Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:1052 ECLI:NL:RVS:2022:1052 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:1052 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:1052
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202002503/1/V2. Datum uitspraak: 13 april 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 1 april 2020 in zaak nr. 19/4693 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 29 maart 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 64 van de Vw 2000; ECLI:NL:RVS:2022:1052 · Raad van State: Als zich de situatie voordoet dat een besluit door de rechtbank wordt vernietigd en dat leidt tot herhaalde besluitvorming op bezwaar, dient de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan de staatssecretaris te worden toegerekend en is dat slechts anders als de rechtbank de redelijke behandelingsduur voor een beroep heeft overschreden (zie naar analogie de uitspraak van 30 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1467, onder 2.2.4). 3.4. De behandeling van het bezwaar heeft vanaf de ontvangst op 30 maart 2016 tot en met het nemen van het besluit op 17 juni 2019 drie jaar, twee maanden en tweeënhalve week geduurd.

Keywords

AI generated
artikel 64 van de Vw 2000

Cited Legislation

AI generated
artikel 64 van de Vw 2000
Procesverloop Bij besluit van 29 maart 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2021:2799
202005912/1/V3. Datum uitspraak: 14 december 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 8 oktober 2020 in zaak nr. 19/7345 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 15 augustus 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2014:188
201302106/1/A2. Datum uitspraak: 29 januari 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch (lees: de rechtbank Oost-Brabant) van 1 februari 2013 in zaak nr. 12/14453 in het geding tussen: [appellanten] en de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij uitspraak van 1 februari 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant verzoeken van [appellanten] om vergoeding van schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2016:2562
201506663/1/A2. Datum uitspraak: 28 september 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: [appellant A], [appellant B] en [appellant C], allen wonend te Leiderdorp, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2015 in zaken nrs. 14/7394, 14/7395, 14/7396, 14/7397, 14/7432, 14/7434 en 14/7436 in de gedingen tussen: [appellanten] en anderen en het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp. Procesverloop Bij besluit van 3 juni 2010 heeft het college afzonderlijke verzoeken van [appellanten] en anderen om nadeelcompensatie afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2012:BW1467
Procesverloop Bij besluit van 21 december 2010 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202002503/1/V2. Datum uitspraak: 13 april 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 1 april 2020 in zaak nr. 19/4693 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 29 maart 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 17 juni 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 april 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. De vreemdeling heeft een verzoek om schadevergoeding ingediend vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Overwegingen 1. In de uitspraak van 14 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2799, onder 7.3, heeft de Afdeling overwogen dat de staatssecretaris bij zijn beoordeling over wat een vreemdeling heeft aangevoerd over de feitelijke toegankelijkheid van een noodzakelijke medische behandeling, uitdrukkelijke betekenis moet toekennen aan de omstandigheid dat hij van de identiteit en nationaliteit van die vreemdeling in een eerdere asielprocedure is uitgegaan.

Hij kan dan in de artikel 64-procedure niet aan die vreemdeling tegenwerpen dat hij geen originele documenten ter staving van zijn identiteit en nationaliteit heeft overgelegd, zonder dat concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan die identiteit en nationaliteit.

2. De Afdeling heeft de in de grieven opgeworpen rechtsvraag over de beoordeling van de feitelijke toegankelijkheid van een noodzakelijke medische behandeling beantwoord in de onder 1. vermelde uitspraak. Uit deze uitspraak volgt dat de grief slaagt. De redelijke termijn is door de staatssecretaris overschreden 3. De vreemdeling heeft verzocht om schadevergoeding toe te kennen vanwege overschrijding van de redelijke termijn. 3.1. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, onder 4.3.). 3.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2562, onder 7.2.) vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren (zie hiervoor ook de hiervoor genoemde uitspraak van 29 januari 2014, onder 4.3). 3.3. Als bij de Afdeling een beroep op schending van de redelijke termijn wordt gedaan, wordt de vraag of de redelijke termijn is overschreden beoordeeld naar de stand van de zaak op het moment van de uitspraak van de Afdeling, waarbij de duur van de totale procedure in ogenschouw wordt genomen.

Als zich de situatie voordoet dat een besluit door de rechtbank wordt vernietigd en dat leidt tot herhaalde besluitvorming op bezwaar, dient de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan de staatssecretaris te worden toegerekend en is dat slechts anders als de rechtbank de redelijke behandelingsduur voor een beroep heeft overschreden (zie naar analogie de uitspraak van 30 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1467, onder 2.2.4). 3.4. De behandeling van het bezwaar heeft vanaf de ontvangst op 30 maart 2016 tot en met het nemen van het besluit op 17 juni 2019 drie jaar, twee maanden en tweeënhalve week geduurd.

In die periode heeft de rechtbank tweemaal een besluit op bezwaar vernietigd. Daarmee heeft de staatssecretaris de termijn voor het behandelen van het bezwaar met twee jaar, acht maanden en tweeënhalve week overschreden. 3.5. De rechtbank heeft het door de vreemdeling ingestelde beroep op 17 juni 2019 ontvangen en op 1 april 2020 uitspraak gedaan. Daarmee heeft de rechtbank de termijn voor het behandelen van het beroep niet overschreden. De Afdeling heeft het door de vreemdeling ingestelde hoger beroep op 20 april 2020 ontvangen en doet vandaag uitspraak.

Daarmee heeft de Afdeling de termijn voor het behandelen van het hoger beroep niet overschreden. 3.6. Omdat de rechtbank tweemaal een besluit op bezwaar heeft vernietigd, dat heeft geleid tot herhaalde besluitvorming op bezwaar en de rechtbank de redelijke behandelingsduur voor een beroep niet heeft overschreden, wordt de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan de staatssecretaris toegerekend. 3.7. De Afdeling veroordeelt de staatssecretaris wegens overschrijding van de redelijke termijn tot betaling van een bedrag van € 3.000,- aan de vreemdeling als vergoeding van de door hem geleden immateriële schade.

Daarbij wordt uitgegaan van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Conclusie 4. Het hoger beroep is alleen al daarom gegrond. Wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 17 juni 2019 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet een nieuw besluit op bezwaar nemen. De staatssecretaris moet € 3.000,- aan schadevergoeding aan de vreemdeling betalen.

Verder moet de staatssecretaris de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 1 april 2020 in zaak nr. 19/4693; III. vernietigt het besluit van 17 juni 2019, V-nummer […]; IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om aan de vreemdeling een schadevergoeding van € 3.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 441,00 voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr.

M. van Wezep, griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. w.g. Van Wezep griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2022 844