Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:3326 ECLI:NL:RVS:2022:3326 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:3326 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:3326
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202107277/1/V1. Datum uitspraak: 17 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 november 2021 in zaak nr. NL19.30708 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 10 december 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:75 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2022:3326 · Raad van State: De deskundige heeft veertien uur besteed aan het opstellen van het rapport van 10 februari 2020. De overige geclaimde uren in de mail van 14 juli 2020 zijn zonder nadere toelichting niet te herleiden tot werkzaamheden in verband met het opstellen van dit rapport. De Afdeling gaat daarom uit van veertien uur en acht dit niet onredelijk. De Afdeling hanteert een tarief van € 136,19 per uur. De rechtbank heeft dus te weinig proceskosten laten vergoeden. De grief slaagt.

Keywords

AI generated
artikel 8:75 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:75 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2018:380
201602182/2/A2. Datum uitspraak: 7 februari 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Zwartsluis, gemeente Zwartewaterland, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 17 februari 2016 in zaak nr. 15/2150 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland. Procesverloop Bij tussenuitspraak van 16 augustus 2017 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen acht weken na verzending van haar uitspraak, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, een besluit te nemen over de planschade die [appellant] als gevolg van het bestemmingsplan "Zomerdijk" lijdt en het in dit opzicht aan zijn besluit van 18 augustus 2015 klevende gebrek te herstellen.
ECLI:NL:RVS:2022:208
202104524/1/V1. Datum uitspraak: 26 januari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 7 juli 2021 in zaak nr. NL19.20920 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 30 augustus 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2022:2699
202006762/1/V2. Datum uitspraak: 15 september 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 11 december 2020 in zaak nr. NL19.23340 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 1 oktober 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard en een verzoek om het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod op te heffen, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202107277/1/V1. Datum uitspraak: 17 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 november 2021 in zaak nr. NL19.30708 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 10 december 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 15 november 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven en de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van de vreemdeling tot een bedrag van € 2.698,55. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. In haar derde grief klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte de vergoeding van de kosten voor de door de vreemdeling ingeschakelde deskundige om de authenticiteit van de door haar ingebrachte documenten aannemelijk te maken, heeft gematigd van € 2.500,00 tot een bedrag van € 454,55 omdat de vreemdeling de kosten niet nader heeft gespecificeerd.

De vreemdeling heeft deze kosten namelijk in beroep, bij brief van 15 juli 2020, inclusief de bijlagen, wel voldoende gespecificeerd. 1.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380, onder 8.1) komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. De staatssecretaris bestrijdt niet dat het inroepen van de deskundige redelijk was. Over de vraag of de deskundigenkosten zelf redelijk zijn overweegt de Afdeling als volgt.

De deskundige heeft veertien uur besteed aan het opstellen van het rapport van 10 februari 2020. De overige geclaimde uren in de mail van 14 juli 2020 zijn zonder nadere toelichting niet te herleiden tot werkzaamheden in verband met het opstellen van dit rapport. De Afdeling gaat daarom uit van veertien uur en acht dit niet onredelijk. De Afdeling hanteert een tarief van € 136,19 per uur. De rechtbank heeft dus te weinig proceskosten laten vergoeden. De grief slaagt.

2. Wat de vreemdeling verder aanvoert leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2.1. Specifiek over de grieven 1, 2 en 5 voegt de Afdeling hieraan toe dat deze gaan over rechtsvragen die eerder door de Afdeling zijn beantwoord (uitspraken van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208, onder 2.1 tot en met 5.7, en 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699, onder 6.3, over opvolgende asielaanvragen en het arrest van het Hof van Justitie van 10 juni 2021, LH, ECLI:EU:C:2021:478). Het hogerberoepschrift biedt in zoverre geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover de rechtbank daarin de staatssecretaris heeft veroordeeld in de proceskosten van de vreemdeling tot een bedrag van € 2.698,55. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd.

4. De staatssecretaris moet de door de vreemdeling in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden. De Afdeling stelt de in beroep gemaakte proceskosten vast op € 4.183,66, bestaande uit een bedrag van € 2.277,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en € 1.906,66, toe te rekenen aan het deskundigenonderzoek. De Afdeling stelt de in hoger beroep gemaakte proceskosten vast op € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het totaalbedrag aan proceskostenvergoeding bedraagt € 4.942,66.

Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 november 2021 in zaak nr. NL19.30708, voor zover de rechtbank daarin de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft veroordeeld in de proceskosten van de vreemdeling tot een bedrag van € 2.698,55; III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.942,66.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.G. Nuboer, griffier. w.g. Verburg voorzitter w.g. Nuboer griffier 927