Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:1685 ECLI:NL:RVS:2022:1685 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:1685 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:1685
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202106987/1/R4. Datum uitspraak: 15 juni 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Utrecht, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 27 oktober 2021 in zaak nr. 21/2611 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Procesverloop [appellant] heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit van het college op zijn bezwaar tegen de verlenging van de begunstigingstermijn van een aan een derde opgelegde last onder dwangsom.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:1685 · Raad van State: Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Omdat het college nog steeds geen besluit op het bezwaar bekend heeft gemaakt, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en het met een besluit gelijk te stellen niet-tijdig nemen van een besluit vernietigen. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepalen dat het college binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2021:190
202003948/1/V1. Datum uitspraak: 29 januari 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen, (hierna: de vreemdeling) appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 juni 2020 in zaak nr. NL20.4822 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop De vreemdeling heeft tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag om haar een verblijfsvergunning asiel te verlenen, beroep ingesteld bij de rechtbank.
ECLI:NL:RVS:2020:1730
het college van burgemeester en wethouders van Goirle, 2.
ECLI:NL:RVS:2021:455
202000306/1/R4. Datum uitspraak: 3 maart 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Dieren, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 december 2019 in zaak nr. 18/4453 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Rheden. Procesverloop Bij besluit van 11 januari 2018 heeft het college bekendgemaakt dat aan [vergunninghouder] van rechtswege een omgevingsvergunning is gegeven voor de realisering van een woning op het perceel [locatie 1] te Dieren. Bij besluit van 29 juni 2018 heeft het college de door [partij A] en [partij B] (hierna samen en in enkelvoud: [partij A]), [partij C], en [partij D] en [partij E] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard en het besluit van 11 januari 2018 herroepen en alsnog geweigerd de omgevingsvergunning aan [vergunninghouder] te verlenen.
ECLI:NL:RVS:2022:1593
202106980/1/R4.Datum uitspraak: 15 juni 2022 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Utrecht, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 27 oktober 2021 in zaak nr. 21/2008 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Procesverloop Bij uitspraak van 27 oktober 2021 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het door [appellant] ingestelde beroep wegens het niet-tijdig nemen van een besluit kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202106987/1/R4. Datum uitspraak: 15 juni 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Utrecht, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 27 oktober 2021 in zaak nr. 21/2611 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Procesverloop [appellant] heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit van het college op zijn bezwaar tegen de verlenging van de begunstigingstermijn van een aan een derde opgelegde last onder dwangsom.

Bij uitspraak van 27 oktober 2021 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2022, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.M. Breukers, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. de Boer, zijn verschenen. Overwegingen 1. Deze zaak gaat over het tweede beroep van [appellant] tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar. De rechtbank heeft het eerste beroep bij uitspraak van 21 april 2021 gegrond verklaard.

Daarbij heeft de rechtbank het college opgedragen om binnen twee weken na verzending van die uitspraak een besluit op het bezwaar te nemen en bepaald dat het college aan [appellant] een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee het deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00.

2. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat [appellant] het heeft ingesteld op 10 juni 2021 terwijl het college op dat moment nog dwangsommen verbeurde naar aanleiding van de uitspraak van 21 april 2021. Gelet daarop, kon [appellant] volgens de rechtbank met het instellen van beroep redelijkerwijs niet in een gunstigere positie komen. De rechtbank heeft hiervoor verwezen naar een beleidslijn van 25 maart 2020 van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (hierna: de beleidslijn). Volgens de uitspraak van de rechtbank moet zij de beleidslijn ook op het beroep van [appellant] toepassen, omdat de beleidslijn is vastgesteld met het oog op de rechtseenheid. 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat indien het pas mogelijk zou zijn een opvolgend beroep in te stellen tegen het niet-tijdig nemen van een besluit als het college het maximale bedrag aan dwangsommen heeft verbeurd dat is vastgesteld naar aanleiding van een vorig beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, het college in afwachting van de uitspraak van de rechtbank op dat opvolgende beroep, geen dwangsommen meer zou verbeuren en voor het college gedurende die periode dus geen financiële prikkel meer zou bestaan om een besluit te nemen.

Ook heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte niet in haar oordeel betrokken dat de dwangsom op het moment van de uitspraak wel al was volgelopen, zodat op dat moment geen overlap zou zijn ontstaan tussen een opvolgende en de eerdere dwangsomtermijn. Verder heeft de rechtbank miskend dat de beleidslijn alleen van toepassing is in het Vreemdelingenrecht. Daarnaast heeft de rechtbank miskend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:190, moet worden afgeleid dat de beleidslijn niet zondermeer moet worden toegepast en dat iedere zaak afzonderlijk moet worden beoordeeld, aldus [appellant].

4. Procesbelang is het belang dat bestaat bij de uitkomst van de procedure, dus wat de rechtszoekende concreet met het desbetreffende rechtsmiddel wil of kan bereiken. De vraag of er procesbelang is, wordt in het algemeen beantwoord naar de stand van zaken op het moment van het beoordelen van het rechtsmiddel. Hiervoor verwijst de Afdeling naar haar uitspraken van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1730, en 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:455. 4.1. Bij een beroep tegen het niet tijdig-nemen van een besluit blijft procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd. 4.2. [appellant] betoogt terecht dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het college op het moment van het instellen van beroep nog dwangsommen verbeurde naar aanleiding van de uitspraak van 21 april 2021.

Daarbij is de rechtbank ten onrechte ervan uitgegaan dat zij de beleidslijn moet toepassen, alleen al omdat de beleidslijn specifiek ziet op beroepen tegen het niet-tijdig beslissen in het Vreemdelingenrecht. Omdat de in de uitspraak van 21 april 2021 bepaalde termijn van twee weken om een besluit op het bezwaar te nemen was verstreken en het college ten tijde van de uitspraak van de rechtbank nog geen besluit op het bezwaar had bekendgemaakt, heeft de rechtbank ten onrechte geen procesbelang aangenomen en het beroep van [appellant] ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Omdat het college nog steeds geen besluit op het bezwaar bekend heeft gemaakt, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en het met een besluit gelijk te stellen niet-tijdig nemen van een besluit vernietigen. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepalen dat het college binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt.

De Afdeling ziet aanleiding voor deze afwijking van de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb genoemde termijn van twee weken, gelet op het door het college ter zitting bij de Afdeling uiteengezette proces om op verschillende bezwaren van [appellant] een besluit te nemen. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepalen dat het college een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat het in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De Afdeling zal de hoogte van de dwangsom vaststellen op € 250,00 per dag, met een maximum van € 37.500,00.

6. Het college moet de proceskosten vergoeden. Daarbij zal de Afdeling een wegingsfactor van 0,5 (licht) hanteren. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat deze zaak zowel bij de rechtbank als bij de Afdeling gezamenlijk met andere zaken van [appellant] over het door het college niet-tijdig nemen van een besluit op één zitting is behandeld. De proceskosten voor verleende rechtsbijstand voor de zitting bij de rechtbank en bij de Afdeling, alsmede de reis- en verletkosten voor de zitting bij de rechtbank en bij de Afdeling, zijn reeds toegekend in de uitspraak van de Afdeling van heden, ECLI:NL:RVS:2022:1593.

Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 oktober 2021 in zaak nr. 21/2611; III. verklaart het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit gegrond; IV. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat het in gebreke blijft deze uitspraak na te leven, waarbij de hoogte van de dwangsom € 250,00 bedraagt, met een maximum van € 37.500,00; VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 451,00 voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Es, griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2022 826.