Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2021:485 ECLI:NL:RVS:2021:485 AI generated

ECLI:NL:RVS:2021:485 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2021:485
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202004368/1/A2. Datum uitspraak: 10 maart 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2020 in zaak nr. 19/686 in het geding tussen: [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 10 augustus 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorg- en huurtoeslag over 2017 voor [appellant] definitief berekend en op nihil vastgesteld en de teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2021:485 · Raad van State: Hij wijst in dit verband op de tussen zijn ex-echtgenote en de Belastingdienst/Toeslagen gewezen uitspraak van de Afdeling van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2741. Beoordeling 4. Uit artikel 1, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag en artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag volgt dat het recht op en de hoogte van de zorg- en huurtoeslag afhankelijk is van de (op het inkomen en het vermogen gebaseerde) draagkracht. Zoals de Afdeling heeft overwogen (in onder meer de uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2016:3498), dient de Belastingdienst/Toeslagen bij de bepaling van de draagkracht uit te gaan van het inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Keywords

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
Datum uitspraak: 10 maart 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2020 in zaak nr.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:2741
201702185/1/A2. Datum uitspraak: 11 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2017 in zaak nr. 16/7348 in het geding tussen: [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 9 september 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag over 2015 voor [appellante] definitief berekend en vastgesteld op € 55,00 en € 1.677,00 aan teveel uitgekeerde voorschotten van haar teruggevorderd.
ECLI:NL:RVS:2016:3498
201602292/1/R2. Datum uitspraak: 28 december 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend te [woonplaats], appellante, en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 2 februari 2016 heeft het college het beheerplan voor het Natura 2000-gebied het Wooldse Veen vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellante] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2016, waar [appellante], en het college, vertegenwoordigd door W.F.M. Steijns en mr. M.M.H.J. Vroemen, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Overwegingen 1. Het vastgestelde beheerplan "Wooldse Veen" heeft betrekking op het gelijknamige Natura 2000-gebied. 1.1. Het gebied is onder meer aangewezen voor de habitattypen "actief hoogveen" (H7110), "herstellende hoogvenen"(H7120) en "veenbossen" (H91D0).
ECLI:NL:RVS:2019:1048
201807074/1/A2. Datum uitspraak: 3 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2018 in zaak nr. 17/5342 in het geding tussen: [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 31 maart 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag, de huurtoeslag en het kindgebonden budget van [appellante] over 2014 herzien en vastgesteld op nihil. Bij besluit van 14 augustus 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202004368/1/A2. Datum uitspraak: 10 maart 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2020 in zaak nr. 19/686 in het geding tussen: [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 10 augustus 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorg- en huurtoeslag over 2017 voor [appellant] definitief berekend en op nihil vastgesteld en de teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 3 december 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 juli 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 13 november 2017 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en zijn beroep tegen het besluit van 3 december 2018 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen Wettelijk kader 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Inleiding 2. [appellant] heeft van de Belastingdienst/Toeslagen voorschotten zorg- en huurtoeslag over 2017 ontvangen. Bij het besluit van 10 augustus 2018, gehandhaafd bij het besluit van 3 december 2018, heeft de dienst de zorg- en huurtoeslag over 2017 voor [appellant] definitief berekend en vastgesteld op nihil, omdat het toetsingsinkomen van [appellant] van € 34.438,00 hoger is dan de inkomensgrenzen voor zorg- en huurtoeslag in 2017.

Hierdoor moet hij in totaal € 5.305,00 terugbetalen. De rechtbank heeft dit standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen gevolgd en het door [appellant] tegen het besluit van 3 december 2018 ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellant] is het daar niet mee eens en vecht (uitsluitend) dit oordeel in hoger beroep aan. Hoger beroep 3. [appellant] betoogt, kort samengevat, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen er ten onrechte vanuit is gegaan dat zijn toetsingsinkomen over 2017 € 34.438,00 bedroeg. Volgens [appellant] is bij de vaststelling van zijn toetsingsinkomen over dat jaar ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat zijn pensioen uitbetaald wordt aan [stichting], dat hij een (geld)vordering heeft op het [ingenieursbureau] en dat zijn ex-echtgenote aan de Belastingdienst/Toeslagen een te groot bedrag heeft terugbetaald.

Hij wijst in dit verband op de tussen zijn ex-echtgenote en de Belastingdienst/Toeslagen gewezen uitspraak van de Afdeling van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2741. Beoordeling 4. Uit artikel 1, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag en artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag volgt dat het recht op en de hoogte van de zorg- en huurtoeslag afhankelijk is van de (op het inkomen en het vermogen gebaseerde) draagkracht. Zoals de Afdeling heeft overwogen (in onder meer de uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2016:3498), dient de Belastingdienst/Toeslagen bij de bepaling van de draagkracht uit te gaan van het inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, in verbinding gelezen met artikel 8, eerste lid, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, is de Belastingdienst/Toeslagen bij de vaststelling van de zorg- en huurtoeslag over 2017 daarom terecht uitgegaan van het in de basisregistratie inkomensgegevens (hierna: de BRI) opgenomen toetsingsinkomen van [appellant]. Met de fiscale loongegevens van [appellant] over 2017 en de melding die de Belastingdienst/Toeslagen ontvangen heeft over het in de BRI opgenomen toetsingsinkomen van [appellant], is voldoende vast komen te staan dat zijn in de BRI opgenomen toetsingsinkomen over 2017 € 34.438,00 bedroeg.

Omdat dit toetsingsinkomen hoger is dan de inkomensgrenzen voor zorg- en huurtoeslag in 2017, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen die toeslagen over dat jaar terecht op nihil heeft vastgesteld. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] aldus dat hij het niet eens is met zijn door de inspecteur van de Belastingdienst vastgestelde toetsingsinkomen over 2017. Dit betoog kan evenwel niet leiden tot het door [appellant] gewenste resultaat. Indien hij het niet eens is met de door de inspecteur van de Belastingdienst vastgestelde inkomensgegevens, dan dient hij zich tot die inspecteur te wenden (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1048).

Het betoog faalt. Conclusie 5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Meyer-de Beer, griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2021 854. BIJLAGE Wettelijk kader Wet op de zorgtoeslag Artikel 1 "[…] 2. De hoogte van de zorgtoeslag is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen." Wet op de huurtoeslag Artikel 1a "1.

Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing. […]." Artikel 7 "1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners. […]." Artikel 14 "1. Het norminkomen bedraagt: a. € 22.200 bij een eenpersoonshuishouden; […] 3. Geen huurtoeslag wordt toegekend als het rekeninkomen meer bedraagt dan: a. het norminkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, of […]." Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Artikel 2.

Definities "1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder: […] o. inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; […]." Artikel 7. Draagkracht "1. Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen. […]." Artikel 8. Toetsingsinkomen "1. Toetsingsinkomen is: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven. […]." Algemene wet inzake rijksbelastingen Artikel 21 "In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […] e. inkomensgegeven: 1˚. indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen; 2˚. indien over een kalenderjaar geen aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde belastbare loon; […]."