Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:2033 ECLI:NL:RVS:2022:2033 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:2033 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:2033
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202104517/1/V2. Datum uitspraak: 18 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 juni 2021 in zaak nr. 20/902 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 30 oktober 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:2033 · Raad van State: 202104517/1/V2. Datum uitspraak: 18 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 juni 2021 in zaak nr. 20/902 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 30 oktober 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202104517/1/V2. Datum uitspraak: 18 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 juni 2021 in zaak nr. 20/902 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 30 oktober 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 20 januari 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 juni 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Karkache, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend. De vreemdeling heeft daarop gereageerd. Overwegingen 1. De staatssecretaris heeft de Afdeling laten weten dat een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een artikel 9-document inmiddels is ingewilligd bij besluit van 28 september 2021.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vreemdeling de Afdeling bij brief van 12 oktober 2021 laten weten dat hij het hoger beroep handhaaft, omdat hij daarmee een eerdere ingangsdatum van het verblijfsrecht beoogt.

2. De Afdeling is van oordeel dat de vreemdeling geen procesbelang bij het hoger beroep heeft. De staatssecretaris is namelijk niet bevoegd om de ingangsdatum van een rechtstreeks aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht vast te stellen. De afgifte van een artikel 9-document kan daarom niet ook betrekking hebben op de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf (uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1145). Uit die uitspraak volgt ook dat als de vreemdeling het niet eens is met een beslissing over aanspraken op rechten waarvoor de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf van belang is, hij die beslissing zelf kan laten toetsen bij de rechter. Dit betekent dat de vreemdeling met het hoger beroep niet (meer) kan bereiken wat hij daarmee beoogt.

3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Prins griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2022 363-984