar uitspraak van 26 januari 2022 heeft overwogen. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 31 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:969.

3. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris dat ten onrechte niet heeft gedaan. Alleen al daarom slaagt de eerste grief. De staatssecretaris moet alsnog beoordelen of de vreemdeling de familierelatie met referent aannemelijk heeft gemaakt of het voordeel van de twijfel verdient. Hij moet daarbij de overgelegde documenten in samenhang bezien en betrekken wat de Afdeling in haar uitspraak van 26 januari 2022 over de bewijswaarde van UNHCR-documenten heeft overwogen.

4. Verder klaagt de vreemdeling in zijn tweede grief terecht dat het horen in bezwaar meer duidelijkheid had kunnen verschaffen over de familieband tussen de vreemdeling en referent. Daarom heeft de rechtbank eveneens ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris hier niet ten onrechte van heeft afgezien (vergelijk de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5.2). De grief slaagt.

5. De derde grief heeft geen zelfstandige betekenis. Omdat de andere twee grieven slagen, slaagt deze grief ook.

6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 23 juni 2020 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar nemen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 november 2021 in zaak nr. 20/5692;

III. verklaart het beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van 23 juni 2020, V-[…]; V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier. w.g. De Moor-van Vugt lid van de enkelvoudige kamer w.g.

Prins griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2022 363-1021