Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2020:306 ECLI:NL:RVS:2020:306 AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:306 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2020:306
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201905519/1/V2. Datum uitspraak: 29 januari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 16 juli 2019 in zaak nr. NL19.14160 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 13 juni 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:306 · Raad van State: 201905519/1/V2. Datum uitspraak: 29 januari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 16 juli 2019 in zaak nr. NL19.14160 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 13 juni 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:4200
201904651/1/V2. Datum uitspraak: 18 december 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juni 2019 in zaak nr. NL19.11187 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 7 mei 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 4 juni 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2019:2489
201900693/1/V2. Datum uitspraak: 18 juli 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 15 januari 2019 in zaken nrs. NL18.23723 en NL18.23726 in het geding tussen: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 10 december 2018 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2019:4202
201905739/1/V2. Datum uitspraak: 18 december 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 23 juli 2019 in zaak nr. NL19.11262 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 26 januari 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 23 juli 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201905519/1/V2. Datum uitspraak: 29 januari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 16 juli 2019 in zaak nr. NL19.14160 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 13 juni 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 16 juli 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F.J.E. Hogewind, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. In de grieven klaagt de staatssecretaris, kort samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ontoereikend heeft gemotiveerd waarom voor Hazara in Ghazni geen sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000.

2. Gelet op wat de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4200, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat in Ghazni in Afghanistan sprake is van een dergelijke uitzonderlijke situatie. Ook heeft de staatssecretaris terecht aangevoerd dat de omstandigheid dat de vreemdeling behoort tot de Hazarabevolkingsgroep hieraan niet afdoet, omdat individuele omstandigheden, zoals het behoren tot een etnische groep, geen rol spelen bij de beoordeling of er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 (zie de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2489). 2.1.

Hoewel hieruit voortvloeit dat de grieven terecht zijn voorgedragen, kan dit gelet op de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4202 niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leiden. De staatssecretaris moet immers, zoals de Afdeling in die uitspraak heeft overwogen, opnieuw bezien en duidelijk maken hoe hij het behoren tot de Hazarabevolkingsgroep betrekt bij de beoordeling van individuele asielrelazen.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier. w.g. Verheij w.g. Graat lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2020 307-897.