Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:2310 ECLI:NL:RVS:2022:2310 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:2310 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:2310
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202107504/1/A2. Datum uitspraak: 10 augustus 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Chaam, gemeente Alphen-Chaam, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 18 oktober 2021 in zaak nr. 20/9132 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam (hierna: het college). Procesverloop Bij besluit van 23 maart 2020 heeft het college besloten tot het instellen van een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen op de Chaamsedreef, Royaaldreef, Schouteveld, Zandstraat/Valkenburgseweg, Burgtsebaantje en Putvenweg door het bord C12 ‘gesloten voor alle motorvoertuigen’ te plaatsen (hierna: de geslotenverklaring).

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:2310 · Raad van State: De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] niet als belanghebbende bij het verkeersbesluit kan worden aangemerkt omdat zij zich onvoldoende onderscheidt van andere weggebruikers. De rechtbank heeft meer specifiek overwogen dat de omstandigheid dat [appellante] jarenlang van de afgesloten wegen gebruik heeft gemaakt en nu moet omreizen via andere wegen om in Breda, Bavel en Ulvenhout te komen onvoldoende is om zich te onderscheiden van andere weggebruikers voor wie dit ook geldt. De rechtbank heeft verder opgemerkt dat er verschillende alternatieve routes beschikbaar zijn.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2012:BX2597
Procesverloop Bij besluit van 23 februari 2011 (hierna: het verkeersbesluit) heeft het college, met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, besloten de doorgaande verbinding Rietkraag/Landscheijding/Dijkslag te onderbreken voor gemotoriseerd verkeer, door het aanbrengen van een versmalling aan de Rietkraag onder plaatsing van verkeersborden L8 (doodlopende weg). Bij uitspraak van 31 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 februari 2011 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.
ECLI:NL:RVS:2018:506
201705812/1/A2. Datum uitspraak: 14 februari 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Julianadorp, gemeente Den Helder, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 juni 2017 in zaak nr. 16/4757 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Den Helder. Procesverloop Bij brief verzonden op 25 maart 2015 heeft het college geweigerd een verkeersbesluit te nemen tot aanwijzing van [locatie] te Julianadorp als woonerf. Bij besluit van 15 september 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2020:1541
201906690/1/A2. Datum uitspraak: 1 juli 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 juli 2019 in zaak nr. 18/6825 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Berkelland. Procesverloop Bij besluit van 1 maart 2018 heeft het college twee parkeerplaatsen aangewezen als parkeerplaatsen ten behoeve van huisartsen.
ECLI:NL:RVS:2005:AU7945
Procesverloop Bij besluit van 23 juli 2002, bekendgemaakt op 7 augustus 2002, heeft het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht (hierna: het college) besloten tot een aantal verkeersmaatregelen in het centrum van Dordrecht. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 12 september 2002 bezwaar gemaakt. Bij besluit 3 juni 2003 heeft het college het verkeersbesluit van 23 juli 2002 gewijzigd. Bij besluit van 18 december 2003 is het door appellanten tegen het besluit van 23 juli 2002 gemaakte bezwaar, dat is opgevat als zijnde mede gericht tegen het besluit van 3 juni 2003, ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2019:1489
201703676/1/A2. Datum uitspraak: 8 mei 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E], [appellant F] en [appellant G] (hierna tezamen: [appellant] e.a.), wonend te Amersfoort, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 maart 2017 in zaak nr. 15/5400 in het geding tussen: [appellant] e.a. en het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort. Procesverloop Bij besluit van 2 april 2015 heeft het college een verkeersbesluit genomen inhoudende verkeersmaatregelen ten behoeve van de Kersenbaan.
ECLI:NL:RVS:2011:BP7190
Procesverloop Bij besluit van 16 december 2008 (hierna: het verkeersbesluit) heeft het college besloten om het Keern gesloten te verklaren voor motorvoertuigen vanaf het punt direct ten noorden van de aansluiting met de Provincialeweg over een lengte van circa 25 meter in noordelijke richting, met uitzondering van lijnbussen. Bij besluit van 18 mei 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 22 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2011, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door G.R.M. Koopman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202107504/1/A2. Datum uitspraak: 10 augustus 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Chaam, gemeente Alphen-Chaam, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 18 oktober 2021 in zaak nr. 20/9132 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam (hierna: het college). Procesverloop Bij besluit van 23 maart 2020 heeft het college besloten tot het instellen van een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen op de Chaamsedreef, Royaaldreef, Schouteveld, Zandstraat/Valkenburgseweg, Burgtsebaantje en Putvenweg door het bord C12 ‘gesloten voor alle motorvoertuigen’ te plaatsen (hierna: de geslotenverklaring).

Bij besluit van 10 september 2020 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 24 november 2020 heeft het college het door [appellante] gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 18 oktober 2021 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 juni 2022, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door P.A.J. van Drunen, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Op 28 november 2019 heeft Staatsbosbeheer een verzoek ingediend bij het college om een geslotenverklaring voor gemotoriseerd verkeer in te stellen op de Chaamsedreef, Royaaldreef, Schouteveld, Zandstraat/Valkenburgseweg, Burgtsebaantje en Putvenweg. Staatsbosbeheer heeft aangegeven geen gemotoriseerd verkeer meer te willen over de paden, waarvan een groot gedeelte in eigendom is van Staatsbosbeheer, in verband met de verkeersveiligheid en ten behoeve van de natuurkwaliteit en recreatie.

2. Bij het besluit van 23 maart 2020 heeft het college de voornoemde straten gesloten verklaard. [appellante] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij het besluit van 10 september 2020 heeft het college het bezwaar van [appellante] ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld. Het college heeft bij het besluit van 24 november 2020 aan [appellante] medegedeeld dat het besluit van 10 september 2020 als niet verzonden moet worden beschouwd en het door [appellante] gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Het besluit van 24 november 2020 wordt gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

3. In artikel 20 van de Wegenverkeerswet 1994 is bepaald dat een belanghebbende tegen een verkeersbesluit tot plaatsing of verwijdering van verkeerstekens en onderborden of tot het treffen van maatregelen op of aan de weg ter regeling van het verkeer beroep kan instellen bij de rechtbank. Het gaat in deze zaak om de vraag of [appellante] belanghebbende is bij het besluit van 23 maart 2020. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Aangevallen uitspraak 4.

De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] niet als belanghebbende bij het verkeersbesluit kan worden aangemerkt omdat zij zich onvoldoende onderscheidt van andere weggebruikers. De rechtbank heeft meer specifiek overwogen dat de omstandigheid dat [appellante] jarenlang van de afgesloten wegen gebruik heeft gemaakt en nu moet omreizen via andere wegen om in Breda, Bavel en Ulvenhout te komen onvoldoende is om zich te onderscheiden van andere weggebruikers voor wie dit ook geldt. De rechtbank heeft verder opgemerkt dat er verschillende alternatieve routes beschikbaar zijn.

De route die [appellante] voorheen reed, bedroeg 5,6 kilometer. Uit stukken van het college blijkt dat de alternatieve routes circa 7 tot 11,3 kilometer bedragen. De reistijd neemt slechts met drie tot vier minuten toe. Bij gebruikmaking van de nieuwe routes is dan ook geen sprake van een significante toename van de reistijd, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft verder overwogen dat de omstandigheid dat de woning van [appellante] mogelijk in waarde zal verminderen evenmin een persoonlijk en individueel belang is waarmee zij zich voldoende onderscheidt van andere bewoners.

Daar komt bij dat [appellante] geen financiële gegevens heeft overgelegd die deze stelling ondersteunen. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat geen toename van verkeer wordt verwacht en het verkeersbesluit geen invloed heeft op de directe woonomgeving van [appellante], zodat zij zich ook hiermee niet onderscheidt van andere weggebruikers. Hoger beroep 5. [appellante] is het niet eens met de aangevallen uitspraak en voert aan dat zij tijdens de zitting bij de rechtbank heeft weersproken dat de omrijdtijd slechts drie tot vier minuten bedraagt.

Het college heeft dat gesteld, maar deze tijd is niet door een deskundige vastgesteld. Afhankelijk van de weeromstandigheden en de aanwezigheid van landbouwverkeer is de omrijdtijd zes tot twaalf minuten, aldus [appellante]. Verder betoogt [appellante] dat zij sinds de geslotenverklaring last heeft van hangjeugd en dat zij daarom als belanghebbende bij het verkeersbesluit moet worden aangemerkt. Tot slot betoogt [appellante] dat zij belanghebbende is, omdat er een financieel belang is. Dat belang blijkt volgens haar uit een taxatierapport en de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarden.

De woning van [appellante] is al jaren niet in waarde gestegen, terwijl de indexcijfers wel zijn gestegen. Beoordeling hoger beroep 5.1. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2597, 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:506, en van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1541) dat met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende een zekere begrenzing is beoogd ten aanzien van de mogelijkheid tegen een besluit bezwaar te maken en beroep in te stellen. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om tegen een verkeersbesluit beroep open te stellen voor eenieder.

Bij verkeersbesluiten moet dan ook van geval tot geval worden onderzocht wiens belangen rechtstreeks bij een dergelijk besluit zijn betrokken. Zoals de Afdeling, onder meer in de hiervoor genoemde uitspraken, heeft overwogen is iemand slechts belanghebbende bij een verkeersbesluit indien hij of zij een bijzonder, individueel belang heeft bij dat besluit, welk belang zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers. Verder volgt uit de rechtspraak van de Afdeling dat als een verkeersbesluit directe gevolgen heeft voor het aantal verkeersbewegingen ter plaatse van de woning/het bedrijf van een bezwaarmaker, deze kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het verkeersbesluit (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 14 december 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU7945, voormelde uitspraak van 25 juli 2012, en 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1489). 5.2.

De Afdeling overweegt dat het verkeersbesluit tot gevolg heeft dat [appellante] een langere route moet rijden om vanuit buurtschap Snijders-Chaam, waar zij woont, naar onder andere Bavel te rijden. Niet in geschil tussen partijen is dat er ongeveer sprake is van een verdubbeling van de route in kilometers. Tussen partijen is wel in geschil hoe lang de omrijdtijd exact is. Dat sprake is van omrijdtijd van naar [appellante] stelt tussen de zes en twaalf minuten, maakt haar echter nog geen belanghebbende. [appellante] onderscheidt zich in zoverre niet van bewoners en andere weggebruikers (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7190).

Dat, zoals [appellante] ter zitting heeft aangevoerd, in het buurtschap Snijders-Chaam slechts drie gezinnen met kinderen wonen en dat vooral gezinnen met kinderen last hebben van het verkeersbesluit, is niet gebleken. Voor andere bewoners en weggebruikers geldt evenzeer dat zij geconfronteerd worden met omrijdtijd. Het enkele feit dat [appellante] en twee andere gezinnen kinderen hebben, maakt niet dat zij zich in voldoende mate onderscheidt van andere weggebruikers. Dat [appellante] regelmatig gebruik maakt van de gesloten wegen, maakt evenmin dat zij zich onderscheidt van andere weggebruikers ter plaatse.

Ook de wens het Amphia ziekenhuis in Breda snel te kunnen bereiken in geval van een calamiteit brengt dit niet met zich (zie eveneens de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2011). Verder heeft de Afdeling in de beoordeling betrokken dat de verkeerssituatie nabij haar woning niet verandert door het verkeersbesluit. 5.3. Het betoog van [appellante] dat als gevolg van de geslotenverklaring hangjeugd overlast geeft, maakt niet dat zij zich hiermee onderscheidt van andere bewoners en weggebruikers, reeds omdat niet is gebleken dat deze overlast, wat hier ook van zij, het gevolg is van het verkeersbesluit. 5.4.

De door [appellante] naar voren gebrachte daling van de WOZ-waarde van haar woning als gevolg van de geslotenverklaring maakt evenmin dat zij met het verkeersbesluit rechtstreeks in haar belang wordt geraakt, omdat zij de gestelde daling niet aannemelijk heeft gemaakt. 5.5. Het betoog slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellante] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het verkeersbesluit van 23 maart 2020. Slotsom 6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier. w.g. Bijloos lid van de enkelvoudige kamer w.g. Nieuwenhuizen griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2022 633-921