Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:3198 ECLI:NL:RVS:2022:3198 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:3198 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:3198
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202102533/1/V1. Datum uitspraak: 8 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4] en [vreemdeling 5], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 maart 2021 in zaken nrs. 20/7087 en 20/7089 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluiten van 28 augustus 2019 en 9 juni 2020 heeft de staatssecretaris aanvragen om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8 van het EVRM; ECLI:NL:RVS:2022:3198 · Raad van State: Die situatie doet zich in dit geval voor. Omdat referent meerderjarig is, zijn de vreemdelingen immers geen gezinslid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die richtlijn. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006, onder 9.3.1 en 9.4. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, bestaat dan ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen.

Keywords

AI generated
artikel 8 van het EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 8 van het EVRM
Zij heeft als meerderjarige voor de vreemdelingen mvv-aanvragen in het kader van artikel 8 van het EVRM ingediend.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2021:2618
202100316/1/V1. Datum uitspraak: 23 november 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] mede voor hun kinderen, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 23 december 2020 in zaak nr. 20/2249 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluiten van 10 mei 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2019:980
201606477/1/V1.Datum uitspraak: 29 maart 2019 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling] en [referent], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 juli 2016 in zaak nr. 15/13744 in het geding tussen: de vreemdeling (lees: de vreemdeling en referent) en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 14 januari 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van referent om ten behoeve van de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2022:2006
202104387/1/V1. Datum uitspraak: 13 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2021 in zaak nr. 20/8697 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 19 juni 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag om voor de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202102533/1/V1. Datum uitspraak: 8 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4] en [vreemdeling 5], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 maart 2021 in zaken nrs. 20/7087 en 20/7089 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluiten van 28 augustus 2019 en 9 juni 2020 heeft de staatssecretaris aanvragen om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluiten van 24 augustus 2020 heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 maart 2021 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. B.G. Smouter, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De vreemdelingen, afkomstig uit Eritrea, beogen verblijf bij hun dochter en zus (verder te noemen: referent). Zij heeft als meerderjarige voor de vreemdelingen mvv-aanvragen in het kader van artikel 8 van het EVRM ingediend.

De staatssecretaris heeft deze aanvragen afgewezen. Hij acht het familie- en gezinsleven namelijk niet beschermenswaardig als bedoeld in dat artikel, omdat de belangenafweging voor de ouders in hun nadeel uitvalt. Daarnaast heeft de staatssecretaris ook gesteld dat de broer en zussen van referent, gelet op de afwijzing van de mvv's van de ouders, het gezinsleven met hun ouders buiten Nederland kunnen voortzetten. De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten ongegrond verklaard.

2. Wat de vreemdelingen in de tweede grief aanvoeren, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris heeft terecht in het besluit van 9 juni 2020 in aanmerking genomen dat referent meerderjarig was bij de indiening van de reguliere aanvragen en dat zij deze pas heeft ingediend ongeveer 4 jaar nadat haar een verblijfsvergunning asiel is verleend. In zoverre doet zich hier dan ook een andere situatie voor dan in de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2618. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging voor de ouders in hun nadeel uitvalt en dat hij niet ten onrechte minder gewicht heeft toegekend aan hun belang bij instandhouding van het gezinsleven met referent, omdat referent inmiddels niet meer van hen afhankelijk is.

3. De vreemdelingen klagen in de vijfde grief dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de verhouding tussen artikel 8 van het EVRM en artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Zij voeren tevergeefs aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris in dit geval een belangenafweging op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn heeft moeten verrichten. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:980, onder 11.3, is, wanneer een vreemdeling geen subjectief recht op gezinshereniging kan ontlenen aan de Gezinsherenigingsrichtlijn, naar de huidige stand van het recht de beoordelingsmarge waartoe artikel 17 van die richtlijn verplicht, gelijk aan die waartoe artikel 8 van het EVRM verplicht.

Die situatie doet zich in dit geval voor. Omdat referent meerderjarig is, zijn de vreemdelingen immers geen gezinslid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die richtlijn. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006, onder 9.3.1 en 9.4. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, bestaat dan ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen.

De grief faalt.

4. Wat de vreemdelingen verder aanvoeren, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier. w.g. Verburg voorzitter w.g. Van Goeverden-Clarenbeek griffier 488-954.