Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:1508 ECLI:NL:RVS:2022:1508 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:1508 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:1508
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202202534/1/V3 en 202202534/2/V3. Datum uitspraak: 25 mei 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], en [vreemdeling 3], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 14 april 2022 in zaken nrs. NL20.16489, NL20.16491 en NL20.16493 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 92 van de Vw 2000; ECLI:NL:RVS:2022:1508 · Raad van State: Datum uitspraak: 25 mei 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], en [vreemdeling 3], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 14 april 2022 in zaken nrs. NL20.16489, NL20.16491 en NL20.16493 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 92 van de Vw 2000

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 92 van de Vw 2000

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202202534/1/V3 en 202202534/2/V3. Datum uitspraak: 25 mei 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], en [vreemdeling 3], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 14 april 2022 in zaken nrs. NL20.16489, NL20.16491 en NL20.16493 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop Bij besluiten van 28 augustus 2020 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 14 april 2022 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M.L. Saija, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de vreemdelingen zich nader uitgelaten.

Overwegingen 1. De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 21 april 2022. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. De vreemdelingen hebben het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Wat de vreemdelingen hebben aangevoerd, is geen reden om het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen. De lange duur van de asielprocedure en de gestelde complexiteit van de zaak doen er niet aan af dat de termijn voor het instellen van hoger beroep bij wet is bepaald. Dat de gemachtigde in de veronderstelling was dat deze termijn langer was leidt niet tot een ander oordeel.

De gevolgen daarvan komen voor risico van de vreemdelingen. De verwijzing van de gemachtigde naar de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1468 (onder 10), treft ook geen doel. Die uitspraak is niet van toepassing op de voorliggende situatie.

2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier. De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. w.g. Annen griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2022 765