Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2020:499 ECLI:NL:RVS:2020:499 AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:499 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2020:499
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201900827/3/R4. Datum uitspraak: 19 februari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend te Sambeek, gemeente Boxmeer, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 januari 2019 in zaak nr. 18/1766 in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B] en het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer. Procesverloop Bij tussenuitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3413, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 3 juli 2018 te herstellen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:24 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2020:499 · Raad van State: Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. 4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het college bij het besluit van 19 november 2019 ten onrechte een last heeft opgelegd om de tweede uitrit op het perceel te verwijderen. Zij voeren aan dat het college tijdens de zitting bij de Afdeling van 1 augustus 2019 heeft bevestigd dat de uitweg geen onderwerp van geschil meer was en dat het college akkoord is met de bestaande situatie.

Keywords

AI generated
artikel 6:24 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:24 van de Awb
Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:3413
201900827/1/A1. Datum uitspraak: 9 oktober 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend te Sambeek, gemeente Boxmeer, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 januari 2019 in zaak nr. 18/1766 in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B] en het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer. Procesverloop Bij besluit van 27 maart 2018 heeft het college, voor zover hier van belang, [appellant A] en [appellant B] onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen acht weken na verzending van dit besluit het bijgebouw op het perceel aan de [locatie] te Sambeek geheel, dan wel gedeeltelijk (tot aan de kadastrale grens) te verwijderen.
ECLI:NL:RVS:2016:2367
de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Precimax Special Products B.V., NWL Netherlands Productions B.V.
ECLI:NL:RVS:2018:3620
Landgoed Sollewerf B.V. en [appellant sub 1B], gevestigd respectievelijk wonend te Beekbergen, gemeente Apeldoorn, (hierna tezamen en in enkelvoud: Landgoed Sollewerf) 2. het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 mei 2017 in zaak nr. 16/6851 in het geding tussen: Landgoed Sollewerf en het college. Procesverloop Bij besluit van 6 april 2016 heeft het college Landgoed Sollewerf gelast: a. het verhuren van de woning (Charming lodge) als recreatiewoning en; b. het verhuren van de voor bewoning geschikt gemaakte bijgebouwen als recreatiewoning, Hunting lodge (B1) en Unique cottage (B2); op het perceel Solleweg 50 te Beekbergen (hierna: het perceel), kadastraal bekend gemeente Beekbergen, sectie I, nummers 1504 en 1503 te beëindigen en beëindigd te houden; c. het geplaatste hekwerk op het perceel, kadastraal bekend gemeente Beekbergen, sectie I nummers 2809 en 2810, te verwijderen en verwijderd te houden; d. de (zwem)vijver op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden; e. het vernieuwde, vergrote en voor bewoning geschikt gemaakte bestaande bijgebouw (Unique cottage) op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden; f. de twee nieuwe bijgebouwen waarvan er één geschikt is gemaakt voor bewoning (Hunting lodge) in strijd met het bestemmingsplan "Stuwwalrand Parkzone Zuid"(F1) en de andere wordt gebruikt voor opslag (F2) op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 21.000,00 per maand met een maximum van € 126.000,00 met betrekking tot punt a van de last, een dwangsom van € 24.000,00 per maand met een maximum van € 144.000,00 met betrekking tot punt B1, een dwangsom van € 15.000,00 per maand met een maximum van € 90.000,00 met betrekking tot punt B2, een dwangsom van € 5.000,00 per maand met een maximum van € 30.000,00 met betrekking tot punt C, een dwangsom van € 5.000,00 per maand met een maximum van € 30.000,00 met betrekking tot punt D, een dwangsom van € 25.000,00 per maand met een maximum van € 150.000,00 met betrekking tot punt E, een dwangsom van € 25.000,00 per maand met een maximum van € 150.000,00 met betrekking tot punt F1 en een dwangsom van € 10.000,00 per maand met een maximum van € 60.000,00 met betrekking tot punt F2.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201900827/3/R4. Datum uitspraak: 19 februari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend te Sambeek, gemeente Boxmeer, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 januari 2019 in zaak nr. 18/1766 in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B] en het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer. Procesverloop Bij tussenuitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3413, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 3 juli 2018 te herstellen.

Deze tussenuitspraak is aangehecht. Bij brief van 21 november 2019 heeft het college medegedeeld dat het op 19 november 2019 een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen naar aanleiding van de tussenuitspraak. [appellant A] en [appellant B] hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, hun zienswijze daarop naar voren gebracht. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Overwegingen De tussenuitspraak 1.

De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak geoordeeld dat de bij het besluit van 3 juli 2018 gehandhaafde last onder dwangsom om het bijgebouw op het perceel aan de [locatie] te Sambeek geheel, dan wel gedeeltelijk (tot aan de kadastrale grens) te verwijderen, in strijd is met de rechtszekerheid, omdat de grondslag en de motivering van de last enerzijds en de last anderzijds niet op elkaar aansluiten. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen het geconstateerde gebrek in het besluit van 3 juli 2018 te herstellen binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen onder 2.2 en 5 van de tussenuitspraak is overwogen.

Het college diende daartoe een gewijzigd besluit te nemen op het door [appellant A] en [appellant B] gemaakte bezwaar en de last aan de laten sluiten op de grondslag en de motivering van de last.

2. Gelet op wat in de tussenuitspraak van 9 oktober 2019 is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Beoordeling besluit van 19 november 2019 3. Bij besluit van 19 november 2019 heeft het college de opgelegde last onder dwangsom herroepen en een nieuwe last opgelegd. Het college heeft [appellant A] en [appellant B] opgedragen het bijgebouw inclusief fundering te verwijderen en verwijderd te houden ens de tweede uitrit te verwijderen en verwijderd te houden.

Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. 4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het college bij het besluit van 19 november 2019 ten onrechte een last heeft opgelegd om de tweede uitrit op het perceel te verwijderen. Zij voeren aan dat het college tijdens de zitting bij de Afdeling van 1 augustus 2019 heeft bevestigd dat de uitweg geen onderwerp van geschil meer was en dat het college akkoord is met de bestaande situatie.

Volgens hen heeft het college dit ook schriftelijk bevestigd. De last om de tweede uitrit te verwijderen is daarom in strijd met wat tijdens de zitting bij de Afdeling is besloten, aldus [appellant A] en [appellant B]. 4.1. De Afdeling overweegt dat het betoog van [appellant A] en [appellant B] een uitbreiding is van wat zij in hoger beroep hebben aangevoerd en dat zij daarmee hun beroepsgronden hebben uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2367, kan, gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partij, in het licht van de goede procesorde niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die al tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht.

Nu de last om de tweede uitrit op het perceel te verwijderen bij het besluit van 3 juli 2018 werd gehandhaafd, wijkt het besluit van 19 november 2019 op dit punt niet af van dat besluit. Dit betekent dat wat [appellant A] en [appellant B] in dit opzicht aanvoeren, buiten inhoudelijke bespreking blijft. Overigens blijkt uit het proces-verbaal dat [appellant A] en [appellant B] tijdens de zitting hebben verklaard dat de last onder dwangsom niet meer gaat over de tweede uitrit, maar uit het proces-verbaal blijkt niet dat het college deze opvatting van [appellant A] en [appellant B] tijdens de zitting heeft bevestigd.

Het betoog faalt. 5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de bij het besluit van 19 november 2019 opgelegde last om het bijgebouw inclusief fundering te verwijderen en verwijderd te houden te verstrekkend is. Zij voeren aan dat het bijgebouw alleen in strijd is met het bestemmingsplan voor zover het binnen de bestemmingen "Groen" en "Agrarisch" is gelegen. Een bijgebouw kan, voor zover het binnen de bestemming "Wonen" gelegen is, op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) vergunningsvrij gebouwd worden.

De overtreding kan daarom worden beëindigd door het bijgebouw te verwijderen, voor zover het gelegen is binnen de bestemmingen "Groen" en "Agrarisch", aldus [appellant A] en [appellant B]. 5.1. De omstandigheid dat bepaalde delen van het bijgebouw wellicht niet in strijd met het bestemmingsplan zijn en op gronden met de bestemming "Wonen" wellicht zonder vergunning een bijgebouw mag worden gebouwd, doet er niet aan af dat het bijgebouw zoals dat is gerealiseerd in strijd is met het bestemmingsplan en voor het afwijken daarvan geen vergunning is verleend.

De last strekt ertoe die overtreding ongedaan te maken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3620, bestaat er geen algemene plicht voor het college om stil te staan bij de vraag of door middel van het treffen van bepaalde maatregelen of voorzieningen een overtreding mogelijk gedeeltelijk kan worden gelegaliseerd en de last, bij een bevestigende beantwoording van die vraag, te beperken tot het beëindigen van het niet-legaliseerbare deel van de overtreding. Dat zou mogelijk anders kunnen zijn in geval ten tijde van de besluitvorming de betrokkene aan het college kenbaar maakt de overtreding door middel van het treffen van bepaalde maatregelen of voorzieningen gedeeltelijk te willen legaliseren of aangeeft van mening te zijn dat met het treffen van bepaalde maatregelen of voorzieningen geen vergunning is vereist voor het bijgebouw.

Die situatie doet zich hier echter niet voor, omdat uit de stukken niet blijkt dat [appellant A] en [appellant B] ten tijde van de besluitvorming aan het college een concreet bouwplan kenbaar hebben gemaakt op grond waarvan zij het bijgebouw zodanig wilden aanpassen dat daarvoor geen vergunning meer vereist was. Dat betekent dat het college hen mocht gelasten om het gehele bijgebouw te verwijderen. Het betoog faalt. Conclusie 6. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de bij het besluit van 3 juli 2018 gehandhaafde last in strijd is met de rechtszekerheid, omdat de grondslag en de motivering van de last enerzijds en de last anderzijds niet op elkaar aansluiten.

Het college heeft dit gebrek in het besluit van 19 november 2019 hersteld. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 19 november 2019 is ongegrond.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 januari 2019 in zaak nr. 18/1766; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer van 3 juli 2018, kenmerk Z/18/671708 D/18/711150; V. verklaart het beroep tegen het besluit het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer van 19 november 2019, kenmerk Z/18/671708 D/19/824836, ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.362,50 (zegge: tweeduizend driehonderdtweeënzestig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 429,00 (zegge: vierhonderdnegenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier. w.g. Wortmann w.g. Van Roessel lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2020 457-884.