Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:217 ECLI:NL:RVS:2022:217 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:217 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:217
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202007066/1/V3. Datum uitspraak: 25 januari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 december 2020 in zaak nr. NL20.20738, NL20.20742 en NL20.20743 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluiten van 2 december 2020 heeft de staatssecretaris de vreemdeling en haar minderjarige kinderen in bewaring gesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:217 · Raad van State: 202007066/1/V3. Datum uitspraak: 25 januari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 december 2020 in zaak nr. NL20.20738, NL20.20742 en NL20.20743 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluiten van 2 december 2020 heeft de staatssecretaris de vreemdeling en haar minderjarige kinderen in bewaring gesteld.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202007066/1/V3. Datum uitspraak: 25 januari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 december 2020 in zaak nr. NL20.20738, NL20.20742 en NL20.20743 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluiten van 2 december 2020 heeft de staatssecretaris de vreemdeling en haar minderjarige kinderen in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 18 december 2020 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling en haar minderjarige kinderen ingestelde beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De vreemdeling klaagt tevergeefs in haar enige grief dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 in strijd is met artikel 6 van het EU Handvest. Die rechtsvraag is bij uitspraak van 12 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:28, door de Afdeling beantwoord.

Daaruit volgt dat artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 een grondslag biedt voor het in bewaring stellen van de vreemdeling en haar minderjarige kinderen met het oog op hun gedwongen vertrek naar Griekenland en dat die grondslag de grondrechten van de vreemdeling en haar kinderen eerbiedigt. De grief faalt.

2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier. w.g. Meijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Meurs-Heuvel griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2022 47