Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2020:755 ECLI:NL:RVS:2020:755 AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:755 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2020:755
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201801850/5/R2. Datum uitspraak: 18 maart 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te Deurne, 2. [appellant sub 2], wonend te Deurne, 3. [appellant sub 3], wonend te Deurne, 4. [appellant sub 4], wonend te Deurne, 5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Deurne (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]), 6. [appellant sub 6], wonend te Deurne, 7. [appellant sub 7], wonend te Deurne, 8. [appellant sub 8], wonend te Deurne, 9. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], beiden wonend te Deurne (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 9]), en de raad van de gemeente Deurne, verweerder.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:755 · Raad van State: Artikel 34, lid 34.3, van de planregels luidt: "a. Het gebruik als woning ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone - woning met persoonsgebonden overgangsrecht" mag worden voortgezet en wel uitsluitend door de persoon/personen die op het moment van het van kracht worden van deze regels volgens de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Deurne als hoofdbewoner en diens partner staan ingeschreven op het betreffende adres. Eventuele inwonende gezinsleden mogen in de woning wonen zolang ze inwonen bij degene, die als hoofdbewoner dan wel als diens partner volgens de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Deurne op het betreffende adres staan ingeschreven op het moment van het van kracht worden van deze voorschriften. b.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:526
201503746/1/A2. Datum uitspraak: 2 maart 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Deurne, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2015 in zaak nr. 14/3679 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Deurne. Procesverloop Bij besluit van 28 juli 2014 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen. [appellant] heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft daarbij het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
ECLI:NL:RVS:2017:246
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, 2.
ECLI:NL:RVS:2016:529
201503749/1/A2. Datum uitspraak: 2 maart 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Deurne, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2015 in zaak nr. 14/3681 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Deurne. Procesverloop Bij besluit van 28 juli 2014 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen. [appellant] heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft daarbij het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
ECLI:NL:RVS:2010:BL9607
Procesverloop Bij besluit van 8 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Deurne bij besluit van 11 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied". Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellanten sub 2] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]), [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 9]), [appellant sub 10], [appellant sub 11] en anderen, [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], [appellant sub 13A] en [appellant sub 13B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 13]), [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17A] en [appellant sub 17B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 17]), [appellant sub 18], [appellante sub 19] en anderen, [appellant sub 20A] en [appellant sub 20B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 20]), [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellant sub 24], [appellant sub 25], [appellante sub 26], het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college van burgemeester en wethouders), de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Motorclub De Bosrakkers (hierna:
ECLI:NL:RVS:2014:726
201302029/1/R1. Datum uitspraak: 5 maart 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellante sub 1], gevestigd te Ambt Delden, gemeente Hof van Twente, 2. [appellant sub 2], wonend te Hengevelde, gemeente Hof van Twente, 3. [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B], wonend te Diepenheim, gemeente Hof van Twente, 4. [appellant sub 4] A] en [appellant sub 4] B], wonend te Goor, gemeente Hof van Twente, 5. [appellante sub 5 A] en [appellant sub 5 B], wonend te Hengevelde, gemeente Hof van Twente, 6. [appellante sub 6] en anderen, wonend te Ambt Delden, gemeente Hof van Twente, 7. de vereniging Vereniging Stedelijk Leefmilieu Groen- en Milieubeheer en anderen (hierna: de Vereniging en anderen), gevestigd te Nijmegen, 8. [appellant sub 8] en anderen, wonend te Diepenheim, gemeente Hof van Twente, 9. [appellante sub 9 A], gevestigd te Ambt Delden, gemeente Hof van Twente, en [appellant sub 9 B], 10. [appellant sub 10], wonend te Markelo, gemeente Hof van Twente, 11. [appellant sub 11] en anderen, wonend te Markelo, gemeente Hof van Twente, 12. [appellant sub 12] en anderen, wonend te Markelo, gemeente Hof van Twente, 13. [appellant sub 13 A] en [appellant sub 13 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 13]), beiden wonend te Ambt Delden, gemeente Hof van Twente, 14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BM Vastgoed B.V., gevestigd te Otterlo, gemeente Ede, en anderen, 15. [appellant sub 15], wonend te Diepenheim, gemeente Hof van Twente, 16. [appellant sub 16], wonend te Bentelo, gemeente Hof van Twente, 17. [appellant sub 17], gevestigd te Bentelo, gemeente Hof van Twente, 18.
ECLI:NL:RVS:2019:4439
201806108/1/A1. Datum uitspraak: 24 december 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend te Den Haag, 2. De Haagsche Brood Winkels B.V. en De Haagsche Bakkerij B.V., beide gevestigd te Den Haag en gezamenlijk handelend onder de naam [bakkerij] (hierna samen en in enkelvoud: [bakkerij]), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juni 2018 in zaak nr. 17/3994 in het geding tussen: [appellant sub 1] en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Procesverloop Bij besluit van 30 september 2016 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de panden aan de [locatie A] te Den Haag als brood- en banketbakkerij afgewezen. Bij besluit van 27 februari 2017 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 30 september 2016 herroepen en [bakkerij] onder aanzegging van een dwangsom gelast om de met het bestemmingsplan strijdige activiteiten bestaande uit het (af)bakken van brood en banket te staken. Bij besluit van 21 april 2017 heeft het college het besluit van 27 februari 2017 ingetrokken en het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 alsnog ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 21 april 2017 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld. [bakkerij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft een zienswijze en nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2019, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. M.C. Veltkamp-van Paassen, advocaat te Den Haag, [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Amerongen, zijn verschenen. Voorts is [bakkerij], vertegenwoordigd door mr. D. Korsse, advocaat te Den Haag, [gemachtigden], verschenen. De Afdeling heeft aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en heeft partijen om nadere inlichtingen gevraagd. [appellant sub 1], [bakkerij] en het college hebben een schriftelijke reactie gegeven. [appellant sub 1] en [bakkerij] hebben daarna gereageerd op de stukken van de andere partijen. Partijen hebben ingestemd met het achterwege laten van het houden van een nadere zitting. Daarop heeft de Afdeling het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding 1. [bakkerij] exploiteert een brood- en banketbakkerij en een bakkerswinkel aan de [locatie A] in Den Haag. [appellant sub 1] woont aan de [locatie B] en heeft het college op 28 juni 2016 verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van de panden als bakkerij, omdat hij daarvan nadelige gevolgen ondervindt en dit gebruik volgens hem in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingplan. Het handhavingsverzoek heeft geen betrekking op de bakkerswinkel. Het college heeft zich bij het besluit van 30 september 2016 op het standpunt gesteld dat het onbevoegd is om handhavend op te treden, omdat een overtreding zich volgens hem niet heeft voorgedaan. Het gebruik als bakkerij is toegestaan ingevolge de in het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" opgenomen gebruiksovergangsbepaling, aldus het college. Na dit besluit is, op 29 december 2016, het bestemmingsplan "Vogelwijk" in werking getreden. Vast staat dat gebruik als bakkerij van de panden [locatie A] in strijd is met de bestemming "Gemengd" die aan de gronden in dit bestemmingsplan is toegekend. Het college heeft bij besluit op bezwaar van 27 februari 2017 het besluit van 30 september 2016 herroepen en heeft een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat [bakkerij] de met het bestemmingsplan "Vogelwijk" strijdige productieactiviteiten moet beëindigen. [bakkerij] heeft hiertegen beroep bij de rechtbank ingesteld. Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het college bij het besluit van 21 april 2017 het besluit van 27 februari 2017 ingetrokken en het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 alsnog ongegrond verklaard, omdat is gebleken dat voor de bakkerij in het verleden bouwvergunningen zijn verleend, zodat het gebruik als bakkerij is vergund en het bestaande gebruik onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Vogelwijk" valt. [bakkerij] heeft hierop het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 27 februari 2017 ingetrokken. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik als bakkerij wordt beschermd door het overgangsrecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat het huidige gebruik van de panden aan de [locatie A] reeds ten tijde van de peildatum van 16 januari 1997 plaatsvond. Volgens de rechtbank kan niet worden gezegd dat dit gebruik niet onafgebroken is voortgezet of dat dit is vergroot ten opzichte van het gebruik op de peildatum. Relevante wettelijke bepalingen 2. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. Het hoger beroep van [appellant sub 1] 3. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [bakkerij] geen beroep kan doen op de beschermende werking van het overgangsrecht. [appellant sub 1] voert aan dat het gebruik als bakkerij sinds 16 januari 1997 niet steeds ongewijzigd is voortgezet. Het gebruik als bakkerij is in de periode tussen 2001 en 2015 onderbroken geweest, in ieder geval wat het pand [locatie A-1] betreft, zo stelt hij. Hij wijst erop dat in die periode aan de Badhuisstraat een centrale bakkerij voor de broodproductie werd geëxploiteerd. Het pand [locatie A-1] zou verder nagenoeg gedurende heel het jaar 2015 zijn gebruikt voor horeca. Ook is het gebruik door een faillissement eind 2015 tijdelijk gestaakt, zo stelt hij. De rechtbank heeft volgens [appellant sub 1] ook miskend dat het gebruik in de loop der jaren is geïntensiveerd, waardoor de afwijking van het geldende bestemmingsplan is vergroot. De rechtbank heeft volgens [appellant sub 1] miskend dat de omvang van het gebruik aanzienlijk is toegenomen. Door de intensivering van het gebruik van de panden zijn de (vrachtwagen)verkeers- bewegingen van en naar de bakkerij toegenomen en wordt er meer geladen en gelost en is de geluid- en geurhinder voor omwonenden aanzienlijk toegenomen, aldus [appellant sub 1]. Met name na de doorstart na het faillissement wordt door omwonenden aanzienlijk meer overlast van de bakkerij ondervonden dan voor die datum, aldus [appellant sub 1]. Volgens hem is het pand [locatie A-1] pas vanaf 2015 in gebruik genomen als bakkerij. Hij voert verder aan dat het aantal winkels waarvoor producten worden gebakken, is toegenomen. Hij wijst er verder nog op dat het bakken van zogenoemd ‘grootbrood’, te weten halve of hele broden, dat eerder ter plaatse was gestaakt, meer hinder voor de omgeving veroorzaakt dan het bakken van banket. 3.1. Bij de beoordeling of het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] ten tijde van het besluit op bezwaar van 21 april 2017 is toegestaan, is uitsluitend het bestemmingsplan "Vogelwijk", zoals dat is vastgesteld en in werking getreden, van betekenis. Aan de door [bakkerij] gestelde omstandigheid dat de raad in het bestemmingsplan "Vogelwijk" aan de percelen [locatie A] abusievelijk, wat daar verder ook van zij, een bestemming heeft toegekend die het gebruik als bakkerij niet toestaat, komt geen betekenis toe. Verder komt aan de in 1946, 1976, 1977, 1986 en 2001 verleende bouwvergunningen, voor zover die al zouden zijn verleend ten behoeve van een gebruik als bakkerij, geen zelfstandige betekenis toe na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime. Het is primair aan de raad van een gemeente om te bepalen welk gebruik op een perceel is toegestaan. De raad van een gemeente heeft de mogelijkheid om ander gebruik dan bestaand legaal gebruik toe te staan op gronden indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang daarbij zwaarder weegt dan gevestigde rechten en belangen. [1] Hiermee verdraagt zich niet dat aan door het college verleende bouwvergunningen wat betreft gebruik zelfstandige betekenis toekomt na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime. (Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC5236). Voor zover [bakkerij] heeft gesteld dat het gebruik als bakkerij van de panden is toegestaan op grond van een in 2018 verleende omgevingsvergunning, stelt de Afdeling vast dat die vergunning uitsluitend ziet op het op het dak aanbrengen van een zilveren kast met een oppervlakte van minder dan 1 m2. Aan de omstandigheid dat op de bouwtekening op de begane grond van het pand [locatie A-2] twee keer ‘bakkerij’ is vermeld, kan niet worden afgeleid dat ook voor het gebruik als bakkerij van de begane grond een omgevingsvergunning is aangevraagd en is verleend. Het bouwplan betreft immers niet de begane grond. Dat op de bouwtekening expliciet is vermeld dat [locatie A-1] en de eerste verdieping van de [locatie A-2] niet behoren tot de aanvraag, maakt niet dat toch moet worden geoordeeld dat het gebruik van de begane grond onderdeel uitmaakt van de aanvraag. 3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, dient degene die een beroep doet op het overgangsrecht, in dit geval het college, aan de hand van concrete en objectieve gegevens aannemelijk te maken dat het overgangsrecht inderdaad van toepassing is. 3.3. In artikel 27, tweede lid, onder 1, van de planregels van het bestemmingsplan "Vogelwijk" is bepaald dat gebruik dat in strijd is met de bestemming, is toegestaan, indien het bestond ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is op 29 december 2016 in werking getreden. Tussen partijen is niet in geschil dat op dat moment de percelen [locatie A] als bakkerij werden gebruikt. Verder is niet in geschil dat het gebruik van de percelen ten tijde van het besluit op bezwaar van 21 april 2017 niet afwijkt van dat op genoemde peildatum. Artikel 27, tweede lid, onder 4, heeft tot gevolg dat bestaand gebruik dat in strijd was met het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" niet onder het overgangsrecht valt. Dit betekent dat bestaand gebruik dat in strijd was met de in het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" aan gronden toegekende bestemming, maar op grond van de overgangsbepaling van dat bestemmingsplan was toegestaan, ook onder de reikwijdte van artikel 27, tweede lid, onder 1, van het bestemmingsplan "Vogelwijk" valt. Omdat het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] ook in strijd was met de ingevolge het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" op de percelen rustende bestemming "Gemengde doeleinden", is de in dit bestemmingsplan opgenomen gebruiksovergangsbepaling van belang. In artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" is bepaald dat bestaand gebruik dat in strijd is met het plan, mag worden voortgezet of worden gewijzigd in een ander gebruik, indien door deze wijziging de afwijking van het plan niet wordt vergroot. Om te beoordelen of het gebruik als bakkerij valt onder de beschermende werking van het overgangsrecht, neergelegd in artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996", moet worden bepaald wat het bestaande gebruik was op het tijdstip van het van kracht worden van dat bestemmingsplan. Het maakt, gezien de inhoud van artikel 27, tweede lid, onder 4, anders dan bij het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Vogelwijk", geen verschil of dat bestaande gebruik al dan niet was toegestaan op grond van de vóór het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" geldende planologische regelingen. 3.4. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" op 16 januari 1997 van kracht is geworden. Voor de vraag wat het bestaande gebruik was op deze peildatum is de feitelijke situatie bepalend. Het college heeft ervan mogen uitgaan dat vóór die datum verleende bouwvergunningen en het gebruik dat daaruit voortvloeit, voor het feitelijke gebruik een aanwijzing kunnen vormen. Tussen partijen is niet in geschil dat het pand [locatie A-2] op de peildatum van het vorige bestemmingsplan werd gebruikt als bakkerij. De Afdeling gaat daarvan ook uit. De Afdeling begrijpt de stelling van [appellant sub 1] dat het pand [locatie A-1] tot 2015 als magazijn werd gebruikt aldus dat hij betwist dat dat pand op de peildatum werd gebruikt als bakkerij. Bij besluit van 2 oktober 1986 heeft het college aan een rechtsvoorganger van [bakkerij] een bouwvergunning verleend voor verbouwing van de panden [locatie A]. Er is vergunning verleend om onder meer de winkel en bakkerij [locatie A-2] en de winkel [locatie A-1] te veranderen en vergroten tot een winkel met bakkerij en magazijn. Uit de bouwtekening blijkt dat de muur tussen de panden op [locatie A] wordt opengebroken, waardoor de begane grond van het pand [locatie A-1] bij de productieruimte van de bakkerij op [locatie A-2] wordt getrokken. In het pand [locatie A-1] is verder op de bouwtekening een rijskast ingetekend. Nog daargelaten dat ook een magazijn het gebruik als bakkerij kan betreffen, heeft de rechtbank, gelet op wat hiervoor staat, terecht overwogen dat met de vergunning het gebruik als bakkerij van het pand [locatie A-1] is toegestaan. Uit een proces-verbaal van opname blijkt dat op 6 januari 1986 is geconstateerd dat de wijzigingen hebben plaatsgevonden overeenkomstig de verleende bouwvergunning. Gelet hierop is aannemelijk dat het gebruik als bakkerij ten behoeve waarvan is gebouwd, zich toen voordeed. Nu niet in geschil is dat dat gebruik tot aan de peildatum is voortgezet, heeft de rechtbank terecht overwogen dat aannemelijk is gemaakt dat gebruik als bakkerij van de panden [locatie A] op de peildatum 16 januari 1997 plaatsvond. Het betoog faalt in zoverre. 3.5. Over de vraag of het gebruik als bakkerij sinds 16 januari 1997 ononderbroken is voortgezet, overweegt de Afdeling dat een onderbreking van het gebruik gedurende een periode van enige betekenis aan voortzetting van dat gebruik onder het overgangsrecht in de weg kan staan, waarbij de oorzaak van de onderbreking mede van betekenis is. De rechtsvoorganger van [bakkerij] die destijds de bakkerij en winkel exploiteerde, is op 3 november 2015 failliet gegaan. Als gevolg van het faillissement hebben de werkzaamheden van de bakkerij vanaf die datum tot 19 december 2015 stilgelegen. Op 6 november 2015 werd duidelijk dat de bedrijfsactiviteiten zouden worden voortgezet, zo komt uit de stukken naar voren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het faillissement, gelet op de korte periode waarin geen werkzaamheden hebben plaatsgevonden en de voorgenomen doorstart van de bedrijfsactiviteiten, er niet toe heeft geleid dat het gebruik als bakkerij voor de toepassing van het overgangsrecht als onderbroken moet worden aangemerkt. Het betoog faalt in zoverre. 3.6. [appellant sub 1] heeft over de door hem gestelde onderbreking van het gebruik als bakkerij tussen 2008 en 2015 aangevoerd dat in die periode elders in Den Haag een bakkerij werd geëxploiteerd. Ter onderbouwing van dit betoog heeft hij onder meer gewezen op krantenartikelen uit die periode en een passage in het boek "Een Haagse oase aan Zee" van november 2008, waarin staat dat er geen brood meer wordt gebakken aan de Mezenlaan. Vast staat dat in de door [appellant sub 1] genoemde periode een bakkerij aan de Badhuisstraat in Den Haag werd geëxploiteerd. De omstandigheid dat elders een bakkerij werd geëxploiteerd, betekent echter nog niet dat in de panden aan de [locatie A] geen bakkerij-activiteiten werden uitgeoefend. Niet in geschil is dat op de [locatie A-2] in die periode in ieder geval banket werd geproduceerd. Anders dan waarvan [appellant sub 1] uitgaat, is het bakken van banket ook te beschouwen als gebruik als bakkerij. De gestelde omstandigheid dat ter plaatse geen grootbrood werd gebakken, leidt dan ook niet tot het oordeel dat het gebruik als bakkerij was onderbroken. [appellant sub 1] heeft gesteld dat het gebruik als bakkerij van het perceel [locatie A-1] in 2015 gedurende enige tijd is gestaakt, omdat (een gedeelte van) dat pand zou zijn gebruikt als lunchroom en als ruimte voor het houden van verjaardagsfeestjes en workshops. Deze stelling, wat daar verder ook van zij, leidt evenmin tot de conclusie dat het gebruik als bakkerij onderbroken is geweest. De panden [locatie A] staan vanaf het moment dat ter uitvoering van de in 1986 verleende bouwvergunning een deel van de muur tussen deze panden is verwijderd, immers met elkaar in verbinding en het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] dient, mede gelet op de inhoud van die vergunning, vanaf dat moment als één geheel te worden beschouwd. Nu niet in geschil is dat steeds banket werd gebakken aan de Mezenlaan, is de rechtbank terecht ervan uitgegaan dat het gebruik als bakkerij ononderbroken is voortgezet. Het betoog faalt in zoverre. 3.7. Wat betreft de door [appellant sub 1] gestelde intensivering van het gebruik als bakkerij overweegt de Afdeling dat gebruik dat op de peildatum bestaat, onder de beschermende werking van artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" mag worden voortgezet. Het gebruik mag worden gewijzigd, zolang de afwijking van het geldende plan niet wordt vergroot. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 19 december 2001 (ECLI:NL:RVS:2001:AD8891) moet een intensivering van het gebruik als een verandering daarvan worden aangemerkt. Vergelijk voorts de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA2682), waarin de Afdeling heeft overwogen dat intensivering van het gebruik een vergroting van de afwijking van het bestemmingsplan naar de aard meebrengt. Voor de toepassing van artikel 18, tweede lid, van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" gaat het erom of het gebruik op de datum van van krachtwording van dat bestemmingsplan nadien niet is geïntensiveerd. Het gebruik op die datum moet worden vergeleken met het gebruik dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingplan "Vogelwijk". 3.8. Een geslaagd beroep op het in artikel 18, tweede lid, neergelegde overgangsrecht (en daarmee op artikel 27, tweede lid, onder 1, van het bestemmingsplan "Vogelwijk") kan worden gedaan, indien aannemelijk wordt gemaakt dat het strijdig gebruik, na eerdere intensivering daarvan, is teruggebracht naar het gebruik zoals dat bestond op de peildatum en waarvan de aard niet is veranderd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ2631). Voor zover [bakkerij] heeft gesteld dat het gebruik niet is geïntensiveerd reeds omdat de bakkerij-activiteiten steeds tot dezelfde categorie bedrijven van de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering" hebben behoord, wordt overwogen dat daaraan, wat daar ook van zij, geen betekenis toekomt, aangezien de feitelijke ruimtelijke gevolgen bepalend zijn voor de toepassing van het overgangsrecht. Bij het besluit op bezwaar van 21 april 2017 heeft het college niet gemotiveerd waarom het zich op het standpunt stelt dat het gebruik als bakkerij in ruimtelijk relevant opzicht gelijk is gebleven. Zoals hiervoor is overwogen, hoeft een enkele intensivering van het gebruik niet aan een geslaagd beroep op het gebruiksovergangsrecht in de weg te staan als het gebruik op de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Vogelwijk" in ruimtelijk opzicht gelijk is aan dat van het gebruik op de peildatum. Niet is gebleken dat het college heeft onderzocht wat op die data de omvang van het gebruik en de ruimtelijke uitstraling daarvan waren. [bakkerij] heeft te kennen gegeven dat tussen 1997 en 2015 jaarlijks ongeveer 4.000 à 5.000 kg aan grondstoffen in de bakkerij is verwerkt. Naar zij stelt, werkten er tussen 2000 en 2015 steeds vier tot vijf bakkers op de Mezenlaan en werd er gebakken voor acht winkels, vijftien horecazaken en enkele hotels in Den Haag. Na het faillissement van haar rechtsvoorganger is vanaf december 2015 nog maar voor drie winkels en een restaurant gebakken, aldus [bakkerij]. [bakkerij] heeft ter zitting te kennen gegeven dat er nog stukken ter ondersteuning van haar stellingen bij de curator liggen vanwege de afwikkeling van het faillissement. De door [bakkerij] wel in de procedure ingebrachte stukken bevatten informatie over een levering van producten en vrachtwagenbewegingen, maar betreffen slechts de jaren 2013-2015. Deze stukken geven dan ook, anders dan waarvan de rechtbank lijkt te zijn uitgegaan, geen informatie over de omvang van het gebruik als bakkerij op de van belang zijnde data. Aan de door [bakkerij] gedane stellingen over de omvang van het gebruik komt niet de betekenis toe die zij daaraan toegekend wil zien, omdat deze stellingen niet met verifieerbare gegevens zijn onderbouwd. Daarbij is mede van belang dat er aanwijzingen zijn dat het gebruik mogelijk wel is geïntensiveerd. Het college heeft in 2018 aan [bakkerij] een omgevingsvergunning verleend, waarin staat dat de bakkerij in de afgelopen jaren gestaag is gegroeid in zijn activiteiten. Dit komt overeen met de strekking van de door [appellant sub 1] overgelegde schriftelijke verklaringen van omwonenden, waarin deze stellen dat de hinder van de activiteiten ter plaatse is toegenomen. Gelet op het vorenstaande heeft het college in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), ontoereikend gemotiveerd dat dat gebruik als bakkerij onder het overgangsrecht valt. Het college heeft bij de voorbereiding van zijn besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. 4. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [bakkerij] 5. [bakkerij] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het beroep van [appellant sub 1] gegrond is. Zij betoogt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak een verkeerde peildatum heeft gehanteerd voor de toepassing van het overgangsrecht. Niet de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996", te weten 16 januari 1997, is daarvoor bepalend, maar alleen de datum van inwerkingtreding van het geldende bestemmingsplan "Vogelwijk". Daartoe voert zij aan dat na deze datum een bouwvergunning voor de bakkerij is verleend, namelijk op 27 juli 2001, en haar in verband hiermee niet de strijdigheid van het gebruik met de bestemming kan worden tegengeworpen. Zij verwijst ter onderbouwing van haar betoog naar de uitspraak van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:203. 5.1. Zoals onder 3.3 is overwogen, is de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996", 16 januari 1997, van betekenis voor de vraag of een beroep kan worden gedaan op het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan "Vogelwijk". Zoals onder 3.1 is overwogen, komt aan de in 2001 verleende bouwvergunning geen zelfstandige betekenis toe. De uitspraak van 24 januari 2018, waarop [bakkerij] heeft gewezen, ziet op een andere kwestie dan hier aan de orde. In die uitspraak ging het om de vaststelling van een bestemmingsplan, waarbij de raad van een gemeente een perceel niet had bestemd overeenkomstig het bestaande gebruik waarvoor een vergunning was verleend, terwijl in beginsel dergelijk gebruik als zodanig in het bestemmingsplan dient te worden bestemd. De vraag of in het bestemmingsplan "Vogelwijk" aan het perceel de juiste bestemming is gegeven, had destijds in de procedure over de vaststelling van dat bestemmingsplan kunnen worden opgeworpen en ligt nu niet ter beoordeling voor. Het betoog faalt. 6. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [bakkerij] is ongegrond. Conclusie 7. Zoals hiervoor is overwogen, is het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond en is het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [bakkerij] ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 21 april 2017 alsnog gegrond verklaren. De Afdeling ziet aanleiding het besluit op bezwaar van 21 april 2017 te vernietigen slechts voor zover daarbij het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 ongegrond is verklaard. Dit betekent dat het besluit van 21 april 2017 in stand blijft voor zover daarbij het besluit op bezwaar van 27 februari 2017 is ingetrokken. Door het besluit in zoverre in stand te laten, wordt voorkomen dat het ingetrokken besluit op bezwaar van 27 februari 2017, waarbij aan [bakkerij] een last onder dwangsom is opgelegd, herleeft zonder dat [bakkerij] daartegen nog een rechtsmiddel kan aanwenden. 7.1. Het college dient, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016. Daarbij dient het college te onderzoeken of het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] op 29 december 2016, de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Vogelwijk" ten opzichte van het gebruik op de peildatum 16 januari 1997 al dan niet is geïntensiveerd. Bij de beantwoording van de vraag of het gebruik is geïntensiveerd, moet worden beoordeeld of de ruimtelijke uitstraling van het gebruik al dan niet zodanig is gewijzigd dat de afwijking van het bestemmingsplan is vergroot. Het college dient zijn nieuwe besluit op bezwaar te voorzien van een toereikende motivering. 7.2. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. Proceskosten 8. Het college wordt op na te melden wijze veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1]. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond; II. verklaart het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van De Haagsche Brood Winkels B.V. en De Haagsche Bakkerij B.V. ongegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juni 2018 in zaak nr. 17/3994; IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 21 april 2017, kenmerk B.2.16.2909.001, voor zover daarbij het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard; VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.560,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht tot een bedrag van € 506,00 (zegge: vijfhonderdzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier. w.g. Scholten-Hinloopen voorzitter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2019 163-687. BIJLAGE Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, luidt: "Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]." Bestemmingsplan "Vogelwijk" Artikel 3, eerste lid, luidt: "De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. bed & breakfast; uitsluitend op de begane grondlaag: c. dienstverlening; d. maatschappelijk; en ter plaatse van de functieaanduiding en uitsluitend op de begane grond: e. "detailhandel" (dh) tevens voor detailhandel; f. "atelier" (atl) tevens voor een atelier; één en ander zoals nader bepaald in artikel 3.3 en met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen, gebouwde en ongebouwde parkeervoorzieningen, groen, water en overige voorzieningen." Artikel 27, tweede lid, luidt: "1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het tweede lid onder 1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; 3. Indien het gebruik, bedoeld in het tweede lid onder 1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; 4. Het tweede lid onder 1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan;" Bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" Artikel 6, eerste lid, luidt: "Aan de gronden, welke blijkens de plankaart als zodanig zijn bestemd, zijn de volgende doeleinden toegekend: - woondoeleinden met bijbehorende voorzieningen; - detailhandel, aan detailhandel verwant dienstverlening in publiekgerichte dienstverlening op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch of kosmetisch gebied, uitsluitend op de begane grondlaag. […]." Artikel 18, tweede lid, luidt: "Op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestaand gebruik van de in het plan begrepen gronden en/of daarop staande opstallen, dat in strijd is met het plan, mag worden voortgezet of worden gewijzigd in een ander gebruik, indien door deze wijziging de afwijking van het plan niet wordt vergroot." ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ [1] Dit kan wanneer zicht bestaat op beëindiging van het gebruik binnen de planperiode. Met het toestaan van ander gebruik wordt het bestaande gebruik onder het overgangsrecht gebracht. Dat heeft naar zijn aard een tijdelijk karakter.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201801850/5/R2. Datum uitspraak: 18 maart 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te Deurne, 2. [appellant sub 2], wonend te Deurne, 3. [appellant sub 3], wonend te Deurne, 4. [appellant sub 4], wonend te Deurne, 5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Deurne (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]), 6. [appellant sub 6], wonend te Deurne, 7. [appellant sub 7], wonend te Deurne, 8. [appellant sub 8], wonend te Deurne, 9. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], beiden wonend te Deurne (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 9]), en de raad van de gemeente Deurne, verweerder.

Procesverloop Bij besluit van 19 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben onder andere [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellant sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] (hierna indien sprake is van hen gezamenlijk: appellanten) beroep ingesteld. De raad van de gemeente Deurne heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 8] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2019, waar [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 7] en [appellant sub 8], allen bijgestaan door mr. N. Crooijmans, advocaat te Deurne en [appellant sub 2], [appellant sub 6] en [appellant sub 9], beiden vertegenwoordigd door mr. N. Crooijmans, advocaat te Deurne, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.G.M. Claessens en bijgestaan door mr. M.J.O. Copier, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Na de zitting zijn door [appellant sub 3] nadere stukken ingediend. Met toestemming van de betrokken partijen is afgezien van een nadere zitting. Overwegingen Inleiding 1. Het plan is de derde herziening van het op 11 december 2007 door de raad vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied" en volgt het op 28 januari 2014 door de raad vastgestelde plan "Tweede herziening bestemmingsplan Buitengebied" op. Het plangebied beslaat het hele buitengebied van de gemeente Deurne. Met het plan wordt de aangepaste Verordening ruimte Noord-Brabant (hierna: de Verordening) verwerkt in de planregels, wordt gemeentelijk beleid in het plan vastgelegd en is een vereenvoudiging van de regels doorgevoerd.

Tegen het plan zijn 32 beroepen ingesteld. Het merendeel van de personen die beroep hebben ingesteld richt zich tegen de planregeling voor hun eigen gronden. De Afdeling heeft in dit geval niet ervoor gekozen om alle beroepen op één zitting te behandelen en in één uitspraak op te nemen, maar die beroepen op meerdere afzonderlijke zittingsdagen te behandelen en de beroepen per zittingsdag in één uitspraak op te nemen. In deze uitspraak komen negen beroepen aan de orde die allemaal betrekking hebben op het al dan niet onder het persoonsgebonden overgangsrecht brengen van bewoning van (nood)woningen.

Appellanten hebben allen gebouwen in eigendom die zij al vele jaren gebruiken of stellen te gebruiken als woningen. Zij betogen dat dit gebruik ten onrechte wederom onder het persoonsgebonden overgangsrecht is gebracht. In plaats daarvan wensen zij voor de betreffende gronden primair een woonbestemming, subsidiair een uitsterfregeling en meer subsidiair een reguliere overgangsrechtelijke regeling. Aan de gronden waarop de voormalige noodwoningen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellant sub 5], [appellant sub 7] en [appellant sub 8] staan, is telkens onder meer de aanduiding "wetgevingszone - woning met persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend.

Aan de gronden waarop de voormalige noodwoning van [appellant sub 9] staat, is noch een woonbestemming noch een vorm van overgangsrecht toegekend. Appellanten hebben een groot aantal gemeenschappelijke gronden en argumenten aangevoerd en een aantal individuele. De Afdeling zal eerst de gemeenschappelijk aangevoerde gronden en argumenten bespreken en daarna per appellant de individuele gronden en argumenten. Toetsingskader 2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht.

De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Inhoudelijk 3. Appellanten stellen dat zij beschikken over vergunningen die betrekking hebben op door hen als (nood)woningen gebruikte gebouwen.

Ook voeren zij aan dat het als zodanig bestemmen van hun woningen, anders dan de raad stelt, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. In dit verband stellen zij dat ter plaatse van hun woningen een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden, nu zij geen hinder ondervinden van omliggende bedrijven. [appellant sub 2], [appellant sub 4] en [appellant sub 8] hebben daartoe respectievelijk het "Onderzoek woon- en leefklimaat ten behoeve van een woning", van onderzoeksbureau Van Dun & Van Gerwen van 6 mei 2019, overgelegd. De raad had hen in dat verband in de gelegenheid moeten stellen om - indien nodig - een nadere onderbouwing aan te leveren.

Appellanten wijzen er verder ook op dat ingevolge artikel 3, lid 3.6.2, van de planregels na het vervallen van het persoonsgebonden overgangsrecht in de betreffende gebouwen arbeidsmigranten gehuisvest mogen worden. Het bestemmen van hun woningen als zodanig vormt voor omliggende bedrijven evenmin een belemmering, aangezien het gebruik van de gebouwen als woningen ten opzichte van de huidige situatie niet wijzigt. Verder wijzen zij erop dat het gemeentebestuur naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:526, heeft besloten om ten behoeve van een vergelijkbare voormalige noodwoning een reguliere vorm van overgangsrecht toe te kennen.

Bovendien volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:246, dat het op de weg van de raad lag om te bezien of in dit geval een uitsterfregeling voor het gebruik van de gebouwen als woningen kon worden opgenomen omdat het overgangsrecht voor het gebruik van de gebouwen als woning nog niet is uitgewerkt en omdat alle woningen met vergunning zijn opgericht, zo hebben appellanten ter zitting nog toegelicht. Ook voeren zij aan dat de raad rekening moet houden met hun concrete particuliere initiatieven, inhoudende dat zij het gebruik van hun gebouwen als woningen niet op termijn zullen beëindigen.

Ook stellen appellanten dat de door hen gewenste woonbestemming in overeenstemming is met de "Woonvisie gemeente Deurne 2015-2030", vastgesteld door de raad op 17 november 2015, (hierna: de Woonvisie). Verder voeren [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellant sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] hiertoe aan dat de Verordening ruimte Noord-Brabant, anders dan de raad stelt, niet aan het toekennen van een minder beperkt recht dan persoonsgebonden overgangsrecht aan de voormalige noodwoningen in de weg staat.

Het provinciaal bestuur heeft eerder met het toekennen van een vorm van regulier overgangsrecht ingestemd naar aanleiding van bovengenoemde uitspraak van 1 februari 2017. 3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij de voormalige noodwoningen in redelijkheid wederom onder het persoonsgebonden overgangsrecht heeft kunnen brengen. Volgens de raad bestaat er nog altijd een noodzaak om het gebruik van gebouwen in het buitengebied als woningen te beëindigen. Het toekennen van een minder beperkt recht dan persoonsgebonden overgangsrecht, door middel van een positieve bestemming, een uitsterfregeling of regulier overgangsrecht, acht de raad onaanvaardbaar omdat het ongewenste gebruik dan langer zou kunnen blijven voortbestaan.

De raad stelt dat hij appellanten daarom ook niet in de gelegenheid heeft hoeven stellen om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een concreet initiatief aan te tonen. De door hen aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling is volgens de raad niet van belang, omdat deze niet ziet op situaties zoals de onderhavige, waarin het betreffende gebruik voor de tweede of derde keer op rij onder het persoonsgebonden overgangsrecht is gebracht. Dat in de uitspraak van 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:529 is bepaald dat, wanneer een positieve woonbestemming niet mogelijk is, het veeleer in de rede ligt dat een uitsterfregeling in het plan wordt opgenomen, betekent niet dat het gebruik van gebouwen als woningen in de aan de orde zijnde gevallen niet onder het persoonsgebonden overgangsrecht kon worden gebracht.

In het geval dat in die uitspraak aan de orde was, werd gebruik onder persoonsgebonden overgangsrecht gebracht dat in het daarvóór geldende plan onder algemeen overgangsrecht viel. Nu het gebruik van de gebouwen als woningen in de hier aan de orde zijnde gevallen in het vorige plan niet onder het algemeen overgangsrecht, maar onder het persoonsgebonden overgangsrecht viel, is van een dergelijke situatie volgens de raad geen sprake. Hoewel het gebruik van het gebouw als woning aan het [locatie 8] naar aanleiding van de voornoemde uitspraak van 2 maart 2016 bij wijze van financiële compensatie onder een vorm van regulier overgangsrecht is gebracht in plaats van onder persoonsgebonden overgangsrecht, acht de raad deze situatie vanuit ruimtelijk oogpunt nog steeds onwenselijk.

Anders dan appellanten stellen, is het gebruik van gebouwen voor de huisvesting van arbeidsmigranten niet gelijk te stellen met het gebruik daarvan als burgerwoning omdat arbeidsmigranten daar ten behoeve van een bedrijf wonen en omdat een vergunning voor een beperkte periode van slechts vijf jaar wordt verleend. Ook is het toekennen van een minder beperkt recht dan persoonsgebonden overgangsrecht, door middel van een positieve bestemming, een uitsterfregeling of regulier overgangsrecht, in strijd met de Woonvisie en de Verordening ruimte, aldus de raad. 3.2.

Artikel 34, lid 34.3, van de planregels luidt: "a. Het gebruik als woning ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone - woning met persoonsgebonden overgangsrecht" mag worden voortgezet en wel uitsluitend door de persoon/personen die op het moment van het van kracht worden van deze regels volgens de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Deurne als hoofdbewoner en diens partner staan ingeschreven op het betreffende adres. Eventuele inwonende gezinsleden mogen in de woning wonen zolang ze inwonen bij degene, die als hoofdbewoner dan wel als diens partner volgens de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Deurne op het betreffende adres staan ingeschreven op het moment van het van kracht worden van deze voorschriften. b.

In aanvulling op het bepaalde onder a geldt ter plaatse van de aanduiding "maximum oppervlak (m2)" tevens dat de gebruiksoppervlakte niet meer mag bedragen dan aangegeven ter plaatse van deze aanduiding. c. Wijziging van het met het plan strijdig gebruik van de gronden en/of opstallen, is verboden tenzij door de wijziging de afwijking van het plan naar de aard niet wordt vergroot." 3.3. Voor zover het gebruik van de gebouwen van appellanten als woningen onder het persoonsgebonden overgangsrecht is gebracht, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 31 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL9607, heeft de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied", vastgesteld op 11 december 2007, de in het plan aanwezige voormalige noodwoningen getoetst aan de "Beoordelingsladder noodwoningen".

De Afdeling was van oordeel dat de raad dit beoordelingskader in redelijkheid ten grondslag had kunnen leggen aan zijn besluitvorming. De Afdeling ziet geen aanleiding thans tot een ander oordeel te komen en overweegt daartoe het volgende. De raad heeft ook de voormalige noodwoningen van appellanten bij de vaststelling van het plan "Buitengebied" op 11 december 2007 aan dit beoordelingskader getoetst en het gebruik van de betreffende gebouwen als woningen vervolgens onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht. In het opvolgende plan, het bestemmingsplan "Tweede herziening bestemmingsplan Buitengebied", dat door de raad is vastgesteld op 28 januari 2014, én het daaropvolgende, voorliggende plan is het persoonsgebonden overgangsrecht voor de betreffende voormalige noodwoningen in beginsel gehandhaafd.

Gezien de ligging van deze voormalige noodwoningen in het buitengebied, heeft de raad niet willen meewerken aan de totstandkoming van minder beperkte woonrechten dan persoonsgebonden overgangsrecht. 3.4. Voor zover appellanten onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:726, stellen dat het op de weg van de raad had gelegen om te bezien of voor het betrokken geval en de in die zaak geldende omstandigheden een uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen in plaats van persoonsgebonden overgangsrecht, overweegt de Afdeling dat het in die uitspraak om een ander geval ging dan het hier aan de orde zijnde geval.

Het ligt op de weg van de raad om - mede aan de hand van de omstandigheden van het geval - te bezien of voor het betrokken geval een uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen in de situatie waarin gebruik in het vorige plan onder de beschermende werking van het algemene overgangsrecht viel. Dat was ook het geval in de uitspraak van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:246, waar appellanten ter zitting nog naar hebben verwezen. Nu het gebruik van hun gebouwen als woning reeds voor de tweede dan wel derde keer onder het persoonsgebonden overgangsrecht wordt gebracht, is de door appellanten genoemde jurisprudentie niet op één lijn te stellen met de onderhavige situaties.

In de aan de orde zijnde situatie zijn de bestaande rechten immers in het plan opgenomen. Voor zover appellanten wijzen op de uitspraak van 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:526, overweegt de Afdeling het volgende. In die zaak heeft een eigenaar van een voormalige noodwoning om een tegemoetkoming gevraagd in planschade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied", waarin zijn gebruik van zijn voormalige noodwoning onder het persoonsgebonden overgangsrecht was gebracht. Weliswaar heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat het in de lijn der verwachtingen had gelegen om in het bestemmingsplan "Buitengebied" een zogenoemde uitsterfregeling ten behoeve van het gebruik van het gebouw als woning op te nemen en heeft de raad dit gebruik als gevolg van die overweging onder het algemene overgangsrecht gebracht, maar in dat geval was het gebruik van een gebouw als woning voor het eerst onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht.

Voor zover appellanten stellen dat de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hij zijn gebruik niet binnen een afzienbare periode zal beëindigen, overweegt de Afdeling als volgt. De enkele omstandigheid dat het gebruik niet binnen een redelijke en overzienbare termijn beëindigd zal worden, kan niet tot het oordeel leiden dat een bepaald gebruik niet onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht omdat het juist inherent is aan het persoonsgebonden karakter van het persoonsgebonden overgangsrecht dat het gebruik niet binnen een redelijke en overzienbare periode zal worden beëindigd, maar dat het eindigt met de beëindiging van het gebruik door degenen voor wie het persoonsgebonden overgangsrecht geldt.

De stelling van appellanten dat ter plaatse van hun voormalige noodwoningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, geeft, wat van de juistheid van die stelling ook zij, geen aanleiding voor een ander oordeel nu het woon- en leefklimaat in het licht van een goede ruimtelijke ordening weliswaar één van de in aanmerking te nemen belangen is, maar de raad nu juist om andere redenen heeft geweigerd een woonbestemming te geven. Voor zover appellanten nog stellen dat het toekennen van een minder beperkend recht dan persoonsgebonden overgangsrecht in overeenstemming is met de Verordening ruimte en de Woonvisie, overweegt de Afdeling dat, wat van de juistheid van die stelling ook zij, de enkele omstandigheid dat een ruimtelijke ontwikkeling op grond van de Verordening ruimte en de Woonvisie zou zijn toegestaan op zichzelf genomen nog niet de verplichting meebrengt om een dergelijke ruimtelijke ontwikkeling ook mogelijk te maken in een bestemmingsplan.

Het betoog slaagt niet. 3.5. Gelet hierop zal de Afdeling de door de raad gemaakte afweging beoordelen in het licht van de door appellanten in het kader van hun persoonlijke gevallen aangevoerde gronden en argumenten. Ook het door appellanten aangevoerde over diverse in het verleden verleende vergunningen zal de Afdeling aldaar bespreken. De individuele gronden en argumenten van [appellant sub 1] 4. [appellant sub 1] woont aan de Langstraat 142 te Deurne. Aan de gronden waarop het gebouw staat dat hij gebruikt als woning is de bestemming "Bedrijf" met onder meer de aanduiding "wetgevingszone - woning met persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 31 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL9607, overwogen dat de raad het gebruik van het gebouw van [appellant sub 1] als woning in het bestemmingsplan "Buitengebied", aan de hand van de "Beoordelingsladder noodwoningen", in redelijkheid onder het persoonsgebonden overgangsrecht heeft kunnen brengen. De Afdeling overwoog dat de raad bij het onderzoek naar de vraag of voor de in geding zijnde voormalige noodwoning thans een bestemming "Woondoeleinden" was aangewezen, destijds betekenis heeft kunnen toekennen aan de omstandigheid dat de voormalige noodwoning Langstraat 142 verscholen ligt achter de ter plaatse aanwezige bebouwing en daardoor niet zichtbaar is vanaf de openbare weg.

De voormalige noodwoning voldeed namelijk niet aan een van de in stap 5 van de "Beoordelingsladder noodwoningen" opgenomen eisen. Die eis hield in dat een voormalige noodwoning niet in aanmerking kwam voor een woonbestemming als dat vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet verantwoord was, bijvoorbeeld omdat het gebouw achter aanwezige bebouwing verscholen lag. In wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om thans tot het oordeel te komen dat de raad, ondanks het door hem gevoerde beleid om zo min mogelijk burgerbewoning in het buitengebied toe te staan, de woonrechten van [appellant sub 1] ter plaatse bij de vaststelling van het voorliggende plan had moeten uitbreiden.

Voor zover [appellant sub 1] in dit verband wijst op een vergunning die in het verleden zou zijn verleend voor de bouw van een bedrijfsruimte, overweegt de Afdeling dat deze vergunning betrekking heeft op een bedrijfsruimte en dat deze geen betrekking heeft op het gebruik voor (niet bedrijfsmatige) bewoning. Reeds om die reden komt aan deze vergunning geen betekenis toe. Gelet op al het voorgaande heeft de raad het gebruik van het gebouw aan de Langstraat 142 te Deurne als woning in redelijkheid wederom onder het persoonsgebonden overgangsrecht kunnen brengen.

De enkele, niet onderbouwde stelling van [appellant sub 1] dat ter plaatse van zijn voormalige noodwoning een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, doet daar niet aan af. Het betoog van [appellant sub 1] slaagt niet. De individuele gronden en argumenten van [appellant sub 2] 5. [appellant sub 2] woont aan de Zandschelweg 4a te Deurne. Aan de gronden waarop het gebouw staat dat hij gebruikt als woning is de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "wetgevingszone - woning met persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend. Gelet op de omstandigheid dat het gebouw dat als woning wordt gebruikt destijds in landbouwontwikkelingsgebied (LOG) was gelegen, heeft de raad zich in 2014 op het standpunt gesteld dat de gronden waarop het gebouw staat niet in aanmerking kwamen voor een woonbestemming.

De voormalige noodwoning voldeed namelijk niet aan de in stap 4 van de "Beoordelingsladder noodwoningen" opgenomen eis. Die eis hield in dat een voormalige noodwoning niet in aanmerking kwam voor een woonbestemming als het gebouw in landbouwontwikkelingsgebied (LOG) lag. De Afdeling ziet geen aanleiding om thans tot het oordeel te komen dat de raad, ondanks het door hem gevoerde beleid om zo min mogelijk burgerbewoning in het buitengebied toe te staan, de woonrechten van [appellant sub 2] ter plaatse bij de vaststelling van het voorliggende plan had moeten uitbreiden.

De Afdeling heeft ter zitting vastgesteld dat op 16 april 1964 op grond van de Woningwet een in rechte onaantastbare bouwvergunning is verleend voor de bouw van een woning ter plaatse van de gronden waarop de woning aan de Zandschelweg 4a staat. Daarmee is tevens het gebruik als zodanig vergund. Vaststaat verder dat in 1988 een nieuw planologisch regime, namelijk het bestemmingsplan "Buitengebied, Herziening IX, Correctieve Herziening", is vastgesteld en vervolgens in werking is getreden, waarin dit vergunde gebruik niet was opgenomen. Ook in de opvolgende plannen van 2007 en 2014 was daarvan geen sprake.

Na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime waarin bepaald gebruik niet is opgenomen, komt bij de vaststelling van een daarop volgend planologisch regime in beginsel geen doorslaggevende betekenis meer toe aan de onherroepelijke bouwvergunning waaruit dat gebruiksrecht voortvloeide (vergelijk onder 3.1 van de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4439). De enkele omstandigheid dat [appellant sub 2] over een bouwvergunning uit 1964 beschikt waaruit een gebruiksrecht voor wonen voortvloeide, leidt in dit geval dan ook niet tot het oordeel dat de raad dit recht als zodanig had moeten bestemmen.

Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het gebruik van het gebouw van [appellant sub 2] als woning al in de drie voorgaande bestemmingsplannen van 1988, 2007 en 2014 al niet meer als zodanig was bestemd. Gelet op al het voorgaande heeft de raad het gebruik van het gebouw aan de Zandschelweg 4a te Deurne als woning in redelijkheid wederom onder het persoonsgebonden overgangsrecht kunnen brengen. Het betoog van [appellant sub 2] slaagt niet. De individuele gronden en argumenten van [appellant sub 3] 6. [appellant sub 3] woont aan de [locatie 1] te Deurne.

Aan de gronden is de bestemming "Agrarisch" met onder meer de aanduiding "wetgevingszone - woning met persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend. Gelet op de omstandigheid dat het gebouw dat als woning wordt gebruikt aan de [locatie 1] niet solitair gelegen is, heeft de raad zich in 2014 op het standpunt gesteld dat de gronden waarop dit gebouw staat niet in aanmerking kwamen voor een woonbestemming. De voormalige noodwoning voldeed namelijk niet aan een van de in stap 5 van de "Beoordelingsladder noodwoningen" opgenomen eisen. Die eis hield in dat een voormalige noodwoning niet in aanmerking kwam voor een woonbestemming als deze niet solitair gelegen was.

De Afdeling ziet geen aanleiding om thans tot het oordeel te komen dat de raad, ondanks het door hem gevoerde beleid om zo min mogelijk burgerbewoning in het buitengebied toe te staan, de woonrechten van [appellant sub 3] ter plaatse bij de vaststelling van het voorliggende plan had moeten uitbreiden. Voor zover [appellant sub 3] wijst op een vergunning die is verleend voor de uitbreiding van een ligboxenstal, overweegt de Afdeling dat deze vergunning betrekking heeft op uitbreiding van bedrijfsruimte en niet mede is aangevraagd voor gebruik voor (niet-bedrijfsmatige) bewoning.

Reeds om die reden komt aan deze vergunning geen betekenis toe. Gelet op al het voorgaande heeft de raad het gebruik van het gebouw aan de [locatie 1] te Deurne als woning in redelijkheid wederom onder het persoonsgebonden overgangsrecht kunnen brengen. Het betoog van [appellant sub 3] slaagt niet. De individuele gronden en argumenten van [appellant sub 4] 7. [appellant sub 4] woont aan de [locatie 2] te Deurne. Aan de gronden is de bestemming "Agrarisch" met onder andere de aanduiding "wetgevingszone - woning met persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend.

Gelet op de omstandigheid dat het gebouw aan de [locatie 2] destijds in landbouwontwikkelingsgebied (LOG) was gelegen, heeft de raad zich in 2014 op het standpunt gesteld dat de gronden waarop het gebouw van [appellant sub 4] staat niet in aanmerking kwamen voor een woonbestemming. De voormalige noodwoning voldeed namelijk niet aan de in stap 4 van de "Beoordelingsladder noodwoningen" opgenomen eis. Die eis hield in dat een voormalige noodwoning niet in aanmerking kwam voor een woonbestemming als het gebouw in landbouwontwikkelingsgebied (LOG) lag.

De Afdeling ziet geen aanleiding om thans tot het oordeel te komen dat de raad, ondanks het door hem gevoerde beleid om zo min mogelijk burgerbewoning in het buitengebied toe te staan, de woonrechten van [appellant sub 4] ter plaatse bij de vaststelling van het voorliggende plan had moeten uitbreiden. Voor zover [appellant sub 4] er ter zitting op heeft gewezen dat de gronden waarop de voormalige noodwoning aan de [locatie 3] wel een woonbestemming hebben, overweegt de Afdeling dat aan die gronden reeds in het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening XXVII, woningen Lupinenweg", vastgesteld door de raad op 12 mei 1998 en, voor zover het de gronden ter plaatse van de [locatie 3] betreft, goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op 1 september 1998, een woonbestemming is toegekend.

Ook in het vorige plan was aan die gronden een woonbestemming toegekend. Nu de woning aan de [locatie 3] in het vorige plan al als zodanig was bestemd, hoefde deze bij de vaststelling van het voorliggende plan, anders dan de voormalige noodwoning van [appellant sub 4], dus niet aan de "Beoordelingsladder noodwoningen" te worden getoetst. Uit de vergunning waarop [appellant sub 4] zich beroept blijkt verder niet dat ter plaatse van de [locatie 2] permanente bewoning is toegelaten, zodat aan die vergunning reeds om die reden geen betekenis toekomt.

Gelet op al het voorgaande heeft de raad het gebruik van het gebouw aan de [locatie 2] te Deurne als woning in redelijkheid wederom onder het persoonsgebonden overgangsrecht kunnen brengen. Het betoog van [appellant sub 4] slaagt niet. De individuele gronden en argumenten van [appellant sub 6] 8. [appellant sub 6] woont aan de [locatie 4] te Deurne. Aan de gronden is de bestemming "Agrarisch" met onder andere de aanduidingen "overige zone - woonrechtzone voormalig LOG" en "wetgevingszone - woning met persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend. Gelet op de omstandigheid dat het gebouw destijds in landbouwontwikkelingsgebied (LOG) was gelegen, heeft de raad zich in 2014 op het standpunt gesteld dat de gronden waarop het gebouw van [appellant sub 6] staat niet in aanmerking kwamen voor een woonbestemming.

De voormalige noodwoning voldeed namelijk niet aan de in stap 4 van de "Beoordelingsladder noodwoningen" opgenomen eis. Die eis hield in dat een voormalige noodwoning niet in aanmerking kwam voor een woonbestemming als het gebouw in landbouwontwikkelingsgebied (LOG) lag. De Afdeling ziet geen aanleiding om thans tot het oordeel te komen dat de raad, ondanks het door hem gevoerde beleid om zo min mogelijk burgerbewoning in het buitengebied toe te staan, de woonrechten van [appellant sub 6] ter plaatse bij de vaststelling van het voorliggende plan had moeten uitbreiden.

Op 28 april 1967 is een vergunning verleend voor de ingebruikneming van een noodwoning aan de [locatie 5] te Zeilberg. Ter zitting is bevestigd dat deze vergunning ziet op het gebouw waarin [appellant sub 6] woont (lees: [locatie 4]). Gelet op de tekst van de vergunning, had deze echter geen betrekking op een planologische regeling. Met deze vergunning was permanente bewoning van het gebouw aan de [locatie 4] dus niet toegelaten. Reeds om die reden komt aan deze vergunning geen betekenis toe. Gelet op al het voorgaande heeft de raad het gebruik van het gebouw aan de [locatie 4] te Deurne als woning in redelijkheid wederom onder het persoonsgebonden overgangsrecht kunnen brengen.

Het betoog van [appellant sub 6] slaagt niet. De individuele gronden en argumenten van [appellant sub 5] 9. [appellant sub 5] is eigenaar van de gronden ter plaatse van de [locatie 6] te Deurne en het daar aanwezige gebouw. Aan de gronden is de bestemming "Agrarisch" met onder andere de aanduidingen "overige zone - woonrechtzone voormalig LOG" en "wetgevingszone - woning met persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend. Gelet op de omstandigheid dat het gebouw dat als woning wordt gebruikt destijds in landbouwontwikkelingsgebied (LOG) was gelegen, heeft de raad zich in 2014 op het standpunt gesteld dat de gronden waarop het gebouw staat niet in aanmerking kwamen voor een woonbestemming.

De voormalige noodwoning voldeed namelijk niet aan de in stap 4 van de "Beoordelingsladder noodwoningen" opgenomen eis. Die eis hield in dat een voormalige noodwoning niet in aanmerking kwam voor een woonbestemming als het gebouw in landbouwontwikkelingsgebied (LOG) lag. De Afdeling ziet geen aanleiding om thans tot het oordeel te komen dat de raad, ondanks het door hem gevoerde beleid om zo min mogelijk burgerbewoning in het buitengebied toe te staan, de woonrechten van [appellant sub 5] ter plaatse bij de vaststelling van het voorliggende plan had moeten uitbreiden.

De Afdeling heeft ter zitting vastgesteld dat op 19 maart 1980 een in rechte onaantastbare vergunning op grond van de Woningwet is verleend voor het veranderen - vergroten van een woning ter plaatse van perceel, kadastraal bekend gemeente Deurne sectie […], nr. […], plaatselijk gemerkt [locatie 6]. Daarmee is tevens het gebruik van het gebouw aan de [locatie 6] als woning vergund. Vaststaat verder dat in 1988 een nieuw planologisch regime, namelijk het bestemmingsplan "Buitengebied, Herziening IX, Correctieve Herziening", is vastgesteld en vervolgens in werking is getreden, waarin dit vergunde gebruik niet was opgenomen.

Ook in de opvolgende plannen van 2007 en 2014 was daarvan geen sprake. Na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime waarin bepaald gebruik niet is opgenomen, komt bij de vaststelling van een daarop volgend planologisch regime in beginsel geen doorslaggevende betekenis meer toe aan de onherroepelijke bouwvergunning waaruit dat gebruiksrecht voortvloeide (vergelijk onder 3.1 van de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4439). De enkele omstandigheid dat [appellant sub 5] over een bouwvergunning uit 1980 beschikt waaruit een gebruiksrecht voor wonen voortvloeide, leidt in dit geval dan ook niet tot het oordeel dat de raad dit recht als zodanig had moeten bestemmen.

Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het gebruik van het gebouw van [appellant sub 5] als woning al in de drie voorafgaande bestemmingsplannen van 1988, 2007 en 2014 al niet meer als zodanig was bestemd. Gelet op al het voorgaande heeft de raad het gebruik van het gebouw aan de [locatie 6] te Deurne als woning in redelijkheid wederom onder het persoonsgebonden overgangsrecht kunnen brengen. Het betoog van [appellant sub 5] slaagt niet. De individuele gronden en argumenten van [appellant sub 7] 10. [appellant sub 7] woont aan het [locatie 7].

Aan de gronden is de bestemming "Agrarisch" met onder andere de aanduidingen "overige zone - woonrechtzone voormalig LOG" en "wetgevingszone - woning met persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend. Gelet op de omstandigheid dat het gebouw destijds in landbouwontwikkelingsgebied (LOG) was gelegen, heeft de raad zich in 2014 op het standpunt gesteld dat de gronden waarop het gebouw staat niet in aanmerking kwamen voor een woonbestemming. De voormalige noodwoning voldeed namelijk niet aan de in stap 4 van de "Beoordelingsladder noodwoningen" opgenomen eis.

Die eis hield in dat een voormalige noodwoning niet in aanmerking kwam voor een woonbestemming als het gebouw in landbouwontwikkelingsgebied (LOG) lag. De Afdeling ziet geen aanleiding om thans tot het oordeel te komen dat de raad, ondanks het door hem gevoerde beleid om zo min mogelijk burgerbewoning in het buitengebied toe te staan, de woonrechten van [appellant sub 7] ter plaatse bij de vaststelling van het voorliggende plan had moeten uitbreiden. Door [appellant sub 7] zijn geen op een vergunning betrekking hebbende stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat eerder ter plaatse van het [locatie 7] permanente burgerbewoning was toegelaten.

De enkele omstandigheid dat de woning aan het [locatie 8] zeer nabij het perceel van [appellant sub 7] ligt, geeft voor de Afdeling geen aanleiding anders te oordelen dan hetgeen hiervoor al is overwogen met betrekking tot die woning. Gelet op al het voorgaande heeft de raad het gebruik van het gebouw aan het [locatie 7] te Deurne als woning in redelijkheid wederom onder het persoonsgebonden overgangsrecht kunnen brengen. Het betoog van [appellant sub 7] slaagt niet. De individuele gronden en argumenten van [appellant sub 8] 11. [appellant sub 8] woont aan de [locatie 9] te Deurne.

Aan de gronden is de bestemming "Agrarisch" en zijn onder andere de aanduidingen "bedrijfswoning uitgesloten" en "wetgevingszone -woning met persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2718, heeft overwogen, heeft de raad het gebruik van het gebouw van [appellant sub 8] als woning in het bestemmingsplan "Tweede herziening bestemmingsplan Buitengebied", dat op 28 januari 2014 door de raad is vastgesteld, aan de hand van de "Beoordelingsladder noodwoningen", destijds in redelijkheid onder het persoonsgebonden overgangsrecht kunnen brengen.

De Afdeling overwoog over de toetsing aan de "Beoordelingsladder noodwoningen" dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat toetsing aan de beoordelingsladder leidt tot de slotsom dat agrarische bebouwing wordt bewoond en dat overeenkomstig punt 3 van de beoordelingsladder in zo'n geval persoonsgebonden overgangsrecht wordt opgenomen. De Afdeling ziet geen aanleiding om thans tot het oordeel te komen dat de raad, ondanks het door hem gevoerde beleid om zo min mogelijk burgerbewoning in het buitengebied toe te staan, de woonrechten van [appellant sub 8] ter plaatse bij de vaststelling van het voorliggende plan had moeten uitbreiden.

In wat [appellant sub 8] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om over het nu voorliggende plan tot een ander oordeel te komen, nu niet is gebleken van nieuwe of gewijzigde omstandigheden. Voor zover [appellant sub 8] in dit verband wijst op een vergunning die op 30 januari 1969 is verleend voor de bouw van de champignonkwekerij die thans gevestigd is aan de [locatie 9], overweegt de Afdeling dat deze vergunning betrekking heeft op een bedrijfsruimte en dat [appellant sub 8] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem, in tegenstelling tot het betoog van de raad, toestemming is verleend voor het gebruik van deze bedrijfsruimte voor permanente (niet-bedrijfsmatige) bewoning.

Gelet op al het voorgaande heeft de raad het gebruik van het gebouw aan de Hemelrijksweg 24 te Deurne als woning in redelijkheid onder het persoonsgebonden overgangsrecht kunnen brengen. Het betoog van [appellant sub 8] slaagt niet. De individuele gronden en argumenten van [appellant sub 9] 12. [appellant sub 9] is eigenaar van de gronden ter plaatse van de [locatie 10] te Deurne en het daar aanwezige gebouw. Aan de gronden aan de [locatie 10] is de bestemming "Agrarisch" met onder andere de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - pelsdierhouderij" en "overige zone - woonrechtzone voormalig LOG" toegekend.

De Afdeling stelt vast dat - anders dan [appellant sub 9] heeft gesteld - aan de gronden waarop het gebouw aan de [locatie 10] staat niet de aanduiding "wetgevingszone - woning met persoonsgebonden overgangsrecht" is toegekend en dat het gebruik van het aldaar aanwezige gebouw als woning derhalve niet onder het persoonsgebonden overgangsrecht op grond van artikel 34, lid 34.3, van de planregels is gebracht. Voor het gebruik van het gebouw aan de [locatie 10] als woning is evenmin anderszins een planologische regeling getroffen. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de bewoning van het gebouw aan de [locatie 10] al lange tijd geleden is gestaakt en dat de voormalige bewoners op 20 december 2011 zijn uitgeschreven uit de registers van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. [appellant sub 9] heeft het gestelde niet, althans onvoldoende, gemotiveerd bestreden.

In verband hiermee heeft de raad in het bestemmingsplan "Tweede herziening bestemmingsplan Buitengebied" vastgesteld op 28 januari 2014, gelet op (punt 2 van) de "Beoordelingsladder noodwoningen" geen planologische regeling getroffen voor het gebruik. Door [appellant sub 9] zijn geen op een vergunning betrekking hebbende stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat eerder ter plaatse permanente bewoning was toegelaten. Voorts overweegt de Afdeling dat de door [appellant sub 9] aangevoerde sluiting op termijn van zijn pelsdierhouderij niet in het plan is voorzien.

Hierin is derhalve reeds hierom geen aanleiding gelegen voor het oordeel dat de raad nu in afwijking van zijn beleid ter plaatse bewoning had moeten toestaan. Gelet op al het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen planologische regeling hoeven treffen voor het gebruik van het gebouw aan de [locatie 10] te Deurne als woning. Het betoog van [appellant sub 9] slaagt niet. Conclusie 13. De in deze uitspraak besproken beroepen zijn ongegrond. Proceskosten 14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier. w.g. Minderhoud w.g. Matulewicz lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2020 45-880.