Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:2336 ECLI:NL:RVS:2022:2336 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:2336 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:2336
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202102534/1/R4. Datum uitspraak: 10 augustus 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Amersfoort, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 26 februari 2021 in zaak nr. 20/587 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort. Openbare zitting gehouden op 10 augustus 2022 om 10:30 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter griffier: mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2022:2336 · Raad van State: De nieuwe eigenaar was in die zaak niet degene die het illegale bouwwerk zonder omgevingsvergunning had gebouwd. Daarom was diegene niet de overtreder van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In deze zaak is de situatie anders, omdat het [appellante] zelf is geweest die het bouwwerk zonder vergunning heeft aangepast. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is er alleen al hierdoor sprake van een overtreding ten aanzien waarvan [appellante] als overtreder kan worden aangemerkt. Dit betekent dat het college bevoegd is om middels een last onder dwangsom handhavend op te treden.

Keywords

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht
Datum uitspraak: 10 augustus 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Amersfoort, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 26 februari 2021 in zaak nr.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202102534/1/R4. Datum uitspraak: 10 augustus 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Amersfoort, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 26 februari 2021 in zaak nr. 20/587 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort. Openbare zitting gehouden op 10 augustus 2022 om 10:30 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter griffier: mr.

J.A.A. van Roessel jurist: mr. C.P. Stouthamer Verschenen: [appellante], bijgestaan door [gemachtigde]; het college, vertegenwoordigd door mr. drs. H. Maaijen. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 februari 2021, waarbij het beroep van [appellante] tegen het besluit van het college van 26 september 2019 ongegrond is verklaard. Bij dat besluit is een aan [appellante] opgelegde last onder dwangsom met betrekking tot het bijgebouw op het achtererf van het perceel [locatie] in Amersfoort in stand gelaten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak.

Gronden: 1. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1263, volgt dat aan haar geen last onder dwangsom kan worden opgelegd, omdat zij het eigendom van het bouwwerk voor 1 april 2007 heeft verkregen. Volgens haar kan daarom, wegens de rechtszekerheid, slechts bestuursdwang zonder kostenverhaal worden toegepast. 1.1. De uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2016 waarnaar [appellante] verwijst, gaat over de situatie waarin een illegaal bouwwerk al bestond voordat de nieuwe eigenaar het perceel kocht.

De nieuwe eigenaar was in die zaak niet degene die het illegale bouwwerk zonder omgevingsvergunning had gebouwd. Daarom was diegene niet de overtreder van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In deze zaak is de situatie anders, omdat het [appellante] zelf is geweest die het bouwwerk zonder vergunning heeft aangepast. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is er alleen al hierdoor sprake van een overtreding ten aanzien waarvan [appellante] als overtreder kan worden aangemerkt. Dit betekent dat het college bevoegd is om middels een last onder dwangsom handhavend op te treden.

Het feit dat [appellante] in 1989 toestemming had van de verhuurder maakt dit niet anders. Naast de toestemming van de verhuurder heeft [appellante] ook een vergunning van het college nodig en die heeft zij niet.

2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

3. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g. Minderhoud lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Roessel griffier 457-1005