Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:1244 ECLI:NL:RVS:2022:1244 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:1244 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:1244
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202101152/1/R1. Datum uitspraak: 26 april 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellante], gevestigd te Amsterdam, 2. het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2021 in zaak nr. 19/3174 in het geding tussen: [appellante] en het college. Procesverloop Bij besluit van 16 oktober 2018 heeft het college [appellante] een last onder dwangsom opgelegd ter hoogte van € 30.000,00 ineens om de bewoning van het gebouw op het perceel [locatie] in Aalsmeer binnen zes maanden te (laten) beëindigen en beëindigd te (laten) houden.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:112 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2022:1244 · Raad van State: De Afdeling overweegt dat in beginsel op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht rust om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. De Afdeling verwijst bij wijze van voorbeeld naar haar uitspraak van 16 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:115). Voor de vraag of het gebruik van het perceel voor bewoning inderdaad onder de beschermende werking van artikel 31.4 van de regels van het bestemmingsplan valt, is van belang of het gebruik al bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Hornmeer". Daarnaast geldt dat dit feitelijke gebruik niet in strijd mocht zijn met het voorheen geldende bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Stommeer en Hornmeer" zoals bedoeld in artikel 31.7 van de planregels.

Keywords

AI generated
artikel 4:112 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:112 van de Awb
Niet bestreden is dat deze handelingen stuitingshandelingen zijn als bedoeld in artikel 4:106 en artikel 4:112 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:115
201704887/1/A1. Datum uitspraak: 16 januari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Maastricht, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 mei 2017 in zaak nr. 16/2696 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Maastricht. Procesverloop Bij besluit van 11 maart 2016 heeft het college [appellant] gelast om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, namelijk de verhuur van kamers in de bovenwoning van het pand op het perceel [locatie] te Maastricht (hierna: het pand), uiterlijk op 1 juli 2016 te beëindigen en beëindigd te houden onder het opleggen van een dwangsom van € 2.500,00 per constatering, met een maximum van € 2.500,00.
ECLI:NL:RVS:2019:4439
201806108/1/A1. Datum uitspraak: 24 december 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend te Den Haag, 2. De Haagsche Brood Winkels B.V. en De Haagsche Bakkerij B.V., beide gevestigd te Den Haag en gezamenlijk handelend onder de naam [bakkerij] (hierna samen en in enkelvoud: [bakkerij]), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juni 2018 in zaak nr. 17/3994 in het geding tussen: [appellant sub 1] en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Procesverloop Bij besluit van 30 september 2016 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de panden aan de [locatie A] te Den Haag als brood- en banketbakkerij afgewezen. Bij besluit van 27 februari 2017 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 30 september 2016 herroepen en [bakkerij] onder aanzegging van een dwangsom gelast om de met het bestemmingsplan strijdige activiteiten bestaande uit het (af)bakken van brood en banket te staken. Bij besluit van 21 april 2017 heeft het college het besluit van 27 februari 2017 ingetrokken en het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 alsnog ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 21 april 2017 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld. [bakkerij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft een zienswijze en nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2019, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. M.C. Veltkamp-van Paassen, advocaat te Den Haag, [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Amerongen, zijn verschenen. Voorts is [bakkerij], vertegenwoordigd door mr. D. Korsse, advocaat te Den Haag, [gemachtigden], verschenen. De Afdeling heeft aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en heeft partijen om nadere inlichtingen gevraagd. [appellant sub 1], [bakkerij] en het college hebben een schriftelijke reactie gegeven. [appellant sub 1] en [bakkerij] hebben daarna gereageerd op de stukken van de andere partijen. Partijen hebben ingestemd met het achterwege laten van het houden van een nadere zitting. Daarop heeft de Afdeling het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding 1. [bakkerij] exploiteert een brood- en banketbakkerij en een bakkerswinkel aan de [locatie A] in Den Haag. [appellant sub 1] woont aan de [locatie B] en heeft het college op 28 juni 2016 verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van de panden als bakkerij, omdat hij daarvan nadelige gevolgen ondervindt en dit gebruik volgens hem in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingplan. Het handhavingsverzoek heeft geen betrekking op de bakkerswinkel. Het college heeft zich bij het besluit van 30 september 2016 op het standpunt gesteld dat het onbevoegd is om handhavend op te treden, omdat een overtreding zich volgens hem niet heeft voorgedaan. Het gebruik als bakkerij is toegestaan ingevolge de in het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" opgenomen gebruiksovergangsbepaling, aldus het college. Na dit besluit is, op 29 december 2016, het bestemmingsplan "Vogelwijk" in werking getreden. Vast staat dat gebruik als bakkerij van de panden [locatie A] in strijd is met de bestemming "Gemengd" die aan de gronden in dit bestemmingsplan is toegekend. Het college heeft bij besluit op bezwaar van 27 februari 2017 het besluit van 30 september 2016 herroepen en heeft een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat [bakkerij] de met het bestemmingsplan "Vogelwijk" strijdige productieactiviteiten moet beëindigen. [bakkerij] heeft hiertegen beroep bij de rechtbank ingesteld. Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het college bij het besluit van 21 april 2017 het besluit van 27 februari 2017 ingetrokken en het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 alsnog ongegrond verklaard, omdat is gebleken dat voor de bakkerij in het verleden bouwvergunningen zijn verleend, zodat het gebruik als bakkerij is vergund en het bestaande gebruik onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Vogelwijk" valt. [bakkerij] heeft hierop het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 27 februari 2017 ingetrokken. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik als bakkerij wordt beschermd door het overgangsrecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat het huidige gebruik van de panden aan de [locatie A] reeds ten tijde van de peildatum van 16 januari 1997 plaatsvond. Volgens de rechtbank kan niet worden gezegd dat dit gebruik niet onafgebroken is voortgezet of dat dit is vergroot ten opzichte van het gebruik op de peildatum. Relevante wettelijke bepalingen 2. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. Het hoger beroep van [appellant sub 1] 3. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [bakkerij] geen beroep kan doen op de beschermende werking van het overgangsrecht. [appellant sub 1] voert aan dat het gebruik als bakkerij sinds 16 januari 1997 niet steeds ongewijzigd is voortgezet. Het gebruik als bakkerij is in de periode tussen 2001 en 2015 onderbroken geweest, in ieder geval wat het pand [locatie A-1] betreft, zo stelt hij. Hij wijst erop dat in die periode aan de Badhuisstraat een centrale bakkerij voor de broodproductie werd geëxploiteerd. Het pand [locatie A-1] zou verder nagenoeg gedurende heel het jaar 2015 zijn gebruikt voor horeca. Ook is het gebruik door een faillissement eind 2015 tijdelijk gestaakt, zo stelt hij. De rechtbank heeft volgens [appellant sub 1] ook miskend dat het gebruik in de loop der jaren is geïntensiveerd, waardoor de afwijking van het geldende bestemmingsplan is vergroot. De rechtbank heeft volgens [appellant sub 1] miskend dat de omvang van het gebruik aanzienlijk is toegenomen. Door de intensivering van het gebruik van de panden zijn de (vrachtwagen)verkeers- bewegingen van en naar de bakkerij toegenomen en wordt er meer geladen en gelost en is de geluid- en geurhinder voor omwonenden aanzienlijk toegenomen, aldus [appellant sub 1]. Met name na de doorstart na het faillissement wordt door omwonenden aanzienlijk meer overlast van de bakkerij ondervonden dan voor die datum, aldus [appellant sub 1]. Volgens hem is het pand [locatie A-1] pas vanaf 2015 in gebruik genomen als bakkerij. Hij voert verder aan dat het aantal winkels waarvoor producten worden gebakken, is toegenomen. Hij wijst er verder nog op dat het bakken van zogenoemd ‘grootbrood’, te weten halve of hele broden, dat eerder ter plaatse was gestaakt, meer hinder voor de omgeving veroorzaakt dan het bakken van banket. 3.1. Bij de beoordeling of het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] ten tijde van het besluit op bezwaar van 21 april 2017 is toegestaan, is uitsluitend het bestemmingsplan "Vogelwijk", zoals dat is vastgesteld en in werking getreden, van betekenis. Aan de door [bakkerij] gestelde omstandigheid dat de raad in het bestemmingsplan "Vogelwijk" aan de percelen [locatie A] abusievelijk, wat daar verder ook van zij, een bestemming heeft toegekend die het gebruik als bakkerij niet toestaat, komt geen betekenis toe. Verder komt aan de in 1946, 1976, 1977, 1986 en 2001 verleende bouwvergunningen, voor zover die al zouden zijn verleend ten behoeve van een gebruik als bakkerij, geen zelfstandige betekenis toe na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime. Het is primair aan de raad van een gemeente om te bepalen welk gebruik op een perceel is toegestaan. De raad van een gemeente heeft de mogelijkheid om ander gebruik dan bestaand legaal gebruik toe te staan op gronden indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang daarbij zwaarder weegt dan gevestigde rechten en belangen. [1] Hiermee verdraagt zich niet dat aan door het college verleende bouwvergunningen wat betreft gebruik zelfstandige betekenis toekomt na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime. (Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC5236). Voor zover [bakkerij] heeft gesteld dat het gebruik als bakkerij van de panden is toegestaan op grond van een in 2018 verleende omgevingsvergunning, stelt de Afdeling vast dat die vergunning uitsluitend ziet op het op het dak aanbrengen van een zilveren kast met een oppervlakte van minder dan 1 m2. Aan de omstandigheid dat op de bouwtekening op de begane grond van het pand [locatie A-2] twee keer ‘bakkerij’ is vermeld, kan niet worden afgeleid dat ook voor het gebruik als bakkerij van de begane grond een omgevingsvergunning is aangevraagd en is verleend. Het bouwplan betreft immers niet de begane grond. Dat op de bouwtekening expliciet is vermeld dat [locatie A-1] en de eerste verdieping van de [locatie A-2] niet behoren tot de aanvraag, maakt niet dat toch moet worden geoordeeld dat het gebruik van de begane grond onderdeel uitmaakt van de aanvraag. 3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, dient degene die een beroep doet op het overgangsrecht, in dit geval het college, aan de hand van concrete en objectieve gegevens aannemelijk te maken dat het overgangsrecht inderdaad van toepassing is. 3.3. In artikel 27, tweede lid, onder 1, van de planregels van het bestemmingsplan "Vogelwijk" is bepaald dat gebruik dat in strijd is met de bestemming, is toegestaan, indien het bestond ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is op 29 december 2016 in werking getreden. Tussen partijen is niet in geschil dat op dat moment de percelen [locatie A] als bakkerij werden gebruikt. Verder is niet in geschil dat het gebruik van de percelen ten tijde van het besluit op bezwaar van 21 april 2017 niet afwijkt van dat op genoemde peildatum. Artikel 27, tweede lid, onder 4, heeft tot gevolg dat bestaand gebruik dat in strijd was met het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" niet onder het overgangsrecht valt. Dit betekent dat bestaand gebruik dat in strijd was met de in het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" aan gronden toegekende bestemming, maar op grond van de overgangsbepaling van dat bestemmingsplan was toegestaan, ook onder de reikwijdte van artikel 27, tweede lid, onder 1, van het bestemmingsplan "Vogelwijk" valt. Omdat het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] ook in strijd was met de ingevolge het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" op de percelen rustende bestemming "Gemengde doeleinden", is de in dit bestemmingsplan opgenomen gebruiksovergangsbepaling van belang. In artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" is bepaald dat bestaand gebruik dat in strijd is met het plan, mag worden voortgezet of worden gewijzigd in een ander gebruik, indien door deze wijziging de afwijking van het plan niet wordt vergroot. Om te beoordelen of het gebruik als bakkerij valt onder de beschermende werking van het overgangsrecht, neergelegd in artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996", moet worden bepaald wat het bestaande gebruik was op het tijdstip van het van kracht worden van dat bestemmingsplan. Het maakt, gezien de inhoud van artikel 27, tweede lid, onder 4, anders dan bij het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Vogelwijk", geen verschil of dat bestaande gebruik al dan niet was toegestaan op grond van de vóór het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" geldende planologische regelingen. 3.4. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" op 16 januari 1997 van kracht is geworden. Voor de vraag wat het bestaande gebruik was op deze peildatum is de feitelijke situatie bepalend. Het college heeft ervan mogen uitgaan dat vóór die datum verleende bouwvergunningen en het gebruik dat daaruit voortvloeit, voor het feitelijke gebruik een aanwijzing kunnen vormen. Tussen partijen is niet in geschil dat het pand [locatie A-2] op de peildatum van het vorige bestemmingsplan werd gebruikt als bakkerij. De Afdeling gaat daarvan ook uit. De Afdeling begrijpt de stelling van [appellant sub 1] dat het pand [locatie A-1] tot 2015 als magazijn werd gebruikt aldus dat hij betwist dat dat pand op de peildatum werd gebruikt als bakkerij. Bij besluit van 2 oktober 1986 heeft het college aan een rechtsvoorganger van [bakkerij] een bouwvergunning verleend voor verbouwing van de panden [locatie A]. Er is vergunning verleend om onder meer de winkel en bakkerij [locatie A-2] en de winkel [locatie A-1] te veranderen en vergroten tot een winkel met bakkerij en magazijn. Uit de bouwtekening blijkt dat de muur tussen de panden op [locatie A] wordt opengebroken, waardoor de begane grond van het pand [locatie A-1] bij de productieruimte van de bakkerij op [locatie A-2] wordt getrokken. In het pand [locatie A-1] is verder op de bouwtekening een rijskast ingetekend. Nog daargelaten dat ook een magazijn het gebruik als bakkerij kan betreffen, heeft de rechtbank, gelet op wat hiervoor staat, terecht overwogen dat met de vergunning het gebruik als bakkerij van het pand [locatie A-1] is toegestaan. Uit een proces-verbaal van opname blijkt dat op 6 januari 1986 is geconstateerd dat de wijzigingen hebben plaatsgevonden overeenkomstig de verleende bouwvergunning. Gelet hierop is aannemelijk dat het gebruik als bakkerij ten behoeve waarvan is gebouwd, zich toen voordeed. Nu niet in geschil is dat dat gebruik tot aan de peildatum is voortgezet, heeft de rechtbank terecht overwogen dat aannemelijk is gemaakt dat gebruik als bakkerij van de panden [locatie A] op de peildatum 16 januari 1997 plaatsvond. Het betoog faalt in zoverre. 3.5. Over de vraag of het gebruik als bakkerij sinds 16 januari 1997 ononderbroken is voortgezet, overweegt de Afdeling dat een onderbreking van het gebruik gedurende een periode van enige betekenis aan voortzetting van dat gebruik onder het overgangsrecht in de weg kan staan, waarbij de oorzaak van de onderbreking mede van betekenis is. De rechtsvoorganger van [bakkerij] die destijds de bakkerij en winkel exploiteerde, is op 3 november 2015 failliet gegaan. Als gevolg van het faillissement hebben de werkzaamheden van de bakkerij vanaf die datum tot 19 december 2015 stilgelegen. Op 6 november 2015 werd duidelijk dat de bedrijfsactiviteiten zouden worden voortgezet, zo komt uit de stukken naar voren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het faillissement, gelet op de korte periode waarin geen werkzaamheden hebben plaatsgevonden en de voorgenomen doorstart van de bedrijfsactiviteiten, er niet toe heeft geleid dat het gebruik als bakkerij voor de toepassing van het overgangsrecht als onderbroken moet worden aangemerkt. Het betoog faalt in zoverre. 3.6. [appellant sub 1] heeft over de door hem gestelde onderbreking van het gebruik als bakkerij tussen 2008 en 2015 aangevoerd dat in die periode elders in Den Haag een bakkerij werd geëxploiteerd. Ter onderbouwing van dit betoog heeft hij onder meer gewezen op krantenartikelen uit die periode en een passage in het boek "Een Haagse oase aan Zee" van november 2008, waarin staat dat er geen brood meer wordt gebakken aan de Mezenlaan. Vast staat dat in de door [appellant sub 1] genoemde periode een bakkerij aan de Badhuisstraat in Den Haag werd geëxploiteerd. De omstandigheid dat elders een bakkerij werd geëxploiteerd, betekent echter nog niet dat in de panden aan de [locatie A] geen bakkerij-activiteiten werden uitgeoefend. Niet in geschil is dat op de [locatie A-2] in die periode in ieder geval banket werd geproduceerd. Anders dan waarvan [appellant sub 1] uitgaat, is het bakken van banket ook te beschouwen als gebruik als bakkerij. De gestelde omstandigheid dat ter plaatse geen grootbrood werd gebakken, leidt dan ook niet tot het oordeel dat het gebruik als bakkerij was onderbroken. [appellant sub 1] heeft gesteld dat het gebruik als bakkerij van het perceel [locatie A-1] in 2015 gedurende enige tijd is gestaakt, omdat (een gedeelte van) dat pand zou zijn gebruikt als lunchroom en als ruimte voor het houden van verjaardagsfeestjes en workshops. Deze stelling, wat daar verder ook van zij, leidt evenmin tot de conclusie dat het gebruik als bakkerij onderbroken is geweest. De panden [locatie A] staan vanaf het moment dat ter uitvoering van de in 1986 verleende bouwvergunning een deel van de muur tussen deze panden is verwijderd, immers met elkaar in verbinding en het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] dient, mede gelet op de inhoud van die vergunning, vanaf dat moment als één geheel te worden beschouwd. Nu niet in geschil is dat steeds banket werd gebakken aan de Mezenlaan, is de rechtbank terecht ervan uitgegaan dat het gebruik als bakkerij ononderbroken is voortgezet. Het betoog faalt in zoverre. 3.7. Wat betreft de door [appellant sub 1] gestelde intensivering van het gebruik als bakkerij overweegt de Afdeling dat gebruik dat op de peildatum bestaat, onder de beschermende werking van artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" mag worden voortgezet. Het gebruik mag worden gewijzigd, zolang de afwijking van het geldende plan niet wordt vergroot. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 19 december 2001 (ECLI:NL:RVS:2001:AD8891) moet een intensivering van het gebruik als een verandering daarvan worden aangemerkt. Vergelijk voorts de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA2682), waarin de Afdeling heeft overwogen dat intensivering van het gebruik een vergroting van de afwijking van het bestemmingsplan naar de aard meebrengt. Voor de toepassing van artikel 18, tweede lid, van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" gaat het erom of het gebruik op de datum van van krachtwording van dat bestemmingsplan nadien niet is geïntensiveerd. Het gebruik op die datum moet worden vergeleken met het gebruik dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingplan "Vogelwijk". 3.8. Een geslaagd beroep op het in artikel 18, tweede lid, neergelegde overgangsrecht (en daarmee op artikel 27, tweede lid, onder 1, van het bestemmingsplan "Vogelwijk") kan worden gedaan, indien aannemelijk wordt gemaakt dat het strijdig gebruik, na eerdere intensivering daarvan, is teruggebracht naar het gebruik zoals dat bestond op de peildatum en waarvan de aard niet is veranderd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ2631). Voor zover [bakkerij] heeft gesteld dat het gebruik niet is geïntensiveerd reeds omdat de bakkerij-activiteiten steeds tot dezelfde categorie bedrijven van de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering" hebben behoord, wordt overwogen dat daaraan, wat daar ook van zij, geen betekenis toekomt, aangezien de feitelijke ruimtelijke gevolgen bepalend zijn voor de toepassing van het overgangsrecht. Bij het besluit op bezwaar van 21 april 2017 heeft het college niet gemotiveerd waarom het zich op het standpunt stelt dat het gebruik als bakkerij in ruimtelijk relevant opzicht gelijk is gebleven. Zoals hiervoor is overwogen, hoeft een enkele intensivering van het gebruik niet aan een geslaagd beroep op het gebruiksovergangsrecht in de weg te staan als het gebruik op de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Vogelwijk" in ruimtelijk opzicht gelijk is aan dat van het gebruik op de peildatum. Niet is gebleken dat het college heeft onderzocht wat op die data de omvang van het gebruik en de ruimtelijke uitstraling daarvan waren. [bakkerij] heeft te kennen gegeven dat tussen 1997 en 2015 jaarlijks ongeveer 4.000 à 5.000 kg aan grondstoffen in de bakkerij is verwerkt. Naar zij stelt, werkten er tussen 2000 en 2015 steeds vier tot vijf bakkers op de Mezenlaan en werd er gebakken voor acht winkels, vijftien horecazaken en enkele hotels in Den Haag. Na het faillissement van haar rechtsvoorganger is vanaf december 2015 nog maar voor drie winkels en een restaurant gebakken, aldus [bakkerij]. [bakkerij] heeft ter zitting te kennen gegeven dat er nog stukken ter ondersteuning van haar stellingen bij de curator liggen vanwege de afwikkeling van het faillissement. De door [bakkerij] wel in de procedure ingebrachte stukken bevatten informatie over een levering van producten en vrachtwagenbewegingen, maar betreffen slechts de jaren 2013-2015. Deze stukken geven dan ook, anders dan waarvan de rechtbank lijkt te zijn uitgegaan, geen informatie over de omvang van het gebruik als bakkerij op de van belang zijnde data. Aan de door [bakkerij] gedane stellingen over de omvang van het gebruik komt niet de betekenis toe die zij daaraan toegekend wil zien, omdat deze stellingen niet met verifieerbare gegevens zijn onderbouwd. Daarbij is mede van belang dat er aanwijzingen zijn dat het gebruik mogelijk wel is geïntensiveerd. Het college heeft in 2018 aan [bakkerij] een omgevingsvergunning verleend, waarin staat dat de bakkerij in de afgelopen jaren gestaag is gegroeid in zijn activiteiten. Dit komt overeen met de strekking van de door [appellant sub 1] overgelegde schriftelijke verklaringen van omwonenden, waarin deze stellen dat de hinder van de activiteiten ter plaatse is toegenomen. Gelet op het vorenstaande heeft het college in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), ontoereikend gemotiveerd dat dat gebruik als bakkerij onder het overgangsrecht valt. Het college heeft bij de voorbereiding van zijn besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. 4. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [bakkerij] 5. [bakkerij] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het beroep van [appellant sub 1] gegrond is. Zij betoogt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak een verkeerde peildatum heeft gehanteerd voor de toepassing van het overgangsrecht. Niet de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996", te weten 16 januari 1997, is daarvoor bepalend, maar alleen de datum van inwerkingtreding van het geldende bestemmingsplan "Vogelwijk". Daartoe voert zij aan dat na deze datum een bouwvergunning voor de bakkerij is verleend, namelijk op 27 juli 2001, en haar in verband hiermee niet de strijdigheid van het gebruik met de bestemming kan worden tegengeworpen. Zij verwijst ter onderbouwing van haar betoog naar de uitspraak van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:203. 5.1. Zoals onder 3.3 is overwogen, is de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996", 16 januari 1997, van betekenis voor de vraag of een beroep kan worden gedaan op het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan "Vogelwijk". Zoals onder 3.1 is overwogen, komt aan de in 2001 verleende bouwvergunning geen zelfstandige betekenis toe. De uitspraak van 24 januari 2018, waarop [bakkerij] heeft gewezen, ziet op een andere kwestie dan hier aan de orde. In die uitspraak ging het om de vaststelling van een bestemmingsplan, waarbij de raad van een gemeente een perceel niet had bestemd overeenkomstig het bestaande gebruik waarvoor een vergunning was verleend, terwijl in beginsel dergelijk gebruik als zodanig in het bestemmingsplan dient te worden bestemd. De vraag of in het bestemmingsplan "Vogelwijk" aan het perceel de juiste bestemming is gegeven, had destijds in de procedure over de vaststelling van dat bestemmingsplan kunnen worden opgeworpen en ligt nu niet ter beoordeling voor. Het betoog faalt. 6. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [bakkerij] is ongegrond. Conclusie 7. Zoals hiervoor is overwogen, is het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond en is het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [bakkerij] ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 21 april 2017 alsnog gegrond verklaren. De Afdeling ziet aanleiding het besluit op bezwaar van 21 april 2017 te vernietigen slechts voor zover daarbij het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 ongegrond is verklaard. Dit betekent dat het besluit van 21 april 2017 in stand blijft voor zover daarbij het besluit op bezwaar van 27 februari 2017 is ingetrokken. Door het besluit in zoverre in stand te laten, wordt voorkomen dat het ingetrokken besluit op bezwaar van 27 februari 2017, waarbij aan [bakkerij] een last onder dwangsom is opgelegd, herleeft zonder dat [bakkerij] daartegen nog een rechtsmiddel kan aanwenden. 7.1. Het college dient, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016. Daarbij dient het college te onderzoeken of het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] op 29 december 2016, de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Vogelwijk" ten opzichte van het gebruik op de peildatum 16 januari 1997 al dan niet is geïntensiveerd. Bij de beantwoording van de vraag of het gebruik is geïntensiveerd, moet worden beoordeeld of de ruimtelijke uitstraling van het gebruik al dan niet zodanig is gewijzigd dat de afwijking van het bestemmingsplan is vergroot. Het college dient zijn nieuwe besluit op bezwaar te voorzien van een toereikende motivering. 7.2. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. Proceskosten 8. Het college wordt op na te melden wijze veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1]. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond; II. verklaart het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van De Haagsche Brood Winkels B.V. en De Haagsche Bakkerij B.V. ongegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juni 2018 in zaak nr. 17/3994; IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 21 april 2017, kenmerk B.2.16.2909.001, voor zover daarbij het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard; VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.560,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht tot een bedrag van € 506,00 (zegge: vijfhonderdzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier. w.g. Scholten-Hinloopen voorzitter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2019 163-687. BIJLAGE Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, luidt: "Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]." Bestemmingsplan "Vogelwijk" Artikel 3, eerste lid, luidt: "De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. bed & breakfast; uitsluitend op de begane grondlaag: c. dienstverlening; d. maatschappelijk; en ter plaatse van de functieaanduiding en uitsluitend op de begane grond: e. "detailhandel" (dh) tevens voor detailhandel; f. "atelier" (atl) tevens voor een atelier; één en ander zoals nader bepaald in artikel 3.3 en met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen, gebouwde en ongebouwde parkeervoorzieningen, groen, water en overige voorzieningen." Artikel 27, tweede lid, luidt: "1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het tweede lid onder 1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; 3. Indien het gebruik, bedoeld in het tweede lid onder 1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; 4. Het tweede lid onder 1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan;" Bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" Artikel 6, eerste lid, luidt: "Aan de gronden, welke blijkens de plankaart als zodanig zijn bestemd, zijn de volgende doeleinden toegekend: - woondoeleinden met bijbehorende voorzieningen; - detailhandel, aan detailhandel verwant dienstverlening in publiekgerichte dienstverlening op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch of kosmetisch gebied, uitsluitend op de begane grondlaag. […]." Artikel 18, tweede lid, luidt: "Op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestaand gebruik van de in het plan begrepen gronden en/of daarop staande opstallen, dat in strijd is met het plan, mag worden voortgezet of worden gewijzigd in een ander gebruik, indien door deze wijziging de afwijking van het plan niet wordt vergroot." ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ [1] Dit kan wanneer zicht bestaat op beëindiging van het gebruik binnen de planperiode. Met het toestaan van ander gebruik wordt het bestaande gebruik onder het overgangsrecht gebracht. Dat heeft naar zijn aard een tijdelijk karakter.
ECLI:NL:RVS:2020:755
201801850/5/R2. Datum uitspraak: 18 maart 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te Deurne, 2. [appellant sub 2], wonend te Deurne, 3. [appellant sub 3], wonend te Deurne, 4. [appellant sub 4], wonend te Deurne, 5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Deurne (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]), 6. [appellant sub 6], wonend te Deurne, 7. [appellant sub 7], wonend te Deurne, 8. [appellant sub 8], wonend te Deurne, 9. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], beiden wonend te Deurne (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 9]), en de raad van de gemeente Deurne, verweerder.
ECLI:NL:RVS:2011:BU3757
Procesverloop Bij besluit van 1 februari 2010 heeft het college, voor zover hier van belang, [appellant] gelast vóór 2 augustus 2010 de bewoning van het bedrijfsgedeelte van het pand op het perceel [locatie] te Groningen te staken, onder oplegging van een dwangsom. Bij besluit van 17 september 2010 heeft het college, onder verlenging van de begunstigingstermijn tot drie maanden na dit besluit, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.T. Huisman, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.C.A. Hofman-Aupers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
ECLI:NL:RVS:2018:834
per bouwvlak ten hoogste 1 (inpandige) bedrijfswoning is toegestaan […]" Het vijfde lid luidt: "Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruiken dan wel laten gebruiken dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen: • het gebruiken of laten gebruiken van gebouwen voor nachtverblijf, met uitzondering van bedrijfswoningen." Artikel 1, aanhef en onder n, luidt: "In deze regels wordt verstaan onder: [...] Bedrijfs- of dienstwoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die kennelijk slechts is bestemd voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk moet worden geacht." 4. [appellant] betoogt dat het gebruik van het pand niet in strijd was met het bestemmingsplan, omdat het pand slechts werd bewoond door één huishouden, dat mogelijk af en toe familie liet logeren. 4.1.
ECLI:NL:RVS:2016:849
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 1] en anderen, gevestigd te Lienden, gemeente Buren, 2.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202101152/1/R1. Datum uitspraak: 26 april 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellante], gevestigd te Amsterdam, 2. het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2021 in zaak nr. 19/3174 in het geding tussen: [appellante] en het college. Procesverloop Bij besluit van 16 oktober 2018 heeft het college [appellante] een last onder dwangsom opgelegd ter hoogte van € 30.000,00 ineens om de bewoning van het gebouw op het perceel [locatie] in Aalsmeer binnen zes maanden te (laten) beëindigen en beëindigd te (laten) houden.

Bij besluit van 27 mei 2019 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 16 oktober 2018 in stand gelaten. Bij besluit van 8 oktober 2019 heeft het college besloten tot invordering van de verbeurde dwangsom ter hoogte van € 30.000,00. Bij uitspraak van 11 januari 2021 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 27 mei 2019 en 8 oktober 2019 vernietigd en het college opgedragen om binnen acht weken nieuwe besluiten te nemen.

Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben [appellante] en het college hoger beroep ingesteld. [appellante] en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, bij besluit van 23 februari 2021 het besluit van 16 oktober 2018 herzien door de hoogte van de dwangsom te wijzigen naar een bedrag van € 1.000,00 per week dat de overtreding voortduurt voor maximaal zes weken. Voor het overige blijft het besluit van 16 oktober 2018 ongewijzigd. Voorts heeft het college bij besluit van 23 februari 2021 in zoverre ook het invorderingsbesluit van 8 oktober 2019 herzien door het totaal aan in te vorderen verbeurde dwangsommen vast te stellen op € 3.000,00. [appellante] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 23 februari 2021.

Het college heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2021, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H.W. Vis, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door N. Lindeman, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellante] is eigenaar van het perceel [locatie] in Aalsmeer (hierna: het perceel) en exploiteert daar een autoverhuurbedrijf. Voor het perceel geldt op grond van het bestemmingsplan "Hornmeer" de bestemming "Bedrijventerrein". Aan het perceel is niet de aanduiding "bedrijfswoning" als bedoeld in artikel 5.1.2, aanhef en onder m, van de planregels toegekend.

Op 13 april 2018 heeft een toezichthouder van de gemeente Aalsmeer een controle uitgevoerd. Dit naar aanleiding van een melding dat op het perceel acht mensen wonen terwijl daar geen inschrijvingen bekend zijn. In het rapport van 16 april 2018 dat naar aanleiding van deze controle is opgesteld staat dat de eerste verdieping van het gebouw op het perceel wordt gebruikt voor woondoeleinden, en dat daar vier slaapkamers, een woonkamer, een keuken, een badkamer en een opslagruimte aanwezig zijn. [appellante] heeft nadien huurovereenkomsten overgelegd aan de toezichthouder waaruit volgt dat [appellante] de vier slaapkamers in het gebouw verhuurt aan acht personen voor de duur van één jaar met een stilzwijgende verlenging van één jaar. 1.1.

Bij besluit van 16 oktober 2018 heeft het college [appellante] gelast om binnen zes maanden na de verzenddatum van dat besluit de overtreding op het perceel [locatie] van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in samenhang met de artikelen 5.1.2 en 26.1 van het bestemmingsplan "Hornmeer", kortgezegd, tot een einde te brengen. Alle roerende zaken die samenhangen met het gebruik als woonruimte uit het gebouw moeten op grond van deze last worden verwijderd. Als [appellante] daaraan niet voldoet, verbeurt zij een dwangsom van € 30.000,00 ineens.

Het bewonen van het gebouw is volgens het college in strijd met artikelen 5.1.2 en 26.1 van de regels van het bestemmingsplan "Hornmeer", omdat dit gebruik niet in overeenstemming is met de op het perceel rustende bestemming "Bedrijventerrein". 1.2. Op 14 juni 2019 heeft een toezichthouder van de gemeente een controle uitgevoerd en geconstateerd dat het gebouw nog steeds wordt bewoond. Het college is vervolgens bij besluit van 8 oktober 2019 overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 30.000,00. 1.3. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] tegen het handhavingsbesluit van 27 mei 2019 en het invorderingsbesluit van 8 oktober 2019 gegrond verklaard en beide besluiten vernietigd.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de bewoning van verschillende kamers in het gebouw op het perceel door acht personen in strijd was met het bestemmingsplan, dat aan dit gebruik geen beschermende werking toekwam op grond van het gebruiksovergangsrecht en dat de last duidelijk geformuleerd is. Volgens de rechtbank handelt het college echter in strijd met de zorgvuldigheid door voor eenzelfde soort overtreding, bewoning van het pand enerzijds en huisvesting van arbeidsmigranten anderzijds (beide volgens de rechtbank huisvesting in strijd met het omgevingsrecht) verschillende dwangsommen te hanteren.

De rechtbank heeft het college opgedragen om nieuwe besluiten te nemen. Gelet op artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) had het beroep mede betrekking op het invorderingsbesluit. [appellante] en het college kunnen zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen en hebben daartegen hoger beroep ingesteld.

2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Het hoger beroep van [appellante] Procesbelang en verjaring 3. Ter zitting is stil gestaan bij de vraag of de bevoegdheid van het college tot invordering van de volgens het college verbeurde dwangsom van € 30.000,- inmiddels verjaard is. De begunstigingstermijn van de last is geëindigd op 12 juni 2019. Het college heeft in zijn nadere stuk van 14 juni 2021 toegelicht dat de bevoegdheid om in te vorderen op 6 januari 2020 voor het eerst is gestuit door middel van een aanmaning.

Daarna, zo volgt uit de stukken, heeft het college op 4 februari 2020 een dwangbevel uitgegeven. Vervolgens heeft de deurwaarder - na de uitspraak van de rechtbank - bij exploot op 26 januari 2021 nogmaals aan [appellante] verklaard dat het college de betaling van de verbeurde dwangsom van € 30.000,- uitdrukkelijk voorbehoudt. Niet bestreden is dat deze handelingen stuitingshandelingen zijn als bedoeld in artikel 4:106 en artikel 4:112 van de Awb. Verder is niet gebleken dat het college vervolgens na de zitting heeft nagelaten om vóór 26 januari 2022 opnieuw een stuitingshandeling te verrichten.

Dat tezamen is reden om te oordelen dat de verjaringstermijn van een jaar steeds tijdig gestuit is, zodat het procesbelang van beide partijen bij de hoger beroepen niet is vervallen. Overtreding? Strijdig gebruik? 4. De rechtbank heeft overwogen dat met de bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning voor bouwen) die het college op 26 april 1979 aan [bedrijf] heeft verleend - in tegenstelling tot wat [appellante] veronderstelt - de bouw van een dienstwoning is vergund op het perceel [locatie] en dat de huisvesting noodzakelijk moet zijn, gelet op de bestemming of feitelijk gebruik van het gebouw of terrein.

Dit leidt de rechtbank af uit een door het college bij het besluit van 16 oktober 2018 gevoegde afdruk van de bouwvergunning waarop de handgeschreven opmerking staat: "bouwplan voldoet aan bestemmingsplan "Bedrijfsterreinen Hornmeer 1976". In dat bestemmingsplan had het perceel de bestemming "Handel en nijverheid". In artikel 5, tweede lid, onder d, van dat bestemmingsplan stond dat op elk bouwperceel ten hoogste één dienstwoning mag worden gebouwd. Op grond van artikel 1, onder i, van het bestemmingsplan was een dienstwoning alleen bestemd voor (het gezin van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming of feitelijk gebruik van het gebouw of terrein, noodzakelijk is, zo staat in de uitspraak van de rechtbank. 4.1. [appellante] kan zich niet verenigen met dit oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft volgens haar miskend dat met de bouwvergunning van 26 april 1979 ook het gebruik van de dienstwoning op het perceel [locatie] voor reguliere woondoeleinden en onzelfstandige kamerverhuur is vergund en dat dat gebruik sindsdien onafgebroken is voortgezet. Hiertoe voert [appellante] aan dat destijds met de term "bestemming" in artikel 1, onder i, van het bestemmingsplan "Bedrijfsterreinen Hornmeer 1976" niet werd gedoeld op de planologische bestemming, maar op de bestemming die de gebruiker zelf aan het gebouw geeft. [appellante] leidt hieruit en uit de handgeschreven opmerking bij de bouwvergunning af dat de gebruiker van het gebouw zelf mocht bepalen of de bewoning van de dienstwoning noodzakelijk was, ongeacht de inhoud van het bestemmingsplan zoals dat van tijd tot tijd zou worden herzien. [appellante] stelt om die reden dat de bewoning van het gebouw door arbeidsmigranten geen overtreding oplevert omdat het college met de bouwvergunning heeft bevestigd ervan te zullen uitgaan/ermee heeft ingestemd dat de huisvesting van een persoon in de dienstwoning steeds noodzakelijk zou zijn voor de bestemming of het feitelijke gebruik van het gebouw.

Dat de dienstwoning in het bedrijfsgebouw met de vaststelling van het bestemmingsplan "Hornmeer" door de raad op 27 juni 2013 is wegbestemd, neemt volgens [appellante] niet weg dat het vergunde gebruik op grond van het gebruiksovergangsrecht uit dat bestemmingsplan mag worden voortgezet. 4.2. Niet in geschil is dat het gebouw op het perceel ten tijde van de controle op 13 april 2018 door acht personen werd bewoond en dat dit in strijd is met de bestemming "Bedrijventerrein" van het bestemmingsplan "Hornmeer". De Afdeling begrijpt [appellante] echter zo dat zij meent dat de rechtbank heeft miskend dat zij een beroep kan doen op de beschermende werking van het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan "Hornmeer". 4.3.

De Afdeling overweegt dat in beginsel op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht rust om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. De Afdeling verwijst bij wijze van voorbeeld naar haar uitspraak van 16 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:115). Voor de vraag of het gebruik van het perceel voor bewoning inderdaad onder de beschermende werking van artikel 31.4 van de regels van het bestemmingsplan valt, is van belang of het gebruik al bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Hornmeer". Daarnaast geldt dat dit feitelijke gebruik niet in strijd mocht zijn met het voorheen geldende bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Stommeer en Hornmeer" zoals bedoeld in artikel 31.7 van de planregels.

Het gebruik van het gebouw voor reguliere bewoning of onzelfstandige kamerverhuur was echter op grond van het voorgaande bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Stommeer en Hornmeer" van 22 juni 1999 niet toegestaan. [appellante] beroept zich in dit verband dan vervolgens weer op de bouwvergunning van 26 april 1979. 4.4. In dat verband stelt de Afdeling voorop dat aan een verleende bouwvergunning wat betreft gebruik geen zelfstandige betekenis toekomt na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraken van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4439 en 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:755.

De Afdeling begrijpt [appellante] echter zo dat zij meent dat met de bouwvergunning van 26 april 1979 het gebruik van het gebouw voor reguliere woondoeleinden is vergund en dat dat gebruik sindsdien onafgebroken is voortgezet en dat dat gebruik daarom beschermende werking toekomt op grond van het gebruiksovergangsrecht. De Afdeling is echter met de rechtbank van oordeel dat het college met de bouwvergunning van 26 april 1979 de bouw van een schildersbedrijf met enkel en alleen een dienstwoning op het perceel [locatie 2] heeft vergund. Met die bouwvergunning is niet ook vergund het planologisch strijdige gebruik van die dienstwoning voor reguliere bewoning en/of onzelfstandige kamerverhuur.

Uit de aanvraag van [bedrijf] volgt namelijk dat destijds is aangevraagd de bouw van een bedrijfsgebouw met woonhuis. Weliswaar stelt [appellante] terecht dat in de aanvraag verzocht wordt om een woonhuis en niet specifiek om een dienstwoning, maar de hierna beschreven omstandigheden maken naar het oordeel van de Afdeling dat uiteindelijk slechts een dienstwoning is aangevraagd en vergund. Uit de bij de bouwvergunning behorende bouwtekeningen volgt namelijk dat het woonhuis zou worden gerealiseerd op de verdieping van het bedrijfsgebouw van het schildersbedrijf.

Daarnaast had het perceel destijds de bestemming "Handel en nijverheid" waar op grond van artikel 5, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften van het destijds geldende bestemmingsplan "Bedrijfsterreinen Hornmeer 1976" ten hoogste één dienstwoning mocht worden gebouwd. Ingevolge artikel 1, onder i, van de planvoorschriften werd daarbij onder een dienstwoning verstaan een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein kennelijk slechts bestemd voor (het gezin van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming of het feitelijk gebruik van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.

In het document "rapport betreffende verlening bouwvergunning" dat behoort bij het besluit van 26 april 1979 staat met de hand geschreven: "Bouwplan voldoet aan bestemmingsplan "Bedrijfsterreinen Hornmeer 1976" met als dagtekening 23 april 1979. 4.5. [appellante] stelt op zichzelf terecht dat het verlenen van de bouwvergunning aan [bedrijf] impliceert dat het college ervan uitging dat de bewoning van de woning op de verdieping van het gebouw noodzakelijk was als bedoeld in artikel 1, onder i, van de destijds geldende planvoorschriften. De Afdeling volgt daarmee aan de andere kant niet het betoog van [appellante] dat het college daarmee, gezien de definitiebepaling van dienstwoning in artikel 1, onder i, heeft vergund dat de gebruiker van het perceel steeds zelf mag bepalen wat de bestemming/het feitelijk gebruik van het gebouw en/of de dienstwoning is.

Het betoog slaagt niet. 4.6. Alleen al omdat met de bouwvergunning van 26 april 1979 geen toestemming is gegeven voor het gebruik van de vergunde dienstwoning voor reguliere bewoning of onzelfstandige kamerverhuur is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het gebruik van [appellante] van de (voormalige) dienstwoning voor onzelfstandige kamerverhuur geen beschermende werking toekomt op grond van het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan "Hornmeer". De Afdeling laat de hogerberoepsgrond over het tussentijdse gebruik van de dienstwoning als kantoor daarom buiten beschouwing.

In het verlengde daarvan geldt dat eveneens voor bespreking van al hetgeen partijen hebben aangevoerd over de vraag of het gebruik sinds 1979 onafgebroken is voortgezet. Last (on)voldoende duidelijk? 5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de last in het besluit van 16 oktober 2018 concreet is en dat duidelijk is wat van [appellante] wordt verwacht. Volgens [appellante] is de last niet concreet omdat niet duidelijk is wat moet worden verstaan onder ‘dit betekent ook’. 5.1. De last in het besluit van het college van 16 oktober 2018 luidt: "U dient binnen zes maanden na de verzenddatum van dit dwangsombesluit de overtreding van artikel 2.1, lid 1, sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht juncto de artikelen 5.1.2 en 26.1 van het bestemmingsplan "Hornmeer", zoals vermeld in deze brief, te (laten) beëindigen en beëindigd te (laten) houden." De herstelmaatregelen in het besluit van 16 oktober 2018 luiden (met cursivering door de Afdeling): "door de bewoning van het gebouw op het perceel [locatie] in Aalsmeer, kadastraal bekend als gemeente Aalsmeer, sectie C, perceelnummer 4166 te (laten) beëindigen en beëindigd te (laten) houden.

Dit betekent ook dat alle roerende zaken die samenhangen met het gebruik als woonruimte uit het gebouw moeten worden verwijderd. Hieronder vallen in ieder geval zaken zoals de aanwezige bedden, matrassen, linnengoed en toiletartikelen." 5.2. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de last in het besluit van 16 oktober 2018 duidelijk is, en dat ook de herstelmaatregel over het verwijderen van roerende zaken in het gebouw concreet is, zodat duidelijk is wat van [appellante] wordt verwacht. Daarbij is van belang dat het college in de herstelmaatregel tot uitdrukking heeft gebracht welke roerende zaken in ieder geval uit het gebouw verwijderd moeten worden om aan de last te voldoen.

Het betoog slaagt niet. Overtrederschap en tot wie is de last gericht 6. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de last, voor zover die betrekking heeft op het verwijderen van roerende zaken van de bewoners van het gebouw op het perceel, niet aan haar, maar aan de bewoners had moeten opleggen. [appellante] stelt dat de in de last genoemde roerende zaken eigendom zijn van de bewoners en dat de aan haar gerichte last over de verwijdering van die zaken, indien daaraan niet binnen de begunstigingstermijn is voldaan, strekt tot het plegen van de strafbare feiten diefstal en, in het geval de bewoners niet zijn vertrokken, huisvredebreuk. [appellante] voert verder aan dat indien zij wordt vervolgd voor deze strafbare feiten zij zich zou kunnen beroepen op de rechtvaardigingsgrond dat zij feiten heeft gepleegd als gevolg van het door het college gegeven ambtelijk bevel. [appellante] stelt dat door niet te voldoen aan de last zij het belang dient van het college om gevrijwaard te blijven van strafvervolging, omdat het college als opdrachtgever verantwoordelijk is voor de gepleegde strafbare feiten.

Volgens [appellante] vergaart het college hiermee op een oneigenlijke wijze inkomsten. Tot slot voert [appellante] aan dat het college, gelet op haar belang om geen strafbare feiten te plegen bij het verwijderen van de roerende zaken van de bewoners, beter een last onder bestuursdwang aan de bewoners had kunnen opleggen. 6.1. Het college stelt dat [appellante] de kamers verhuurde als eigenaar van het perceel aan de huurders en het in haar macht had om de bewoning te (laten) beëindigen en beëindigd te houden. Verder wijst het college erop dat de last zowel aan [appellante] als aan de bewoners is opgelegd. 6.2.

Op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Awb moet onder overtreder worden verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kan een last onder dwangsom uitsluitend worden opgelegd aan de overtreder die het in zijn macht heeft de last uit te voeren, dat wil zeggen de overtreder die in staat is de last uit te voeren. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 9 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3757 en 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:834. 6.3. De Afdeling overweegt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college [appellante] als overtreder heeft mogen aanmerken.

Weliswaar is [appellante] niet degene die in strijd met het bestemmingsplan het gebouw op haar perceel bewoont, zij is wel de eigenaar van het gebouw en laat het gebouw in strijd met artikel 5.1.2 van de regels van het bestemmingsplan voor woondoeleinden gebruiken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, moet, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, onder "gebruiken van gronden" als bedoeld in deze bepaling ook worden verstaan het "laten gebruiken van gronden" (Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, blz. 94).

De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:849. [appellante] is daarom overtreder van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en daarom is de last terecht aan haar gericht. 6.4. Indien uit feiten en omstandigheden blijkt dat de verhuurder overtreder is, komt de vraag aan de orde of de verhuurder het in zijn macht heeft de overtreding te beëindigen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, vormt een contractuele verhouding van verhuurder tot zijn huurder geen beletsel om de last uit te voeren. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 8 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:471, en de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD8310.

Het ontbreken van de mogelijk voor de uitvoering van de last benodigde privaatrechtelijke toestemming komt in beginsel voor risico van de overtreder. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1724. Op het punt dat [appellante] stelt dat de last strekt tot het plegen van strafbare feiten tegen de bewoners/huurders, overweegt de Afdeling dat zij niet aannemelijk acht dat [appellante] alleen aan de last kan voldoen door het plegen van een strafbaar feit. Wat [appellante] voor het overige heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

Het betoog slaagt niet. Het hoger beroep van het college 7. Het college heeft bij zijn besluit van 16 oktober 2018 voor de hoogte van de dwangsom aansluiting gezocht bij het VTH-beleidsplan Aalsmeer 2016-2019, Vergunningverlening, Toezicht- en Handhavingsbeleid, (hierna: het VTH-beleidsplan) dat hij op 1 maart 2016 heeft vastgesteld. In het VTH-beleidsplan is een "Leidraad dwangsommen en begunstigingstermijnen" (hierna: de Leidraad) opgenomen waarin voor de overtreding "bewoning (bij)gebouwen" in strijd met het bestemmingsplan een dwangsom wordt voorgeschreven van € 30.000,00 ineens, met een begunstigingstermijn van drie maanden. 7.1. [appellante] heeft volgens de rechtbank gewezen op de notitie over integraal beleid inzake de huisvesting van tijdelijke arbeidsmigranten waarin voor planologisch strijdig gebruik een dwangsom wordt vermeld van minimaal € 1.000,00 per week dat de overtreding voortduurt voor maximaal 6 weken met een begunstigingstermijn van minimaal 4 weken.

Op de zitting bij de Afdeling heeft het college onweersproken toegelicht dat de rechtbank met "de notitie over integraal beleid inzake de huisvesting van tijdelijke arbeidsmigranten" doelt op de Kadernota ruimte voor huisvesting tijdelijke arbeidsmigranten 2013 vastgesteld door de raad van de gemeente Aalsmeer op 14 maart 2013 (hierna: de Kadernota 2013). De rechtbank heeft, onder verwijzing naar het VTH-beleidsplan en de Kadernota 2013, geoordeeld dat het college, voor eenzelfde soort overtreding (huisvesting in strijd met het omgevingsrecht) twee verschillende dwangsommen hanteert.

Dit acht de rechtbank in strijd met de zorgvuldigheid. Om die reden heeft de rechtbank het besluit op bezwaar van 27 mei 2019 en het invorderingsbesluit van 8 oktober 2019 vernietigd. 7.2. Het college kan zich niet met dit oordeel van de rechtbank verenigen. De Kadernota 2013 - die bij de vaststelling van de Kadernota huisvesting arbeidsmigranten 2018, door de raad op 13 december 2018 (hierna: de Kadernota 2018) inmiddels is ingetrokken - bevatte volgens het college een sanctiestrategie tegen illegale tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten.

Het nadien in 2016 door het college vastgestelde VTH-beleidsplan omvat daarentegen het algemene beleid van het college voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. In de Leidraad van het VTH-beleidsplan worden richtlijnen gegeven voor de individuele vaststelling van de hoogte en het maximaal te verbeuren dwangsombedrag, waaronder verschillende overtredingen die bestaan uit planologisch strijdig gebruik (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo). Het college betoogt aansluiting te hebben gezocht bij deze richtlijn, omdat de opgelegde last gaat over het (laten) staken en gestaakt (laten) houden van strijdige (reguliere) bewoning van een bedrijfsgebouw en niet op het (laten) staken en gestaakt (laten) houden van illegale huisvesting van tijdelijke arbeidsmigranten.

De omstandigheid dat het in dit geval ging op arbeidsmigranten heeft het college niet relevant geacht. Het college stelt dat het sinds de vaststelling van het VTH-beleidsplan in 2016, voor situaties als deze waarbij een gebouw in strijd met het geldende planologische regime voor reguliere woondoeleinden wordt gebruikt, structureel en consequent aansluiting heeft gezocht bij de Leidraad uit het VTH-beleidsplan. Volgens het college is dus sprake is van een bestendige gedragslijn. 7.3. De Afdeling kan op zich het betoog van het college volgen dat de Kadernota 2013 alleen betrekking had op overtredingen die gaan over illegale tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten en niet op de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo (planologisch strijdig gebruik) in algemene zin, zoals dat in het VTH-beleidsplan wel het geval is.

Maar, zoals in de Kadernota 2013 ook is toegelicht, vormt planologisch strijdig gebruik veelal een ‘bijvangst’ in handhavingsprocedures waarbij wordt opgetreden tegen illegale (tijdelijke) huisvesting van arbeidsmigranten. In de Kadernota 2013 is voor de situatie waarbij de huisvesting van arbeidsmigranten (naast bijvoorbeeld een overtreding van het Bouwbesluit 2012 vanwege de brandveiligheid tevens) planologisch strijdig gebruik oplevert dan ook een richtlijn voor de dwangsomhoogte vastgesteld van minimaal € 1.000,00 per week dat de overtreding voortduurt voor maximaal 6 weken met een begunstigingstermijn van minimaal 4 weken. 7.4.

Met de vaststelling van het VTH-beleidsplan, waarbij het college zijn algemene handhavingsbeleid volledig heeft herzien en geactualiseerd, heeft het college in de Leidraad ook richtlijnen geformuleerd voor de dwangsomhoogte bij verschillende overtredingen. In het kader van de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo (strijdig gebruik) wordt een nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen onder meer de categorieën "bewoning (bij)gebouwen", "zonder omgevingsvergunning huisvesten arbeidsmigranten in een woning", "kamergewijze verhuur" en "huisvesting in de vorm van logies".

Voor al deze overtredingen wordt in de richtlijn een dwangsomhoogte van € 30.000,00 voorgeschreven met een begunstigingstermijn variërend van 2 tot 3 maanden. 7.5. Niet in geschil is dat ten tijde van het besluit van het college van 16 oktober 2018 de Kadernota 2013 nog gold, omdat deze nog niet was ingetrokken. Met het college is de Afdeling echter van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat met de richtlijn uit de Kadernota 2013 en de richtlijn uit de Leidraad in het VTH-beleidsplan twee verschillende dwangsommen voor eenzelfde overtreding worden gehanteerd.

Wel stelt de Afdeling vast dat in het geval dat een gebouw in strijd met het geldende bestemmingsplan door arbeidsmigranten voor woondoeleinden wordt gebruikt, er twee verschillende richtlijnen golden ten tijde van het besluit van 16 oktober 2018. Immers, de richtlijn voor de dwangsomhoogte in de Kadernota 2013 schreef alleen een minimumbedrag voor van € 1.000,00 per week (met een maximum van zes weken). Terwijl de Leidraad indicatief een bedrag van € 30.000,00 voorschrijft. De Afdeling ziet zich dan ook gesteld voor de vraag of het college in deze omstandigheid en naar aanleiding van het bezwaar van [appellante] aanleiding had moeten zien om bij besluit van 27 mei 2019 een lager dwangsombedrag dan € 30.0000,00 ineens vast te stellen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college deugdelijk gemotiveerd dat het hier van af heeft kunnen zien, omdat het college aannemelijk heeft gemaakt dat hij sinds de vaststelling van het VTH-beleidsplan op 1 maart 2016 waarbij hij zijn handhavingsbeleid integraal heeft herzien en geactualiseerd consequent de daarin opgenomen Leidraad heeft toegepast bij handhavend optreden. De Afdeling ziet een bevestiging van deze stelling in de handhavingszaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling waar het college naar heeft verwezen, te weten de uitspraken van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3021, en 18 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:79.

Daarnaast was de Kadernota 2013, die overigens door de raad en niet door het college is vastgesteld, ten tijde van het besluit van het college van 27 mei 2019 inmiddels al ingetrokken en staat in de Kadernota 2018 nadrukkelijk dat toezicht en handhaving in het kader van huisvesting van arbeidsmigranten wordt uitgevoerd op basis van het VTH-beleidsplan. Het betoog van het college slaagt. Conclusie over de hoger beroepen 8. Gelet op hetgeen onder 4 tot en met 6.4 is overwogen is het hoger beroep van [appellante] ongegrond.

9. Gelet op hetgeen onder 7 tot en met 7.5 is overwogen is het hoger beroep van het college gegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante] tegen het besluit van 27 mei 2019 en het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 8 oktober 2019 alsnog ongegrond verklaren. Dat betekent dat het dwangsombesluit van het college van 27 mei 2019 en het invorderingsbesluit van het college van 8 oktober 2018 herleven. Het besluit van 23 februari 2021 10.

Bij besluit van 23 februari 2021 heeft het college, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, een nieuw dwangsombesluit op bezwaar en een nieuw invorderingsbesluit genomen. [appellante] heeft beroep ingesteld tegen dat besluit. Omdat dit besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, is door de vernietiging van die uitspraak de grondslag aan dat besluit komen te vervallen, zodat het alleen al daarom moet worden vernietigd. Proceskosten 11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellante] ongegrond; II. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer gegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2021 in zaak nr. 19/3174; IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [appellante] ongegrond; V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer van 23 februari 2021, zaaknummer Z19-035554. Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr.

M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Stoof, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2022 749-970 BIJLAGE - wettelijk kader Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: […] c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, […] Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:106 Het bestuursorgaan kan de verjaring ook stuiten door een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112, een beschikking tot verrekening of een dwangbevel dan wel door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel.

Artikel 4:112 1. Het bestuursorgaan maant de schuldenaar die in verzuim is schriftelijk aan tot betaling binnen twee weken, gerekend vanaf de dag waarop de aanmaning is verzonden.

2. Bij wettelijk voorschrift kan een andere termijn worden vastgesteld.

3. De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen. Artikel 5:35 - zoals deze luidde tot 1 april 2021 In afwijking van artikel 4:104, eerste lid, verjaart de rechtsvordering tot betaling van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd. De planregels van het bestemmingsplan "Hornmeer" Artikel 5.1.1 Algemeen De voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijventerreinen ten behoeve van de bedrijfsuitvoering.

Artikel 5.1.2 Toegestaan gebruik Onder de hiervoor genoemde bestemming is toegestaan: a. bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van de in sub b t/m o genoemde functies; b. de bedrijfsuitoefening overeenkomstig de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2 van soorten bedrijfsactiviteiten, zoals vermeld in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, met inbegrip van bijbehorende kantines en met uitzondering van het bedrijfsmatig aanbieden van langparkeren; c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 4' tevens voor de bedrijfsuitoefening overeenkomstig de categorieën 4.1 en 4.2 van soorten bedrijfsactiviteiten, zoals vermeld in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten; d. ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg' tevens voor een verkooppunt van motorbrandstoffen (inclusief lpg) en een lpg-reservoir; e. ter plaatse van de aanduiding 'horeca' tevens voor dagzaken en cafetaria; f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - horeca' tevens voor horeca; g. ter plaatse van de aanduiding 'kantoren' tevens voor zelfstandige kantoren; h. ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' tevens voor maatschappelijke dienstverlening; i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - volumineuze detailhandel' tevens voor volumineuze detailhandel; j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - bouwmarkt' tevens voor bouwmarkt; k. ter plaatse van de aanduiding 'tuincentrum' tevens voor tuincentrum; l. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kamerverhuurbedrijf' tevens voor een kamerverhuurbedrijf; m. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' tevens voor bedrijfswoningen; n. het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep of -bedrijf in samenhang met het wonen, met inachtneming van het bepaalde in 26.3; o. ter plaatse van de aanduiding 'opslag' uitsluitend ten behoeve van bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken voor bedrijfsmatige opslag; p. voorzieningen ten behoeve van de bedrijfsuitoefening, zoals rijwegen, paden, in- en uitritten, verblijfsgebieden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, oevervoorzieningen, water en andere op een bedrijventerrein voorkomende functies.

Artikel 26.1 Algemeen gebruiksverbod Het is verboden de in Hoofdstuk 2 bedoelde gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangeduid in de bestemmingsomschrijving. Artikel 31.4 Overgangsrecht gebruik Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Artikel 31.5 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 31.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

Artikel 31.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik Lid 31.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.