Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:3121 ECLI:NL:RVS:2022:3121 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:3121 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:3121
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202202271/1/V3. Datum uitspraak: 2 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 7 april 2022 in zaak nr. NL21.19627 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 20 april 2021 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6 van het EVRM; ECLI:NL:RVS:2022:3121 · Raad van State: Dit belang ligt mede ten grondslag aan artikel 6 van het EVRM. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3650) is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (grote kamer) van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, voor haar leidend bij de beoordeling van beroepen op betalingsonmacht. Uit deze rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat in zaken waarop de Vw 2000 van toepassing is en waarin geen verzet mogelijk is, een rechtzoekende een beroep op betalingsonmacht niet uiterlijk voor het einde van de door de griffier gestelde betalingstermijn moet doen, maar dit nog kan doen totdat op het (hoger) beroep uitspraak is gedaan.

Keywords

AI generated
artikel 6 van het EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 6 van het EVRM
Dit belang ligt mede ten grondslag aan artikel 6 van het EVRM.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:3650
201406310/1/V2. Datum uitspraak: 18 november 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 1 juli 2014 in zaak nr. 14/8687 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 2 september 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:CRVB:2015:282
Datum uitspraak: 13 februari 2015 13/1349 WWB-V Centrale Raad van Beroep Grote kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2013, 11/2617 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) College van burgemeester en wethouders van Den Helder (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 25 juni 2013 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2016:2783
201506135/1/V2. Datum uitspraak: 13 oktober 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juli 2015 in zaak nr. 15/2934 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 22 december 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202202271/1/V3. Datum uitspraak: 2 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 7 april 2022 in zaak nr. NL21.19627 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 20 april 2021 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Bij besluit van 18 november 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Wat de vreemdeling in zijn eerste grief heeft aangevoerd leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd.

De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2. In beroep heeft de vreemdeling verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. Bij brief van 4 januari 2022 heeft de rechtbank dat verzoek afgewezen omdat het niet binnen de gestelde termijn was onderbouwd. Op 11 januari 2022 heeft de rechtbank een nota voor het griffierecht gestuurd met een betaaltermijn van vier weken. Bij formulier van 14 januari 2022 heeft de vreemdeling het verzoek alsnog onderbouwd. Dat formulier heeft hij tegelijk met de gronden van het beroep bij de rechtbank ingediend. In die gronden is ook vermeld dat de gemachtigde het griffierecht ondertussen heeft voorgeschoten.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om alsnog over te gaan tot vrijstelling van het griffierecht. Van een verschoonbare reden voor het niet tijdig onderbouwen van het verzoek om vrijstelling is de rechtbank niet gebleken. In zijn tweede grief betoogt de vreemdeling dat de rechtbank het verzoek alsnog had moeten inwilligen. Hij voert daarbij aan dat uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat een afwijzing van een verzoek om vrijstelling van het griffierecht wegens een gebrek aan onderbouwing nog kan worden hersteld, dat de termijn om het verzoek te onderbouwen niet fataal is en evenmin van openbare orde en dat de enige begrenzing is dat het verzoek voor het verstrijken van de betalingstermijn moet zijn gedaan, hetgeen in dit geval gebeurd is.

3. Hoewel de Afdeling de vreemdeling daarbij niet op alle punten volgt, komt zij tot de slotsom dat de tweede grief slaagt. Zij zal dat hierna motiveren. 3.1. De Afdeling stelt in dit verband voorop dat de Awb niet de mogelijkheid biedt om vrijstelling te verlenen van de wettelijke verplichting om griffierecht te betalen. Niettemin wordt in bestuursrechtelijke zaken de mogelijkheid aanwezig geacht van een beroep op betalingsonmacht. De regeling hierover is tot stand gekomen om recht te doen aan het belang dat in een rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.

Dit belang ligt mede ten grondslag aan artikel 6 van het EVRM. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3650) is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (grote kamer) van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, voor haar leidend bij de beoordeling van beroepen op betalingsonmacht. Uit deze rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat in zaken waarop de Vw 2000 van toepassing is en waarin geen verzet mogelijk is, een rechtzoekende een beroep op betalingsonmacht niet uiterlijk voor het einde van de door de griffier gestelde betalingstermijn moet doen, maar dit nog kan doen totdat op het (hoger) beroep uitspraak is gedaan.

De Afdeling voegt hier nu aan toe dat deze langere uiterste termijn voor een rechtzoekende vreemdeling niet alleen geldt als deze voor de eerste keer een beroep op betalingsonmacht doet, maar ook in een situatie waarin een beroep op betalingsonmacht eerst is afgewezen omdat dat beroep niet was gemotiveerd binnen de termijn die daarvoor was gesteld, zoals hier aan de orde. Zolang het beroep bij de rechtbank dan wel het hoger beroep bij de Afdeling nog niet bij uitspraak niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet tijdig betalen van griffierecht, moet in ieder geval in zaken waarop de Vw 2000 van toepassing is en waarin geen verzet mogelijk is, de rechtzoekende de mogelijkheid hebben om een verzoek om niet te hoeven betalen nader te onderbouwen naar de situatie op de peildatum, ook als het verzoek al bij griffiersbrief is afgewezen.

Dit sluit aan bij de hiervoor vermelde uitspraak van 18 november 2015, waarin uit 1.4 in het algemeen volgt dat in de omgekeerde situatie waarin de beoordeling van de betalingsonmacht ertoe heeft geleid dat vooralsnog van de heffing van griffierecht is afgezien en later gerede twijfel ontstaat aan de juistheid van die beoordeling, daarvan uiterlijk tot de (eind)uitspraak kan worden teruggekomen. Aan de vermelding in deze zaak in de griffierechtnota van de rechtbank van 11 januari 2022 dat niet nogmaals een beroep op betalingsonmacht kan worden gedaan als een eerder beroep op betalingsonmacht in dezelfde zaak al is afgewezen, komt dan ook geen betekenis toe. 3.2.

In dit geval heeft de gemachtigde het griffierecht voorgeschoten ter voorkoming van niet-ontvankelijkverklaring. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 13 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2783, is dat niet voldoende om het beroep op betalingsonmacht niet te honoreren. Daarvoor is vereist dat, aan de hand van de criteria die in de uitspraak van de grote kamer van 13 februari 2015 worden genoemd, wordt beoordeeld of een rechtzoekende, gelet op zijn inkomens- en vermogenspositie, een geslaagd beroep op betalingsonmacht toekomt. De vreemdeling heeft op 14 februari 2022 het formulier ingevuld en ingediend dat de rechtbank daarbij gebruikt.

De inhoud daarvan is in dit geval voldoende om tot betalingsonmacht te concluderen. Dit betekent dat de rechtbank het beroep op betalingsonmacht ten onrechte niet heeft ingewilligd en in het verlengde hiervan ten onrechte heeft nagelaten te bepalen dat de griffier het voorgeschoten en betaalde bedrag aan de gemachtigde van de vreemdeling terugbetaalt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd voor zover de rechtbank niet heeft bepaald dat de griffier van de rechtbank het betaalde griffierecht aan de gemachtigde van de vreemdeling terugbetaalt. De griffier van de rechtbank moet dit alsnog doen. De staatssecretaris moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden. Omdat de griffier van de Afdeling de vreemdeling heeft bericht vooralsnog af te zien van het heffen van griffierecht, bestaat geen grond te bepalen dat de staatssecretaris aan de vreemdeling het voor de behandeling van het hoger beroep verschuldigde griffierecht vergoedt.

Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 7 april 2022 in zaak nr. NL21.19627, voor zover de rechtbank niet heeft bepaald dat haar griffier het betaalde griffierecht terugbetaalt; III. bepaalt dat de griffier van de rechtbank aan de gemachtigde van de vreemdeling het betaalde griffierecht terugbetaalt; IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier. w.g. Steendijk voorzitter w.g. Dallinga griffier 18