Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2021:287 ECLI:NL:RVS:2021:287 AI generated

ECLI:NL:RVS:2021:287 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2021:287
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202004596/1/V2. Datum uitspraak: 11 februari 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 24 juli 2020 in zaak nr. NL20.4978 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 31 januari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2021:287 · Raad van State: 202004596/1/V2. Datum uitspraak: 11 februari 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 24 juli 2020 in zaak nr. NL20.4978 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 31 januari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:2073
201604484/3/V2. Datum uitspraak: 3 juli 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 15 februari 2016 en haar uitspraak van 18 mei 2016, beide in zaak nr. 14/26371, in het geding tussen: [vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij verwijzingsuitspraak van 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2669 (hierna: de verwijzingsuitspraak), heeft de Afdeling het Hof van Justitie verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de gestelde vragen over de uitleg van de Procedurerichtlijn (PB 2013 L 180).
ECLI:NL:RVS:2020:892
de uitspraken van de Afdeling van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2073, onder 8.2, 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:892, onder 4.1 en 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1094, onder 2.1).
ECLI:NL:RVS:2020:1094
201909171/1/V2. Datum uitspraak: 22 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 december 2019 in zaak nr. NL19.25289 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 15 oktober 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202004596/1/V2. Datum uitspraak: 11 februari 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 24 juli 2020 in zaak nr. NL20.4978 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 31 januari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

Bij uitspraak van 24 juli 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. Hoewel de staatssecretaris in zijn grief terecht betoogt dat hij de meerderjarigheid van de vreemdeling in het nieuwe besluit mocht meewegen als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, strekt dit niet zover dat de staatssecretaris nu kan volstaan met de enkele motivering dat de vreemdeling alleen al door het bereiken van de meerderjarige leeftijd, bij terugkeer naar Gambia geen problemen meer heeft te verwachten.

De staatssecretaris moet met inachtneming van de geldende regelgeving onderzoeken en beoordelen of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade (vgl. de uitspraken van de Afdeling van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2073, onder 8.2, 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:892, onder 4.1 en 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1094, onder 2.1). Dat heeft hij in dit geval niet gedaan. De rechtbank heeft daarom terecht geen aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het besluit van 31 januari 2020 in stand te laten.

De grief faalt.

2. Het hoger beroep is ongegrond. Wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 534,00 (zegge: vijfhonderdvierendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. w.g. Tibold griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2021 572-915.