Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2020:381 ECLI:NL:RVS:2020:381 AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:381 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2020:381
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201901339/1/A3. Datum uitspraak: 5 februari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2019 in zaak nr. 16/6161 in het geding tussen: [appellant] en het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad). Procesverloop Bij besluit van 29 oktober 2015 heeft de raad het verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) openbaar te maken gedeeltelijk toegewezen. Bij besluit van 15 augustus 2016 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6 van het EVRM; ECLI:NL:RVS:2020:381 · Raad van State: Op 8 augustus 2018 heeft een openbare zitting met een inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. Nadat de raad naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank het nieuwe besluit had genomen en [appellant] daarop bij brieven van 11 oktober en 21 november 2018 had gereageerd, heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege bleef. Dit maakt niet dat de rechtbank in strijd heeft gehandeld met artikel 6 van het EVRM of de goede procesorde. De rechtbank heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld om te reageren op het nieuwe besluit. [appellant] heeft een zienswijze gegeven.

Keywords

AI generated
artikel 6 van het EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 6 van het EVRM
Dit maakt niet dat de rechtbank in strijd heeft gehandeld met artikel 6 van het EVRM of de goede procesorde.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:2601
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad), 2.
ECLI:NL:RVS:2012:BX2593
Procesverloop Bij besluit van 7 december 2009 heeft de minister naar aanleiding van een verzoek van [verzoeker] het bekwaamheidsdossier van de onderwijsinstelling het Luzac College te Alkmaar deels openbaar gemaakt en geweigerd een aantal gegevens uit dat dossier openbaar te maken. Bij besluit van 16 april 2010 heeft de staatssecretaris het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris met inachtneming van de uitspraak opnieuw op het door [verzoeker] gemaakte bezwaar beslist.
ECLI:NL:RVS:2002:AE5445
Procesverloop Bij besluit van 16 oktober 1997 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: appellante) het verzoek van de Vereniging van Arbeiders-radioamateurs (hierna: de VARA) om gegevens te verstrekken die betrekking hebben op de slagingscijfers, herkansingscijfers en/of percentages per rijschool, afgewezen. Bij besluit van 23 februari 1998 heeft appellante het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 15 maart 2001, verzonden op 22 mei 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat appellante binnen zes weken na de datum van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt.
ECLI:NL:RVS:2019:3375
het besluit van 20 september 2017, kenmerk BZW.1.17.0070.01/2017-Z33569, te herstellen op een wijze als bedoeld in rechtsoverweging 10; het nieuw genomen besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en aan de Afdeling toe te zenden. Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. H.C.P. Venema, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier. w.g. Van Eck w.g. Man voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2019 629. BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:51d Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.
ECLI:NL:RVS:2016:1138
201408568/1/A3. Datum uitspraak: 26 april 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 september 2014 in zaak nr. 14/1179 in het geding tussen: [wederpartij], wonend te Westervoort en de minister. Procesverloop Bij besluit van 18 september 2013 heeft de minister een verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) van [wederpartij] afgewezen. Bij besluit van 6 januari 2014 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2018:1873
201700632/1/A3. Datum uitspraak: 6 juni 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Het Lam Advocaten B.V., gevestigd te Den Haag, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 december 2016 in zaak nr. 15/620 in het geding tussen: Het Lam en de minister van Economische Zaken, thans de minister van Economische Zaken en Klimaat. Procesverloop Bij besluit van 26 juni 2014 heeft de minister drie verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) deels ingewilligd. Bij besluit van 12 december 2014 heeft de minister het door Het Lam daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en alsnog een groot aantal documenten openbaar gemaakt.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201901339/1/A3. Datum uitspraak: 5 februari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2019 in zaak nr. 16/6161 in het geding tussen: [appellant] en het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad). Procesverloop Bij besluit van 29 oktober 2015 heeft de raad het verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) openbaar te maken gedeeltelijk toegewezen. Bij besluit van 15 augustus 2016 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 14 september 2018 heeft de rechtbank, naar aanleiding van het door [appellant] tegen het besluit van 15 augustus 2016 ingestelde beroep, de raad in de gelegenheid gesteld een in die uitspraak geconstateerd gebrek aan dat besluit te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht. Bij besluit van 31 oktober 2018 heeft de raad naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank zes documenten openbaargemaakt. Bij uitspraak van 10 januari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 15 augustus 2016 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 augustus 2016 vernietigd en het beroep tegen het nieuwe besluit van 31 oktober 2018 ongegrond verklaard.

Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verleend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2019, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en mr. E.J.W. Reijnders, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Bij het Wob-verzoek van 4 september 2015 heeft [appellant] onder andere verzocht om informatie over het toevoegingenbeleid en de organisatie van de raad en over afspraken tussen de raad en advocatenkantoren.

Het Wob-verzoek bestaat uit dertig vragen en bevat het verzoek documenten openbaar te maken. De raad heeft bij het besluit van 29 oktober 2015 op het verzoek beslist. Daarbij heeft de raad het verzoek gedeeltelijk toegewezen en daartoe vragen van [appellant] beantwoord. De raad heeft [appellant] voor een deel van de vragen verwezen naar specifieke rubrieken op zijn website. Voor het overige heeft de raad het verzoek afgewezen. De raad heeft het besluit in bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft bij de tussenuitspraak geoordeeld dat niet was gebleken dat de raad was nagegaan of hij de verzochte informatie onder zich had.

De raad heeft daarop een nieuw besluit genomen en daarbij zes documenten gedeeltelijk openbaargemaakt. Bij de uitspraak van 10 januari 2019 heeft de rechtbank dit besluit rechtmatig geacht en het beroep van [appellant] daartegen ongegrond verklaard. Wetgeving 2. De relevante wetgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van de uitspraak. Beoordeling Procesrechtelijke vraagstukken 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om mondeling op een zitting op het nieuwe besluit te reageren.

Dit is in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en de goede procesorde, aldus [appellant]. 3.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. [appellant] heeft een beroepschrift en andere stukken bij de rechtbank kunnen indienen, waarin hij zijn visie op het besluit van 15 augustus 2016 heeft kunnen geven.

Op 8 augustus 2018 heeft een openbare zitting met een inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. Nadat de raad naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank het nieuwe besluit had genomen en [appellant] daarop bij brieven van 11 oktober en 21 november 2018 had gereageerd, heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege bleef. Dit maakt niet dat de rechtbank in strijd heeft gehandeld met artikel 6 van het EVRM of de goede procesorde. De rechtbank heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld om te reageren op het nieuwe besluit. [appellant] heeft een zienswijze gegeven.

Aldus heeft de rechtbank in overeenstemming met artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb gehandeld. Het betoog faalt. 4. [appellant] betoogt dat de raad naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank op grond van artikel 3, vierde lid, van de Wob contact met hem had moeten opnemen. 4.1. Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Wob verzoekt het bestuursorgaan de verzoeker zo spoedig mogelijk om zijn verzoek te preciseren en is het hem daarbij behulpzaam. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat niet was gebleken dat de raad was nagegaan of hij de verzochte informatie onder zich had.

De tussenuitspraak strekte er dus toe dat de raad zou nagaan of hij documenten onder zich had over de bestuurlijke aangelegenheid waarop het Wob-verzoek van [appellant] betrekking had. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak niet geoordeeld dat het Wob-verzoek onduidelijk was en dat de raad daarom aan [appellant] moest verzoeken zijn Wob-verzoek te preciseren en hem daarbij behulpzaam te zijn. Er bestaat daarom geen grond om te oordelen dat de raad naar aanleiding van de tussenuitspraak op grond van artikel 3, vierde lid, van de Wob contact met [appellant] had moeten opnemen.

Het betoog faalt. Vraagstukken met betrekking tot de Wob Omvang van het geding 5. Wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd over informatie betreffende de Q-koorts, de Faro ramp, het Juridisch Loket en het Openbaar Ministerie valt buiten de omvang van het geding, omdat het Wob-verzoek deze onderwerpen niet noemt. Deze gronden behoeven dan ook geen bespreking. In documenten neergelegde informatie - belang eerbiediging persoonlijke levenssfeer van advocaten 6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het algemeen belang bij openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van advocaten.

Document 1 6.1. [appellant] heeft verzocht om openbaarmaking van de namen van advocaten die behoren tot de 5% advocaten die in 2014 23% van de door de raad betaalde vergoedingen hebben ontvangen. De raad heeft met document 1 een overzicht daarvan gedeeltelijk openbaargemaakt. De namen en advocaatnummers zijn weggelakt op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. 6.1.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2601, staat de weigeringsgrond uit artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob eraan in de weg dat informatie openbaar wordt gemaakt waaruit de naam van een advocaat in combinatie met gegevens over zijn inkomen, of een deel daarvan, kunnen worden afgeleid.

Bij openbaarmaking van de namen en advocaatnummers van de advocaten, zoals verzocht door [appellant], kan, al dan niet in combinatie met nieuwe Wob-verzoeken, informatie over het inkomen van de advocaten in 2014 worden afgeleid. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat openbaarmaking van deze gegevens een ontoelaatbare inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer van de desbetreffende advocaten, waarvan het belang zwaarder weegt dan het algemene belang bij openbaarmaking. De verwijzing van [appellant] naar de uitspraken van de Afdeling van 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2593, en 17 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5445 geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat het in die zaken niet ging om inkomensgegevens van advocaten, maar om bekwaamheidsdossiers van een onderwijsinstelling onderscheidenlijk slagingscijfers van een rijschool.

Dat is in deze zaak niet aan de orde. Die zaken zijn daarom niet vergelijkbaar met deze zaak. Het betoog faalt. Documenten 2, 3 en 4 6.2. [appellant] heeft verzocht om openbaarmaking van het aantal toegekende uren aan bij het Passageproces betrokken advocaten, aan [advocaat A] voor de bijstand aan [zijn cliënt] en aan [advocaat B] voor de bijstand in de Amsterdamse zedenzaak. De raad heeft met de documenten 2, 3 en 4 overzichten daarvan gedeeltelijk openbaargemaakt. In ieder document is informatie weggelakt op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob zodat het aantal toegekende uren niet is te koppelen aan een specifieke advocaat. 6.2.1.

Gelet op wat is overwogen onder 6.1.1. heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat openbaarmaking van deze gegevens een ontoelaatbare inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer van de desbetreffende advocaten, waarvan het belang zwaarder weegt dan het algemene belang bij openbaarmaking. Uit document 2 kan bovendien het aantal toegekende extra uren worden afgeleid. Het forfaitaire bedrag dat per toegekend uur wordt vergoed, is openbare informatie. Aldus kan eenvoudig berekend worden wat de totale hoeveelheid toegekende uren is voor de strafzaken.

Hierdoor kan informatie over het inkomen van advocaten worden afgeleid. Het betoog faalt. Niet onder de raad berustende documenten / niet in bestaande documenten neergelegde informatie 7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat bepaalde informatie niet onder de raad berust dan wel niet in bestaande documenten is neergelegd. 7.1. De raad heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank zes documenten gedeeltelijk openbaargemaakt. De mededeling van de raad dat niet meer documenten onder hem berusten, komt de Afdeling niet ongeloofwaardig voor.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3375) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. De Afdeling is van oordeel dat [appellant], door in zijn algemeenheid enkel te stellen dat uit niets blijkt dat de raad onderzoek heeft gedaan, niet aannemelijk heeft gemaakt dat meer documenten onder de raad berusten.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen in de uitspraak van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1138, bevat de Wob bovendien geen verplichting om gegevens te vervaardigen die niet in bestaande documenten zijn neergelegd, ongeacht de mate van inspanning. De verwijzing van [appellant] naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1873, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat die zaak niet vergelijkbaar is met deze zaak. In die zaak bleek uit een brief dat er meer informatie moest zijn dan de minister van Economische Zaken en Klimaat had overgelegd.

Dat is in deze zaak niet aan de orde. Het betoog faalt. Conclusie 8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevallen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier. w.g. Van Altena w.g. Neuwahl voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2020 280-898. BIJLAGE Wet openbaarheid van bestuur Artikel 3 1 Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. 2 De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen. […] 4 Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan de verzoeker zo spoedig mogelijk om zijn verzoek te preciseren en is het hem daarbij behulpzaam. 5 Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Artikel 10 […] 2 Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: […] e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; […]