Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:1121 ECLI:NL:RVS:2022:1121 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:1121 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:1121
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202105626/2/V2. Datum uitspraak: 19 april 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4] en [vreemdeling 5] verzoekers, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 30 juli 2021 in zaak nr. 20/28 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2022:1121 · Raad van State: 202105626/2/V2. Datum uitspraak: 19 april 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4] en [vreemdeling 5] verzoekers, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 30 juli 2021 in zaak nr. 20/28 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202105626/2/V2. Datum uitspraak: 19 april 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4] en [vreemdeling 5] verzoekers, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 30 juli 2021 in zaak nr. 20/28 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop Bij besluit van 14 mei 2019 heeft de staatssecretaris ambtshalve geweigerd de vreemdelingen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluit van 24 december 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 juli 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen 1. De vreemdelingen hebben de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen.

2. Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.

3. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdelingen niet worden uitgezet, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist; II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Renting, griffier. w.g. Meijer voorzieningenrechter w.g. Renting griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2022 802-968