Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2020:796 ECLI:NL:RVS:2020:796 AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:796 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2020:796
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201904279/1/A1. Datum uitspraak: 18 maart 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 7 december 2018 heeft het college zijn beslissing om op 27 november 2018 spoedeisende bestuursdwang toe te passen, wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Schiedam en het Uitvoeringsbesluit afvalstoffenverordening 2013 aanbieden van huishoudelijk afval, op schrift gesteld. Bij besluit van 20 mei 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 5:25 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2020:796 · Raad van State: Hij stelt dat het aan het college te wijten is dat de afvalzak naast de inzamelvoorziening is aangetroffen, omdat de inzamelvoorzieningen te weinig worden geleegd en daardoor regelmatig overvol zitten, waardoor hij geen gebruik kan maken van de containers. Dit terwijl hij als ondernemer € 500, - meer reinigingsrechten betaalt dan een burger. 4.1. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. 4.2.

Keywords

AI generated
artikel 5:25 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 5:25 van de Awb
In artikel 5:25 van de Awb is neergelegd dat bestuursdwang en kostenverhaal als regel samengaan.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:2561
Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld.
ECLI:NL:RVS:2018:1273
201706154/1/A1. Datum uitspraak: 18 april 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend te Den Haag, en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 12 april 2017 heeft het college zijn beslissing om op 10 april 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte (€ 126,00) van de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van [appellante] komt.
ECLI:NL:RVS:2016:103
201504093/1/A4. Datum uitspraak: 20 januari 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend te Den Haag, en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 29 december 2014 heeft het college zijn beslissing om op 18 december 2014 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.
ECLI:NL:RVS:2015:2036
201408224/1/A4. Datum uitspraak: 1 juli 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend te Rotterdam, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 20 juni 2014 heeft het college zijn beslissing om op 15 juni 2014 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het door [appellante] in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (in totaal € 115,00) voor rekening van [appellante] komen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201904279/1/A1. Datum uitspraak: 18 maart 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 7 december 2018 heeft het college zijn beslissing om op 27 november 2018 spoedeisende bestuursdwang toe te passen, wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Schiedam en het Uitvoeringsbesluit afvalstoffenverordening 2013 aanbieden van huishoudelijk afval, op schrift gesteld. Bij besluit van 20 mei 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2020, waar [appellant] niet is verschenen. Ter zitting is het college, vertegenwoordigd door P. Meuldijk, wel verschenen. Overwegingen 1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het op 27 november 2018 verwijderen van een in strijd met artikel 11, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening aangeboden vuilniszak bij een inzamelvoorziening bij nummer 262 van het appartementencomplex aan de Rotterdamsedijk te Schiedam (hierna: de inzamelvoorziening).

In deze afvalzak is een poststuk aangetroffen met daarop de naam en adresgegevens van [appellant]. Bij besluit van 7 december 2018 heeft het college, op basis van het aangetroffen poststuk, [appellant] aangemerkt als de overtreder ten laste van wie de kosten van de toegepaste bestuursdwang kan worden gebracht. 2. [appellant] betoogt dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt, omdat hij de afvalzak niet zelf naast de inzamelvoorziening heeft geplaatst. Hij stelt dat hij de afvalzak in de klep van de inzamelvoorziening heeft geplaatst. 2.1.

Artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt." Artikel 11, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening luidt: "Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid, een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot." 2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2561, mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt.

Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1273, is de overtreder in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en daarom als overtreder worden aangemerkt.

3. Niet in geschil is dat de op 27 november 2018 aangetroffen afvalzak in strijd met de Afvalstoffenverordening en het Uitvoeringsbesluit naast een inzamelvoorziening is aangetroffen en dat deze afvalzak tot [appellant] herleidbaar is. Dit betekent dat het college er zonder nader onderzoek vanuit mocht gaan dat [appellant] de overtreder is, tenzij [appellant] aannemelijk maakt dat hij niet degene is die de afvalzak op onjuiste wijze heeft aangeboden. De enkele stelling van [appellant] dat hij niet de overtreder is, omdat hij de afvalzak in de klep van de container heeft geplaatst en niet weet wat er daarna met de afvalzak is gebeurd, kan hem niet baten.

Het gebruik maken van een volle container, met de kans dat een derde de afvalzak er uithaalt, komt voor rekening en risico van [appellant] (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:103). Dit betekent dat aan [appellant] kan worden toegerekend dat de afvalzak op onjuiste wijze is aangeboden. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] is aan te merken als overtreder ten laste van wie de kosten van de toegepaste bestuursdwang kan worden gebracht. Het betoog faalt. 4. [appellant] betoogt voorts dat de kosten van de toepassing van de spoedeisende bestuursdwang niet voor zijn rekening dienen te komen.

Hij stelt dat het aan het college te wijten is dat de afvalzak naast de inzamelvoorziening is aangetroffen, omdat de inzamelvoorzieningen te weinig worden geleegd en daardoor regelmatig overvol zitten, waardoor hij geen gebruik kan maken van de containers. Dit terwijl hij als ondernemer € 500, - meer reinigingsrechten betaalt dan een burger. 4.1. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. 4.2.

In artikel 5:25 van de Awb is neergelegd dat bestuursdwang en kostenverhaal als regel samengaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zoals in de uitspraak van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2036, kan voor het maken van een uitzondering blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling onder meer aanleiding bestaan indien de aangeschrevene van de ontstane situatie geen verwijt kan worden gemaakt en bij het ongedaan maken van de met het recht strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat de kosten redelijkerwijs niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene behoren te komen.

Ook andere bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal. 4.3. In dit geval doen zich geen bijzondere omstandigheden voor die het college had moeten nopen tot het afzien van kostenverhaal. [appellant] had gebruik kunnen maken van containers die in de buurt van de op dat moment volle inzamelvoorziening staan dan wel het afval op een later moment kunnen aanbieden. Het betoog faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, griffier. w.g. Wortmann w.g. Van Dorst lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2020 414-357-947.