Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:1447 ECLI:NL:RVS:2022:1447 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:1447 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:1447
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202202764/1/V1. Datum uitspraak: 19 mei 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 11 april 2022 in zaak nr. 21/7090 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Op 8 september 2021 heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek de identiteitskaart van de vreemdeling tijdelijk in bewaring genomen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:1447 · Raad van State: 202202764/1/V1. Datum uitspraak: 19 mei 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 11 april 2022 in zaak nr. 21/7090 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Op 8 september 2021 heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek de identiteitskaart van de vreemdeling tijdelijk in bewaring genomen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202202764/1/V1. Datum uitspraak: 19 mei 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 11 april 2022 in zaak nr. 21/7090 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Op 8 september 2021 heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek de identiteitskaart van de vreemdeling tijdelijk in bewaring genomen.

Op 14 oktober 2021 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om teruggave van zijn identiteitskaart afgewezen. Bij besluit van 26 november 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.A.M. Karsten, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Op grond van artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 staat in afwijking van artikel 8:104, eerste lid, van de Awb geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit of handeling op grond van hoofdstuk 4.

2. Omdat het hoger beroep zich richt tegen een uitspraak van de rechtbank over het tijdelijk in bewaring nemen van de identiteitskaart van de vreemdeling, als bedoeld in artikel 52, eerste lid, van de Vw 2000, opgenomen in hoofdstuk 4, is de Afdeling kennelijk onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen. Dat de rechtbank ten onrechte onder de uitspraak heeft vermeld dat bij de Afdeling hoger beroep kan worden ingesteld, maakt dit niet anders.

3. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Baldinger, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier. w.g. Baldinger lid van de enkelvoudige kamer w.g. Verbeek griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2022 574