Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2020:2700 ECLI:NL:RVS:2020:2700 AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:2700 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2020:2700
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Vape4Life B.V., gevestigd te Amsterdam, 2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], wonend te Amsterdam, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 oktober 2019 in zaak nr. 18/6846 in het geding tussen: Vape4Life, [appellanten sub 2] en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 14 december 2017 heeft het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum Vape4Life onder aanzegging van bestuursdwang gelast om de exploitatie van de winkel aan de Oudezijds Voorburgwal 183 en de Oude Doelenstraat 6-8 te Amsterdam te staken en gestaakt te houden.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 5:21 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2020:2700 · Raad van State: Voor het gebruik als winkel is volgens Vape4Life op 22 juni 1992 een bouwvergunning met binnenplanse vrijstelling verleend. Op grond van die vergunning is dat gebruik nog steeds toegestaan en geldt volgens haar ook dat de deur aan de Oudezijds Voorburgwal voor winkeldoeleinden mag worden gebruikt. Het gebruik als winkel is volgens Vape4Life ook in overeenstemming met de planregels van het huidige bestemmingsplan. Het souterrain behoort volgens haar niet tot de bebouwing langs de gracht, maar tot de bebouwing aan de Oude Doelenstraat. De in artikel 7.5.3, onder a, van de planregels opgenomen beperking voor bebouwing langs grachten is daarom niet van toepassing, aldus Vape4Life.

Keywords

AI generated
artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 5:21 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht
Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.
artikel 5:21 van de Awb
Op grond van artikel 5:2, eerste lid, onder b, in samenhang met artikel 5:21 van de Awb moet een last gericht zijn op beëindiging van de overtreding.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:4439
201806108/1/A1. Datum uitspraak: 24 december 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend te Den Haag, 2. De Haagsche Brood Winkels B.V. en De Haagsche Bakkerij B.V., beide gevestigd te Den Haag en gezamenlijk handelend onder de naam [bakkerij] (hierna samen en in enkelvoud: [bakkerij]), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juni 2018 in zaak nr. 17/3994 in het geding tussen: [appellant sub 1] en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Procesverloop Bij besluit van 30 september 2016 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de panden aan de [locatie A] te Den Haag als brood- en banketbakkerij afgewezen. Bij besluit van 27 februari 2017 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 30 september 2016 herroepen en [bakkerij] onder aanzegging van een dwangsom gelast om de met het bestemmingsplan strijdige activiteiten bestaande uit het (af)bakken van brood en banket te staken. Bij besluit van 21 april 2017 heeft het college het besluit van 27 februari 2017 ingetrokken en het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 alsnog ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 21 april 2017 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld. [bakkerij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft een zienswijze en nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2019, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. M.C. Veltkamp-van Paassen, advocaat te Den Haag, [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Amerongen, zijn verschenen. Voorts is [bakkerij], vertegenwoordigd door mr. D. Korsse, advocaat te Den Haag, [gemachtigden], verschenen. De Afdeling heeft aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en heeft partijen om nadere inlichtingen gevraagd. [appellant sub 1], [bakkerij] en het college hebben een schriftelijke reactie gegeven. [appellant sub 1] en [bakkerij] hebben daarna gereageerd op de stukken van de andere partijen. Partijen hebben ingestemd met het achterwege laten van het houden van een nadere zitting. Daarop heeft de Afdeling het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding 1. [bakkerij] exploiteert een brood- en banketbakkerij en een bakkerswinkel aan de [locatie A] in Den Haag. [appellant sub 1] woont aan de [locatie B] en heeft het college op 28 juni 2016 verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van de panden als bakkerij, omdat hij daarvan nadelige gevolgen ondervindt en dit gebruik volgens hem in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingplan. Het handhavingsverzoek heeft geen betrekking op de bakkerswinkel. Het college heeft zich bij het besluit van 30 september 2016 op het standpunt gesteld dat het onbevoegd is om handhavend op te treden, omdat een overtreding zich volgens hem niet heeft voorgedaan. Het gebruik als bakkerij is toegestaan ingevolge de in het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" opgenomen gebruiksovergangsbepaling, aldus het college. Na dit besluit is, op 29 december 2016, het bestemmingsplan "Vogelwijk" in werking getreden. Vast staat dat gebruik als bakkerij van de panden [locatie A] in strijd is met de bestemming "Gemengd" die aan de gronden in dit bestemmingsplan is toegekend. Het college heeft bij besluit op bezwaar van 27 februari 2017 het besluit van 30 september 2016 herroepen en heeft een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat [bakkerij] de met het bestemmingsplan "Vogelwijk" strijdige productieactiviteiten moet beëindigen. [bakkerij] heeft hiertegen beroep bij de rechtbank ingesteld. Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het college bij het besluit van 21 april 2017 het besluit van 27 februari 2017 ingetrokken en het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 alsnog ongegrond verklaard, omdat is gebleken dat voor de bakkerij in het verleden bouwvergunningen zijn verleend, zodat het gebruik als bakkerij is vergund en het bestaande gebruik onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Vogelwijk" valt. [bakkerij] heeft hierop het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 27 februari 2017 ingetrokken. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik als bakkerij wordt beschermd door het overgangsrecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat het huidige gebruik van de panden aan de [locatie A] reeds ten tijde van de peildatum van 16 januari 1997 plaatsvond. Volgens de rechtbank kan niet worden gezegd dat dit gebruik niet onafgebroken is voortgezet of dat dit is vergroot ten opzichte van het gebruik op de peildatum. Relevante wettelijke bepalingen 2. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. Het hoger beroep van [appellant sub 1] 3. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [bakkerij] geen beroep kan doen op de beschermende werking van het overgangsrecht. [appellant sub 1] voert aan dat het gebruik als bakkerij sinds 16 januari 1997 niet steeds ongewijzigd is voortgezet. Het gebruik als bakkerij is in de periode tussen 2001 en 2015 onderbroken geweest, in ieder geval wat het pand [locatie A-1] betreft, zo stelt hij. Hij wijst erop dat in die periode aan de Badhuisstraat een centrale bakkerij voor de broodproductie werd geëxploiteerd. Het pand [locatie A-1] zou verder nagenoeg gedurende heel het jaar 2015 zijn gebruikt voor horeca. Ook is het gebruik door een faillissement eind 2015 tijdelijk gestaakt, zo stelt hij. De rechtbank heeft volgens [appellant sub 1] ook miskend dat het gebruik in de loop der jaren is geïntensiveerd, waardoor de afwijking van het geldende bestemmingsplan is vergroot. De rechtbank heeft volgens [appellant sub 1] miskend dat de omvang van het gebruik aanzienlijk is toegenomen. Door de intensivering van het gebruik van de panden zijn de (vrachtwagen)verkeers- bewegingen van en naar de bakkerij toegenomen en wordt er meer geladen en gelost en is de geluid- en geurhinder voor omwonenden aanzienlijk toegenomen, aldus [appellant sub 1]. Met name na de doorstart na het faillissement wordt door omwonenden aanzienlijk meer overlast van de bakkerij ondervonden dan voor die datum, aldus [appellant sub 1]. Volgens hem is het pand [locatie A-1] pas vanaf 2015 in gebruik genomen als bakkerij. Hij voert verder aan dat het aantal winkels waarvoor producten worden gebakken, is toegenomen. Hij wijst er verder nog op dat het bakken van zogenoemd ‘grootbrood’, te weten halve of hele broden, dat eerder ter plaatse was gestaakt, meer hinder voor de omgeving veroorzaakt dan het bakken van banket. 3.1. Bij de beoordeling of het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] ten tijde van het besluit op bezwaar van 21 april 2017 is toegestaan, is uitsluitend het bestemmingsplan "Vogelwijk", zoals dat is vastgesteld en in werking getreden, van betekenis. Aan de door [bakkerij] gestelde omstandigheid dat de raad in het bestemmingsplan "Vogelwijk" aan de percelen [locatie A] abusievelijk, wat daar verder ook van zij, een bestemming heeft toegekend die het gebruik als bakkerij niet toestaat, komt geen betekenis toe. Verder komt aan de in 1946, 1976, 1977, 1986 en 2001 verleende bouwvergunningen, voor zover die al zouden zijn verleend ten behoeve van een gebruik als bakkerij, geen zelfstandige betekenis toe na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime. Het is primair aan de raad van een gemeente om te bepalen welk gebruik op een perceel is toegestaan. De raad van een gemeente heeft de mogelijkheid om ander gebruik dan bestaand legaal gebruik toe te staan op gronden indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang daarbij zwaarder weegt dan gevestigde rechten en belangen. [1] Hiermee verdraagt zich niet dat aan door het college verleende bouwvergunningen wat betreft gebruik zelfstandige betekenis toekomt na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime. (Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC5236). Voor zover [bakkerij] heeft gesteld dat het gebruik als bakkerij van de panden is toegestaan op grond van een in 2018 verleende omgevingsvergunning, stelt de Afdeling vast dat die vergunning uitsluitend ziet op het op het dak aanbrengen van een zilveren kast met een oppervlakte van minder dan 1 m2. Aan de omstandigheid dat op de bouwtekening op de begane grond van het pand [locatie A-2] twee keer ‘bakkerij’ is vermeld, kan niet worden afgeleid dat ook voor het gebruik als bakkerij van de begane grond een omgevingsvergunning is aangevraagd en is verleend. Het bouwplan betreft immers niet de begane grond. Dat op de bouwtekening expliciet is vermeld dat [locatie A-1] en de eerste verdieping van de [locatie A-2] niet behoren tot de aanvraag, maakt niet dat toch moet worden geoordeeld dat het gebruik van de begane grond onderdeel uitmaakt van de aanvraag. 3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, dient degene die een beroep doet op het overgangsrecht, in dit geval het college, aan de hand van concrete en objectieve gegevens aannemelijk te maken dat het overgangsrecht inderdaad van toepassing is. 3.3. In artikel 27, tweede lid, onder 1, van de planregels van het bestemmingsplan "Vogelwijk" is bepaald dat gebruik dat in strijd is met de bestemming, is toegestaan, indien het bestond ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is op 29 december 2016 in werking getreden. Tussen partijen is niet in geschil dat op dat moment de percelen [locatie A] als bakkerij werden gebruikt. Verder is niet in geschil dat het gebruik van de percelen ten tijde van het besluit op bezwaar van 21 april 2017 niet afwijkt van dat op genoemde peildatum. Artikel 27, tweede lid, onder 4, heeft tot gevolg dat bestaand gebruik dat in strijd was met het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" niet onder het overgangsrecht valt. Dit betekent dat bestaand gebruik dat in strijd was met de in het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" aan gronden toegekende bestemming, maar op grond van de overgangsbepaling van dat bestemmingsplan was toegestaan, ook onder de reikwijdte van artikel 27, tweede lid, onder 1, van het bestemmingsplan "Vogelwijk" valt. Omdat het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] ook in strijd was met de ingevolge het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" op de percelen rustende bestemming "Gemengde doeleinden", is de in dit bestemmingsplan opgenomen gebruiksovergangsbepaling van belang. In artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" is bepaald dat bestaand gebruik dat in strijd is met het plan, mag worden voortgezet of worden gewijzigd in een ander gebruik, indien door deze wijziging de afwijking van het plan niet wordt vergroot. Om te beoordelen of het gebruik als bakkerij valt onder de beschermende werking van het overgangsrecht, neergelegd in artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996", moet worden bepaald wat het bestaande gebruik was op het tijdstip van het van kracht worden van dat bestemmingsplan. Het maakt, gezien de inhoud van artikel 27, tweede lid, onder 4, anders dan bij het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Vogelwijk", geen verschil of dat bestaande gebruik al dan niet was toegestaan op grond van de vóór het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" geldende planologische regelingen. 3.4. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" op 16 januari 1997 van kracht is geworden. Voor de vraag wat het bestaande gebruik was op deze peildatum is de feitelijke situatie bepalend. Het college heeft ervan mogen uitgaan dat vóór die datum verleende bouwvergunningen en het gebruik dat daaruit voortvloeit, voor het feitelijke gebruik een aanwijzing kunnen vormen. Tussen partijen is niet in geschil dat het pand [locatie A-2] op de peildatum van het vorige bestemmingsplan werd gebruikt als bakkerij. De Afdeling gaat daarvan ook uit. De Afdeling begrijpt de stelling van [appellant sub 1] dat het pand [locatie A-1] tot 2015 als magazijn werd gebruikt aldus dat hij betwist dat dat pand op de peildatum werd gebruikt als bakkerij. Bij besluit van 2 oktober 1986 heeft het college aan een rechtsvoorganger van [bakkerij] een bouwvergunning verleend voor verbouwing van de panden [locatie A]. Er is vergunning verleend om onder meer de winkel en bakkerij [locatie A-2] en de winkel [locatie A-1] te veranderen en vergroten tot een winkel met bakkerij en magazijn. Uit de bouwtekening blijkt dat de muur tussen de panden op [locatie A] wordt opengebroken, waardoor de begane grond van het pand [locatie A-1] bij de productieruimte van de bakkerij op [locatie A-2] wordt getrokken. In het pand [locatie A-1] is verder op de bouwtekening een rijskast ingetekend. Nog daargelaten dat ook een magazijn het gebruik als bakkerij kan betreffen, heeft de rechtbank, gelet op wat hiervoor staat, terecht overwogen dat met de vergunning het gebruik als bakkerij van het pand [locatie A-1] is toegestaan. Uit een proces-verbaal van opname blijkt dat op 6 januari 1986 is geconstateerd dat de wijzigingen hebben plaatsgevonden overeenkomstig de verleende bouwvergunning. Gelet hierop is aannemelijk dat het gebruik als bakkerij ten behoeve waarvan is gebouwd, zich toen voordeed. Nu niet in geschil is dat dat gebruik tot aan de peildatum is voortgezet, heeft de rechtbank terecht overwogen dat aannemelijk is gemaakt dat gebruik als bakkerij van de panden [locatie A] op de peildatum 16 januari 1997 plaatsvond. Het betoog faalt in zoverre. 3.5. Over de vraag of het gebruik als bakkerij sinds 16 januari 1997 ononderbroken is voortgezet, overweegt de Afdeling dat een onderbreking van het gebruik gedurende een periode van enige betekenis aan voortzetting van dat gebruik onder het overgangsrecht in de weg kan staan, waarbij de oorzaak van de onderbreking mede van betekenis is. De rechtsvoorganger van [bakkerij] die destijds de bakkerij en winkel exploiteerde, is op 3 november 2015 failliet gegaan. Als gevolg van het faillissement hebben de werkzaamheden van de bakkerij vanaf die datum tot 19 december 2015 stilgelegen. Op 6 november 2015 werd duidelijk dat de bedrijfsactiviteiten zouden worden voortgezet, zo komt uit de stukken naar voren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het faillissement, gelet op de korte periode waarin geen werkzaamheden hebben plaatsgevonden en de voorgenomen doorstart van de bedrijfsactiviteiten, er niet toe heeft geleid dat het gebruik als bakkerij voor de toepassing van het overgangsrecht als onderbroken moet worden aangemerkt. Het betoog faalt in zoverre. 3.6. [appellant sub 1] heeft over de door hem gestelde onderbreking van het gebruik als bakkerij tussen 2008 en 2015 aangevoerd dat in die periode elders in Den Haag een bakkerij werd geëxploiteerd. Ter onderbouwing van dit betoog heeft hij onder meer gewezen op krantenartikelen uit die periode en een passage in het boek "Een Haagse oase aan Zee" van november 2008, waarin staat dat er geen brood meer wordt gebakken aan de Mezenlaan. Vast staat dat in de door [appellant sub 1] genoemde periode een bakkerij aan de Badhuisstraat in Den Haag werd geëxploiteerd. De omstandigheid dat elders een bakkerij werd geëxploiteerd, betekent echter nog niet dat in de panden aan de [locatie A] geen bakkerij-activiteiten werden uitgeoefend. Niet in geschil is dat op de [locatie A-2] in die periode in ieder geval banket werd geproduceerd. Anders dan waarvan [appellant sub 1] uitgaat, is het bakken van banket ook te beschouwen als gebruik als bakkerij. De gestelde omstandigheid dat ter plaatse geen grootbrood werd gebakken, leidt dan ook niet tot het oordeel dat het gebruik als bakkerij was onderbroken. [appellant sub 1] heeft gesteld dat het gebruik als bakkerij van het perceel [locatie A-1] in 2015 gedurende enige tijd is gestaakt, omdat (een gedeelte van) dat pand zou zijn gebruikt als lunchroom en als ruimte voor het houden van verjaardagsfeestjes en workshops. Deze stelling, wat daar verder ook van zij, leidt evenmin tot de conclusie dat het gebruik als bakkerij onderbroken is geweest. De panden [locatie A] staan vanaf het moment dat ter uitvoering van de in 1986 verleende bouwvergunning een deel van de muur tussen deze panden is verwijderd, immers met elkaar in verbinding en het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] dient, mede gelet op de inhoud van die vergunning, vanaf dat moment als één geheel te worden beschouwd. Nu niet in geschil is dat steeds banket werd gebakken aan de Mezenlaan, is de rechtbank terecht ervan uitgegaan dat het gebruik als bakkerij ononderbroken is voortgezet. Het betoog faalt in zoverre. 3.7. Wat betreft de door [appellant sub 1] gestelde intensivering van het gebruik als bakkerij overweegt de Afdeling dat gebruik dat op de peildatum bestaat, onder de beschermende werking van artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" mag worden voortgezet. Het gebruik mag worden gewijzigd, zolang de afwijking van het geldende plan niet wordt vergroot. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 19 december 2001 (ECLI:NL:RVS:2001:AD8891) moet een intensivering van het gebruik als een verandering daarvan worden aangemerkt. Vergelijk voorts de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA2682), waarin de Afdeling heeft overwogen dat intensivering van het gebruik een vergroting van de afwijking van het bestemmingsplan naar de aard meebrengt. Voor de toepassing van artikel 18, tweede lid, van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" gaat het erom of het gebruik op de datum van van krachtwording van dat bestemmingsplan nadien niet is geïntensiveerd. Het gebruik op die datum moet worden vergeleken met het gebruik dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingplan "Vogelwijk". 3.8. Een geslaagd beroep op het in artikel 18, tweede lid, neergelegde overgangsrecht (en daarmee op artikel 27, tweede lid, onder 1, van het bestemmingsplan "Vogelwijk") kan worden gedaan, indien aannemelijk wordt gemaakt dat het strijdig gebruik, na eerdere intensivering daarvan, is teruggebracht naar het gebruik zoals dat bestond op de peildatum en waarvan de aard niet is veranderd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ2631). Voor zover [bakkerij] heeft gesteld dat het gebruik niet is geïntensiveerd reeds omdat de bakkerij-activiteiten steeds tot dezelfde categorie bedrijven van de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering" hebben behoord, wordt overwogen dat daaraan, wat daar ook van zij, geen betekenis toekomt, aangezien de feitelijke ruimtelijke gevolgen bepalend zijn voor de toepassing van het overgangsrecht. Bij het besluit op bezwaar van 21 april 2017 heeft het college niet gemotiveerd waarom het zich op het standpunt stelt dat het gebruik als bakkerij in ruimtelijk relevant opzicht gelijk is gebleven. Zoals hiervoor is overwogen, hoeft een enkele intensivering van het gebruik niet aan een geslaagd beroep op het gebruiksovergangsrecht in de weg te staan als het gebruik op de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Vogelwijk" in ruimtelijk opzicht gelijk is aan dat van het gebruik op de peildatum. Niet is gebleken dat het college heeft onderzocht wat op die data de omvang van het gebruik en de ruimtelijke uitstraling daarvan waren. [bakkerij] heeft te kennen gegeven dat tussen 1997 en 2015 jaarlijks ongeveer 4.000 à 5.000 kg aan grondstoffen in de bakkerij is verwerkt. Naar zij stelt, werkten er tussen 2000 en 2015 steeds vier tot vijf bakkers op de Mezenlaan en werd er gebakken voor acht winkels, vijftien horecazaken en enkele hotels in Den Haag. Na het faillissement van haar rechtsvoorganger is vanaf december 2015 nog maar voor drie winkels en een restaurant gebakken, aldus [bakkerij]. [bakkerij] heeft ter zitting te kennen gegeven dat er nog stukken ter ondersteuning van haar stellingen bij de curator liggen vanwege de afwikkeling van het faillissement. De door [bakkerij] wel in de procedure ingebrachte stukken bevatten informatie over een levering van producten en vrachtwagenbewegingen, maar betreffen slechts de jaren 2013-2015. Deze stukken geven dan ook, anders dan waarvan de rechtbank lijkt te zijn uitgegaan, geen informatie over de omvang van het gebruik als bakkerij op de van belang zijnde data. Aan de door [bakkerij] gedane stellingen over de omvang van het gebruik komt niet de betekenis toe die zij daaraan toegekend wil zien, omdat deze stellingen niet met verifieerbare gegevens zijn onderbouwd. Daarbij is mede van belang dat er aanwijzingen zijn dat het gebruik mogelijk wel is geïntensiveerd. Het college heeft in 2018 aan [bakkerij] een omgevingsvergunning verleend, waarin staat dat de bakkerij in de afgelopen jaren gestaag is gegroeid in zijn activiteiten. Dit komt overeen met de strekking van de door [appellant sub 1] overgelegde schriftelijke verklaringen van omwonenden, waarin deze stellen dat de hinder van de activiteiten ter plaatse is toegenomen. Gelet op het vorenstaande heeft het college in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), ontoereikend gemotiveerd dat dat gebruik als bakkerij onder het overgangsrecht valt. Het college heeft bij de voorbereiding van zijn besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. 4. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [bakkerij] 5. [bakkerij] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het beroep van [appellant sub 1] gegrond is. Zij betoogt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak een verkeerde peildatum heeft gehanteerd voor de toepassing van het overgangsrecht. Niet de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996", te weten 16 januari 1997, is daarvoor bepalend, maar alleen de datum van inwerkingtreding van het geldende bestemmingsplan "Vogelwijk". Daartoe voert zij aan dat na deze datum een bouwvergunning voor de bakkerij is verleend, namelijk op 27 juli 2001, en haar in verband hiermee niet de strijdigheid van het gebruik met de bestemming kan worden tegengeworpen. Zij verwijst ter onderbouwing van haar betoog naar de uitspraak van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:203. 5.1. Zoals onder 3.3 is overwogen, is de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996", 16 januari 1997, van betekenis voor de vraag of een beroep kan worden gedaan op het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan "Vogelwijk". Zoals onder 3.1 is overwogen, komt aan de in 2001 verleende bouwvergunning geen zelfstandige betekenis toe. De uitspraak van 24 januari 2018, waarop [bakkerij] heeft gewezen, ziet op een andere kwestie dan hier aan de orde. In die uitspraak ging het om de vaststelling van een bestemmingsplan, waarbij de raad van een gemeente een perceel niet had bestemd overeenkomstig het bestaande gebruik waarvoor een vergunning was verleend, terwijl in beginsel dergelijk gebruik als zodanig in het bestemmingsplan dient te worden bestemd. De vraag of in het bestemmingsplan "Vogelwijk" aan het perceel de juiste bestemming is gegeven, had destijds in de procedure over de vaststelling van dat bestemmingsplan kunnen worden opgeworpen en ligt nu niet ter beoordeling voor. Het betoog faalt. 6. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [bakkerij] is ongegrond. Conclusie 7. Zoals hiervoor is overwogen, is het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond en is het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [bakkerij] ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 21 april 2017 alsnog gegrond verklaren. De Afdeling ziet aanleiding het besluit op bezwaar van 21 april 2017 te vernietigen slechts voor zover daarbij het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 ongegrond is verklaard. Dit betekent dat het besluit van 21 april 2017 in stand blijft voor zover daarbij het besluit op bezwaar van 27 februari 2017 is ingetrokken. Door het besluit in zoverre in stand te laten, wordt voorkomen dat het ingetrokken besluit op bezwaar van 27 februari 2017, waarbij aan [bakkerij] een last onder dwangsom is opgelegd, herleeft zonder dat [bakkerij] daartegen nog een rechtsmiddel kan aanwenden. 7.1. Het college dient, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016. Daarbij dient het college te onderzoeken of het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] op 29 december 2016, de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Vogelwijk" ten opzichte van het gebruik op de peildatum 16 januari 1997 al dan niet is geïntensiveerd. Bij de beantwoording van de vraag of het gebruik is geïntensiveerd, moet worden beoordeeld of de ruimtelijke uitstraling van het gebruik al dan niet zodanig is gewijzigd dat de afwijking van het bestemmingsplan is vergroot. Het college dient zijn nieuwe besluit op bezwaar te voorzien van een toereikende motivering. 7.2. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. Proceskosten 8. Het college wordt op na te melden wijze veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1]. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond; II. verklaart het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van De Haagsche Brood Winkels B.V. en De Haagsche Bakkerij B.V. ongegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juni 2018 in zaak nr. 17/3994; IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 21 april 2017, kenmerk B.2.16.2909.001, voor zover daarbij het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard; VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.560,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht tot een bedrag van € 506,00 (zegge: vijfhonderdzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier. w.g. Scholten-Hinloopen voorzitter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2019 163-687. BIJLAGE Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, luidt: "Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]." Bestemmingsplan "Vogelwijk" Artikel 3, eerste lid, luidt: "De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. bed & breakfast; uitsluitend op de begane grondlaag: c. dienstverlening; d. maatschappelijk; en ter plaatse van de functieaanduiding en uitsluitend op de begane grond: e. "detailhandel" (dh) tevens voor detailhandel; f. "atelier" (atl) tevens voor een atelier; één en ander zoals nader bepaald in artikel 3.3 en met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen, gebouwde en ongebouwde parkeervoorzieningen, groen, water en overige voorzieningen." Artikel 27, tweede lid, luidt: "1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het tweede lid onder 1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; 3. Indien het gebruik, bedoeld in het tweede lid onder 1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; 4. Het tweede lid onder 1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan;" Bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" Artikel 6, eerste lid, luidt: "Aan de gronden, welke blijkens de plankaart als zodanig zijn bestemd, zijn de volgende doeleinden toegekend: - woondoeleinden met bijbehorende voorzieningen; - detailhandel, aan detailhandel verwant dienstverlening in publiekgerichte dienstverlening op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch of kosmetisch gebied, uitsluitend op de begane grondlaag. […]." Artikel 18, tweede lid, luidt: "Op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestaand gebruik van de in het plan begrepen gronden en/of daarop staande opstallen, dat in strijd is met het plan, mag worden voortgezet of worden gewijzigd in een ander gebruik, indien door deze wijziging de afwijking van het plan niet wordt vergroot." ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ [1] Dit kan wanneer zicht bestaat op beëindiging van het gebruik binnen de planperiode. Met het toestaan van ander gebruik wordt het bestaande gebruik onder het overgangsrecht gebracht. Dat heeft naar zijn aard een tijdelijk karakter.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201908188/1/R1. Datum uitspraak: 11 november 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. Vape4Life B.V., gevestigd te Amsterdam, 2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], wonend te Amsterdam, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 oktober 2019 in zaak nr. 18/6846 in het geding tussen: Vape4Life, [appellanten sub 2] en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 14 december 2017 heeft het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum Vape4Life onder aanzegging van bestuursdwang gelast om de exploitatie van de winkel aan de Oudezijds Voorburgwal 183 en de Oude Doelenstraat 6-8 te Amsterdam te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 2 oktober 2018 heeft het college het door Vape4Life daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit herroepen voor zover daarin is gelast het gebruik van het perceel Oude Doelenstraat 6-8 als detailhandel te staken. Het college heeft het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard en het besluit van 14 december 2017 gehandhaafd. Bij uitspraak van 2 oktober 2019 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep van [appellanten sub 2] niet-ontvankelijk en van Vape4Life ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Vape4Life en [appellanten sub 2] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Vape4Life en [appellanten sub 2] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2020, waar Vape4Life, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. G.L.M. Teeuwen, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. K. Markerink, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. V. van Toledo, zijn verschenen.

Overwegingen Inleiding 1. Vape4Life exploiteert sinds 1 december 2017 een winkel aan de Oude Doelenstraat 6-8 en de Oudezijds Voorburgwal 183. De twee adressen grenzen aan de achterzijde aan elkaar. De eerste bouwlaag van de bebouwing aan de Oude Doelenstraat en het souterrain van de bebouwing aan de Oudezijds Voorburgwal (hierna: het souterrain) zijn in het verleden samengevoegd. Vape4Life huurt deze samengevoegde ruimte van [appellanten sub 2], die eigenaar van de panden zijn.

2. Het college heeft aan Vape4Life een last onder bestuursdwang opgelegd, omdat de winkel volgens het college in strijd met het voorbereidingsbesluit en het bestemmingsplan wordt geëxploiteerd, daarvoor geen omgevingsvergunning is verleend en er geen bijzondere omstandigheden zijn om van handhavend optreden af te zien. Vape4Life en [appellanten sub 2] kunnen zich niet verenigen met de in bezwaar gehandhaafde last voor het adres Oudezijds Voorburgwal 183. Het geschil heeft geen betrekking op het gedeelte van de winkel aan de Oude Doelenstraat 6-8.

3. De rechtbank heeft vastgesteld dat Vape4Life haar beroepsgrond over het voorbereidingsbesluit op de zitting heeft ingetrokken.

4. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Postcodegebied 1012", vastgesteld op 4 juni 2013 en daarna op onderdelen gewijzigd (hierna: het huidige bestemmingsplan). Het perceel aan de Oudezijds Voorburgwal 183, kadastraal bekend als G 1593 (hierna: het perceel), heeft daarin de bestemming ‘Gemengd-1’. Op grond van artikel 7.5.3, onder a, van de planregels is op gronden met die bestemming detailhandel in de eerste bouwlaag en de daaronder gelegen bijzondere bouwlaag (kelder, souterrain) van bebouwing toegestaan, met uitzondering van bebouwing langs grachten en waterwegen.

5. De rechtbank heeft overwogen dat het gebruik van het pand aan de Oudezijds Voorburgwal als winkel in strijd is met het huidige bestemmingsplan en dat het beroep van Vape4Life op het overgangsrecht niet slaagt. Het college heeft volgens de rechtbank terecht een last onder bestuursdwang opgelegd om het gebruik van het pand als winkel te staken. Regelgeving 6. De relevante regelgeving is opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Hoger beroep van [appellanten sub 2] 7. [appellanten sub 2] betogen dat de bij het besluit van 14 december 2017 opgelegde last voor Oudezijds Voorburgwal 183 inhoudt dat alleen het winkelgedeelte aan de voorzijde van het perceel gesloten moet worden gehouden voor winkelend publiek.

Voor zover de last bij het besluit op bezwaar is gewijzigd, in die zin dat het hele perceel voor detailhandel gesloten moet worden gehouden, heeft de rechtbank hun beroep volgens [appellanten sub 2] ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. 7.1. Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. 7.2. [appellanten sub 2] hebben geen bezwaar tegen het besluit van 14 december 2017 gemaakt.

In het besluit op bezwaar is dat besluit alleen herroepen voor zover de last betrekking had op het perceel Oude Doelenstraat 6-8. De last ten aanzien van de Oudezijds Voorburgwal 183 is in bezwaar in stand gebleven. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is de situatie voor [appellanten sub 2] in zoverre niet veranderd en hadden zij dus ook tegen het besluit van 14 december 2017 bezwaar kunnen maken. Hun betoog leidt niet tot het oordeel dat hen redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen bezwaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft hun beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. 7.3.

Het betoog faalt.

8. Aan beoordeling van de overige door [appellanten sub 2] aangevoerde gronden komt de Afdeling niet toe.

9. Het hoger beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond. Hoger beroep van Vape4Life Overtreding 10. Vape4Life betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij het souterrain als winkel mag gebruiken. Zij beroept zich daarbij primair op een haar verleende bouwvergunning en op de planregels die dat gebruik volgens haar rechtstreeks toestaan. Subsidiair beroept zij zich op het overgangsrecht. De Afdeling behandelt het primaire beroep onder 11 en het subsidiaire beroep onder 12.

11. Voor het gebruik als winkel is volgens Vape4Life op 22 juni 1992 een bouwvergunning met binnenplanse vrijstelling verleend. Op grond van die vergunning is dat gebruik nog steeds toegestaan en geldt volgens haar ook dat de deur aan de Oudezijds Voorburgwal voor winkeldoeleinden mag worden gebruikt. Het gebruik als winkel is volgens Vape4Life ook in overeenstemming met de planregels van het huidige bestemmingsplan. Het souterrain behoort volgens haar niet tot de bebouwing langs de gracht, maar tot de bebouwing aan de Oude Doelenstraat. De in artikel 7.5.3, onder a, van de planregels opgenomen beperking voor bebouwing langs grachten is daarom niet van toepassing, aldus Vape4Life.

Ter ondersteuning van dit betoog heeft zij gewezen op de winkel met een winkeldeur aan de Sint Pietershalsteeg 3-5 en een winkeldeur aan de Oudezijds Voorburgwal 274, tot voor kort Hudson’s Bay. Voor die winkel met winkeldeur aan de Oudezijds Voorburgwal, dus aan de gracht, is geen omgevingsvergunning voor afwijking van het huidige bestemmingsplan verleend. Volgens Vape4Life betekent dit dat die winkel wordt geacht te behoren tot de bebouwing en het adres waar een winkel wel is toegestaan, namelijk de Sint Pietershalsteeg 3-5. Dat het perceel bij het adres Oude Doelenstraat 6-8 behoort en de winkelfunctie daarom toegestaan is, volgt volgens Vape4Life ook uit het paraplubestemmingsplan "Winkeldiversiteit Centrum", vastgesteld op 18 juli 2018 (hierna: het paraplubestemmingsplan). 11.1.

Het college stelt zich op het standpunt dat detailhandel in het pand aan de Oudezijds Voorburgwal 183 in strijd is met de aan het perceel toegekende bestemming, omdat het gaat om bebouwing langs een gracht als bedoeld in artikel 7.5.3, onder a, van de planregels. De rechtbank is hiervan ook uitgegaan en heeft beoordeeld of het gebruik als winkel onder het overgangsrecht van het huidige bestemmingsplan valt. 11.2. Uit de begripsbepalingen van artikel 1 van de planregels van het huidige bestemmingsplan volgt dat een souterrain een bijzondere bouwlaag van een gebouw is.

Het gebouw waarvan het souterrain deel uitmaakt, ligt langs een gracht, zodat het souterrain op grond van artikel 7.5.3, onder a, van de planregels niet mag worden gebruikt voor detailhandel. Dat het souterrain door bouwkundige aanpassingen kan worden bereikt via de ingang van het pand aan de Oude Doelenstraat, betekent niet dat het niet behoort tot de bebouwing langs een gracht. De omstandigheid dat voor de winkel aan de Oudezijds Voorburgwal 274 geen omgevingsvergunning is verleend, zoals Vape4Life stelt, en het college daartegen niet handhavend is opgetreden, betekende niet dat het college die situatie in overeenstemming met het huidige bestemmingsplan heeft gevonden.

Het maakt in ieder geval niet dat de bepalingen van het huidige bestemmingsplan voor het perceel anders moeten worden uitgelegd. Artikel 35 van het huidige bestemmingsplan bevat gebruiksregels. Bij het paraplubestemmingsplan is een aantal artikelen toegevoegd. Op grond van artikel 35.2.2 is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een toeristenwinkel. Artikel 35.3.2 bepaalt dat het bepaalde in 35.2.2 niet geldt voor onder meer het adres Oude Doelenstraat 6-8. Er is bepaald dat een toeristenwinkel is toegestaan in de eerste bouwlaag van dat adres.

Ook als zou moeten worden aangenomen dat het adres Oude Doelenstraat 6-8 ook het perceel omvat, zoals Vape4Life betoogt, betekent dit niet dat het souterrain als winkel mag worden gebruikt. Een souterrain is in het huidige bestemmingsplan niet de eerste bouwlaag van een gebouw, maar een bijzondere bouwlaag. 11.3. Op 22 juni 1992 heeft het college een bouwvergunning met binnenplanse vrijstelling verleend voor het veranderen, verenigen en vergroten van de gebouwen Oudezijds Voorburgwal 183 en Oude Doelenstraat 6-8, met bestemming daarvan tot winkelruimten, kantoorruimten en een dienstwoning.

Niet in geschil is dat het toen geldende bestemmingsplan "Burgwallen Oude Zijde", vastgesteld in 1984, gebruik van het souterrain als winkel toeliet. Aan de in 1992 verleende bouwvergunning, voor zover die al zou zijn verleend voor gebruik van het souterrain als winkel, komt geen zelfstandige betekenis toe na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime. De Afdeling wijst hierbij op haar uitspraak van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4439. Omdat het souterrain op grond van het huidige bestemmingsplan niet voor detailhandel mag worden gebruikt, geeft de verleende bouwvergunning daarom hoe dan ook niet meer het recht om het souterrain als winkel te gebruiken. 11.4.

Het voorgaande neemt niet weg dat het gebruik als winkel onder het overgangsrecht van het huidige bestemmingsplan zou kunnen vallen. De rechtbank heeft terecht beoordeeld of het beroep van Vape4Life op het overgangsrecht slaagt. Hierop wordt onder 12 verder ingegaan. 11.5. Het betoog faalt.

12. Vape4Life betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar beroep op de beschermende werking van het overgangsrecht niet slaagt. Het souterrain wordt sinds 1992 legaal en onafgebroken als winkel gebruikt. De deur aan de Oudezijds Voorburgwal die toegang tot het souterrain geeft, is op 22 juni 1992 vergund en heeft volgens haar altijd ten dienste gestaan aan het gebruik van het souterrain als winkel. Zij bestrijdt dat winkelend publiek pas na de verbouwing door Vape4Life via de Oudezijds Voorburgwal 183 toegang tot het pand kan krijgen.

Volgens haar valt dan ook niet in te zien dat het pand aan die kant een andere uitstraling heeft gekregen, waardoor het gebruik zou zijn geïntensiveerd. Ook als de deur aan de Oudezijds Voorburgwal niet ononderbroken toegang tot de winkel zou hebben geboden, leidt openstelling van die deur volgens Vape4Life niet tot een intensivering van het gebruik. Door de situering op korte afstand van de ingang aan de Oude Doelenstraat is er geen zelfstandige bezoekersstroom en blijft het aantal bezoekers van de winkel gelijk, aldus Vape4Life. 12.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de hierboven aangehaalde uitspraak van 24 december 2019, moet degene die een beroep op het overgangsrecht doet, in dit geval Vape4Life, aan de hand van concrete en objectieve gegevens aannemelijk maken dat het overgangsrecht inderdaad van toepassing is. 12.2.

Het college heeft op basis van een rapportage van toezichthouders van de gemeente van 8 december 2017 vastgesteld dat in het souterrain een winkel gevestigd is en dat de winkel voor winkelend publiek toegankelijk is vanaf de Oudezijds Voorburgwal. Vanuit de winkel zagen de toezichthouders licht met een hoge intensiteit uit de souterrainopening schijnen. Deze feiten zijn door Vape4Life niet bestreden. 12.3. In artikel 40.4 van de planregels van het huidige bestemmingsplan is bepaald dat gebruik dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en daarmee in strijd is, mag worden voortgezet.

Het huidige bestemmingsplan is op 11 september 2013 in werking getreden. Niet in geschil is dat het souterrain op die datum voor detailhandel werd gebruikt. Op grond van artikel 40.7 valt bestaand gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan, niet onder het overgangsrecht. Het voorheen geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan "Burgwallen", dat op 29 augustus 2006 in werking is getreden. Niet in geschil is dat het souterrain ook op 29 augustus 2006 al als winkel werd gebruikt.

Anders dan Vape4Life betoogt, was dat in strijd met de in dat plan aan het perceel toegekende bestemming en het in artikel 17 van de planregels opgenomen gebruiksverbod. Op grond van artikel 3, lid 1.g, van de planregels waren winkels op gronden met de bestemming "Gemengde doeleinden" uitsluitend toegestaan in de eerste bouwlaag van bebouwing en waren winkels in bebouwing aan de Oudezijds Voorburgwal niet toegestaan, behalve daar waar op de plankaart de aanduiding "winkel in de aangegeven bouwlaag toegestaan" stond. Het perceel had deze aanduiding niet.

Voor het betoog van Vape4Life dat die aanduiding in dit geval niet nodig was, omdat de planwetgever het souterrain beschouwde als bebouwing aan de Oude Doelenstraat 6-8, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten. Bovendien was het gebruik als winkel ook in dat geval niet toegestaan, omdat de winkel zich niet op de eerste bouwlaag bevond. Op grond van het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Burgwallen" mocht gebruik dat ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan bestond en daarvan afweek, worden voortgezet. Dit gold niet voor gebruik dat in strijd was met het daarvoor geldende bestemmingsplan.

Het daarvoor geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingsplan Burgwallen Oude Zijde" uit 1995. Niet in geschil is dat ook in 1995 al een winkel in het souterrain werd geëxploiteerd. Volgens het college was de winkel toen voor winkelend publiek toegankelijk via de ingang aan de Oude Doelenstraat 6-8. Het perceel werd daarom niet gebruikt als winkel langs de gracht, als bedoeld in dit bestemmingsplan, zo begrijpt de Afdeling het standpunt van het college. Het college legt het bestemmingsplan daarbij zo uit dat het bij een winkel langs de gracht moet gaan om een vanaf - de straat langs - de gracht voor het publiek toegankelijke winkel.

De Afdeling heeft geen aanleiding daar anders over te oordelen. Vape4Life stelt echter dat de winkel vanaf 1992 een ingang voor winkelend publiek aan de Oudezijds Voorburgwal had. Anders dan zij in hoger beroep betoogt, zou dat in strijd zijn met de in dat plan aan het perceel toegekende bestemming en het in artikel 12 opgenomen gebruiksverbod. Op grond van artikel 3, eerste en tweede lid, van de planregels waren winkels op gronden met de bestemming "Gemengde bebouwing" toegestaan, behalve langs de grachten. Voor de uitleg van Vape4Life dat deze beperking alleen voor nieuwe winkels gold, ziet de Afdeling geen grond.

Bestaand gebruik werd echter beschermd op grond van het overgangsrecht van dat bestemmingsplan. Dit betekent dat het in 1995 bestaande gebruik dat in strijd was met het bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingsplan Burgwallen Oude Zijde", maar onder het overgangsrecht van dat bestemmingsplan was toegestaan, ook onder de reikwijdte van artikel 40.4 van de planregels van het huidige bestemmingsplan valt. 12.4. Voor beantwoording van de vraag wat het bestaande gebruik was op de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingsplan Burgwallen Oude Zijde", is de feitelijke situatie zoals die zich toen voordeed bepalend.

Zoals hierboven is overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat op die datum een winkel in het souterrain werd geëxploiteerd. De Afdeling gaat daarvan ook uit. Ter ondersteuning van haar stelling dat de winkel op die datum vanaf de Oudezijds Voorburgwal toegankelijk was voor winkelend publiek, heeft Vape4Life gewezen op de bouwtekening, foto’s en verklaringen van personen die volgens Vape4Life de toenmalige situatie kenden. Op de bij de vergunning van 1992 behorende bouwtekening is aan de zijde van de Oudezijds Voorburgwal een deur ingetekend.

Op deze tekening, die Vape4Life in beroep heeft overgelegd, is echter bij de deur aan de Oude Doelenstraat 6-8 een naar binnen gerichte pijl getekend, die bij de deur aan de Oudezijds Voorburgwal ontbreekt. Hierin ziet de Afdeling vooral een aanwijzing dat de deur aan de Oudezijds Voorburgwal niet zou worden gebruikt als ingang voor winkelend publiek. Voor zover Vape4Life tijdens de zitting heeft gewezen op een door [appellanten sub 2] in hoger beroep overgelegde tekening van 22 maart 2005, doet dat daar niet aan af, omdat niet blijkt dat die tekening de op de peildatum bestaande situatie weergeeft.

Op de door Vape4Life bedoelde foto’s van de verbouwing in 1992 en 1993 en de inrichting van de winkel Western House, die daarna in de samengevoegde ruimte werd geëxploiteerd, is niet te zien dat de deur van het souterrain werd gebruikt als ingang voor winkelend publiek. Van de door Vape4Life overgelegde verklaringen heeft één verklaring betrekking op de toegang tot de winkel rond 1995. Dit is de verklaring van N. Laan, die is opgenomen in een aan [appellanten sub 2] gerichte brief van 19 mei 2018. Zij stelt in die brief dat zij werkzaam was bij [appellanten sub 2] en begin jaren ’90 betrokken was bij de koop van het pand aan de Oudezijds Voorburgwal 183.

Zij verklaart: "De winkel op De Oude Doelen was na samenvoeging met de Oudezijds Voorburgwal 183 flink (ver)groot en had na de verbouwing twee ingangen." Deze verklaring is op zichzelf niet voldoende om te kunnen aannemen dat op de peildatum de deur aan de Oudezijds Voorburgwal ook werd gebruikt als ingang voor winkelend publiek. Hooguit kan hieruit worden afgeleid dat de deur in het verleden ten behoeve van de winkel werd gebruikt, bijvoorbeeld voor de aan- of afvoer van goederen of als personeelsingang. De Afdeling is van oordeel dat Vape4Life met de overgelegde bouwtekening, foto’s en verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat winkelend publiek op de peildatum in 1995 vanaf de Oudezijds Voorburgwal toegang tot de winkel in het souterrain had.

Hieruit volgt dat door Vape4Life niet aannemelijk is gemaakt dat het gebruik van het souterrain als een vanaf - de straat langs - de gracht voor het publiek toegankelijke winkel onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingsplan Burgwallen Oude Zijde" viel. Daardoor is ook het overgangsrecht van het huidige bestemmingsplan hierop niet van toepassing. 12.5. Zoals hierboven onder 12.3 is overwogen, gaat het bij een winkel langs de gracht als bedoeld in het bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingsplan Burgwallen Oude Zijde" om een vanaf - de straat langs - de gracht voor het publiek toegankelijke winkel.

Gebruik van het souterrain als winkel zonder ingang voor winkelend publiek aan de Oudezijds Voorburgwal was in overeenstemming met de in dat bestemmingsplan aan het perceel toegekende bestemming. Het bestemmingsplan "Burgwallen" heeft daarin verandering gebracht. Met de inwerkingtreding van dat bestemmingsplan op 29 augustus 2006 en daarna het huidige bestemmingsplan op 11 september 2013, is het toegestane gebruik verder beperkt. Gebruik van het souterrain als winkel is op grond van deze bestemmingsplannen niet toegestaan, ook niet als het winkelend publiek uitsluitend toegang heeft via de Oude Doelenstraat 6-8.

Omdat niet in geschil is dat het souterrain op 29 augustus 2006 en daarna steeds in gebruik is geweest als onderdeel van de winkel met ingang aan de Oude Doelenstraat 6-8, wordt dit gebruik beschermd door het overgangsrecht. 12.6. De conclusie is dat Vape4Life onder het overgangsrecht alleen het gebruik van het souterrain als onderdeel van een winkel met toegang voor winkelend publiek aan de Oude Doelenstraat 6-8 mocht voortzetten. Het geconstateerde gebruik van een ingang voor winkelend publiek aan de Oudezijds Voorburgwal wordt niet door het overgangsrecht beschermd.

De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het beroep van Vape4Life op het overgangsrecht niet slaagt. Het college was bevoegd om handhavend op te treden tegen deze overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 12.7. De vraag of het gebruik van het souterrain als winkel langs de gracht ononderbroken is voortgezet, hoeft niet te worden beantwoord. Dat geldt ook voor de vraag of openstelling van de deur aan de Oudezijds Voorburgwal voor winkelend publiek moet worden aangemerkt als een intensivering van het gebruik als winkel. 12.8.

Het betoog faalt. Handhaving 13. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

14. Vape4Life betoogt dat het middel van bestuursdwang te zwaar is. Het gaat in dit geval om een ook voor het college complexe situatie. Omdat er verder geen dringende reden op het gebied van veiligheid en openbare orde is, past het volgens haar niet om direct het middel van bestuursdwang toe te passen met een zeer korte begunstigingstermijn. Hierdoor wordt bewust het risico genomen van onzorgvuldige besluitvorming met voor haar grote financiële gevolgen. 14.1. Zoals de rechtbank heeft overwogen, mocht het college in dit geval kiezen voor bestuursdwang of een last onder dwangsom. Voor het oordeel dat bestuursdwang een te zwaar middel is, bestaat geen grond. Het betoog faalt.

15. Vape4Life betoogt dat de rechtbank haar beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Volgens haar mocht zij door uitlatingen van een loketmedewerker van de gemeente erop vertrouwen dat zij het souterrain mocht gebruiken voor detailhandel. 15.1. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. 15.2.

Uit wat hierboven onder 12.6 is overwogen, volgt dat het souterrain onder het overgangsrecht voor detailhandel mocht worden gebruikt, zij het niet met een ingang voor winkelend publiek aan de Oudezijds Voorburgwal. Vape4Life stelt niet dat de loketmedewerker zich heeft uitgelaten over de ingang van de winkel. Haar beroep op het vertrouwensbeginsel kan alleen al daarom niet slagen. De rechtbank heeft in haar betoog terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college had moeten afzien van handhavend optreden.

16. Vape4Life betoogt dat het college op korte afstand aan de Oudezijds Voorburgwal 282 wel detailhandel en ten behoeve daarvan duidelijk zichtbare etalages toestaat. Het college handelt daarom volgens haar in strijd met het gelijkheidsbeginsel. 16.1. Vape4Life heeft deze grond en de daaraan ten grondslag liggende feiten voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank. Vape4Life had al bij de rechtbank een beroep op het gelijkheidsbeginsel kunnen doen. De Afdeling laat dit betoog daarom buiten beschouwing.

De last 17. Vape4Life betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de last te verstrekkend is. Het college heeft volgens haar niet mogen eisen dat zij geen winkelend publiek meer in het souterrain toelaat. Niet ter discussie staat dat het souterrain als winkel is gebruikt en dat winkelend publiek sinds 1992 via de Oude Doelenstraat 6-8 toegang tot het souterrain heeft gehad. Ook als de toegang voor winkelend publiek aan de Oudezijds Voorburgwal niet door het overgangsrecht wordt beschermd, mag dit gebruik van het perceel volgens haar op grond van het overgangsrecht worden voortgezet of hervat. 17.1.

In beroep heeft Vape4Life onder meer aangevoerd dat het college had moeten kiezen voor het alleen sluiten van de deur. De rechtbank is hierop niet afzonderlijk ingegaan. 17.2. Op grond van artikel 5:2, eerste lid, onder b, in samenhang met artikel 5:21 van de Awb moet een last gericht zijn op beëindiging van de overtreding. Uit wat hierboven onder 12.6 is overwogen volgt dat het souterrain onder het overgangsrecht voor detailhandel mocht worden gebruikt, zij het niet met een ingang voor winkelend publiek aan de Oudezijds Voorburgwal. Om de vastgestelde overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo te beëindigen, is het voldoende om de ingang aan de Oudezijds Voorburgwal te sluiten voor winkelend publiek.

De in bezwaar gehandhaafde last om de exploitatie van de winkel in het souterrain te staken en gestaakt te houden, gaat verder dan nodig is. Het college heeft de last in zoverre in strijd met de artikelen 5:2, eerste lid, onder b, en 5:21 van de Awb opgelegd en in bezwaar gehandhaafd. 17.3. Het betoog slaagt.

18. De overige beroepsgronden over de last of de omschreven herstelmaatregelen hoeven geen bespreking. Conclusie 19. Het hoger beroep van Vape4Life is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep van Vape4Life ongegrond is verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep van Vape4Life alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 2 oktober 2018 vernietigen, voor zover daarbij de last voor het adres Oudezijds Voorburgwal 183 is gehandhaafd. Het college moet in zoverre opnieuw op het bezwaar van Vape4Life beslissen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar alleen bij haar beroep kan worden ingesteld. De Afdeling ziet verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

20. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van Vape4Life te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van [appellanten sub 2] ongegrond; II. verklaart het hoger beroep van Vape4Life B.V. gegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 oktober 2019 in zaak nr. 18/6846, voor zover daarbij het beroep van Vape4Life B.V. ongegrond is verklaard; IV. verklaart het door Vape4Life B.V. bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 2 oktober 2018, kenmerk JZ 98-17-0413, voor zover daarbij de last voor het adres Oudezijds Voorburgwal 183 is gehandhaafd;

VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit op bezwaar alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; VII. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 14 december 2017 wordt geschorst tot zes weken na verzending van het te nemen besluit op bezwaar en dat Vape4Life B.V. tijdens deze schorsing de buitendeur aan de Oudezijds Voorburgwal 183 gesloten moet houden voor het winkelend publiek; VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij Vape4Life B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.100,00 (zegge: tweeduizend honderd euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Vape4Life B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 857,00 (zegge: achthonderdzevenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. H.J.M. Baldinger en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2020 148.

BIJLAGE Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1 1. Het is verbonden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: […] c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, […] of een voorbereidingsbesluit […], [...]. Algemene wet bestuursrecht Artikel 5:2 1. In deze wet wordt verstaan onder: a. bestuurlijke sanctie: een door een bestuursorgaan wegens een overtreding opgelegde verplichting of onthouden aanspraak; b. herstelsanctie: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding; […].

Artikel 5:21 Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en […]. Artikel 5:24 1. De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen. […]. Artikel 6:13 Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij […] geen bezwaar heeft gemaakt […]. Bestemmingsplan "Burgwallen Oude Zijde" (1984) Artikel 3 Gemengde bebouwing (GB 1 tot en met GB 14) 1. De gronden, op de plankaart bestemd voor gemengde bebouwing (aangegeven met GB 1 tot en met GB 14), zijn aangewezen voor: […] d winkels; […].

Artikel 12 1. Het is verboden, de in het plan begrepen gronden en de zich daarop bevindende bebouwing te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de bestemming of de daarbij behorende voorschriften. […] Artikel 13 Overgangsbepalingen […] 2. a. Het gebruik van onbebouwde gronden en van bebouwing voor zover dit bij het rechtsgeldig worden van het bestemmingsplan afwijkt van de voorschriften van dit plan, mag worden voortgezet. b. Het is verboden, het afwijkende gebruik te veranderen in andere vormen van gebruik, tenzij daardoor geen grotere afwijking van het bestemmingsplan ontstaat.

Bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingsplan Burgwallen Oude Zijde" (1995) Artikel II Artikel 3 wordt in zijn geheel gewijzigd en luidt als volgt: "Art.

3. Gemengde bebouwing (GB 1 tot en met GB 14). Doeleindenomschrijving:

1. De gronden, op kaart 1 bestemd voor "Gemengde bebouwing" (aangegeven met GB1 tot en met GB14), zijn aangewezen voor: […] c. winkels en overige konsumentverzorgende dienstverlening; […].

2. De wijze waarop de in dit artikel genoemde doeleinden worden nagestreefd wordt als volgt beschreven: […] * Met betrekking tot de verschillende funkties geldt daarenboven het volgende: […] winkels: - Winkels worden overal toegestaan behalve langs de grachten, conform het algemene beleid in de binnenstad. […]." Bestemmingsplan "Burgwallen" (2006) Artikel 3 Gemengde doeleinden Lid 1 Doeleindenomschrijving De gronden, die op de plankaart zijn bestemd tot Gemengde doeleinden, zijn aangewezen voor: […] 1.g. winkels, met uitzondering van smartshops (zie lid 1 sub n.), en […] en met dien verstande dat:

1. deze functies uitsluitend in de eerste bouwlaag van bebouwing zijn toegestaan;

2. in afwijking van het bepaalde onder 1. winkels en […] in de tweede en in hogere bouwlagen zijn toegestaan, daar waar zij aanwezig zijn ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan;

3. winkels en […] niet zijn toegestaan in bebouwing aan de Oudezijds Voorburgwal, […];

4. in afwijking van het bepaalde onder 3. deze functies wel zijn toegestaan: a. daar waar op de plankaart de aanduiding "winkel in aangegeven bouwlaag toegestaan" voorkomt; […]. Artikel 17 Algemene gebruiksbepalingen Lid 1. Algemeen gebruiksverbod Het is verboden de gronden of bebouwing binnen het plangebied te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met de bestemming […] Artikel 18 Overgangsbepalingen […] Lid 3. Gebruik Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond ten tijde van het in werking treden van het verbod tot gebruik in strijd met de bestemming, en dat in enigerlei opzicht afwijkt van het plan, mag worden voortgezet of gewijzigd, zolang en voor zover de strijdigheid van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in dit plan, naar aard en omvang wordt verminderd.

Lid 4. Uitzondering Het bepaalde in lid 3 is niet van toepassing op gebruik dat in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan. Bestemmingsplan "Postcodegebied 1012" Artikel 1 Begrippen […] 1.10 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; […] 1.18 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijke omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van bijzondere bouwlagen; […] 1.22 bijzondere bouwlaag: kelders, souterrains en kappen; […] 1.28 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; […] 1.59 souterrain: een bijzondere bouwlaag waarvan de vloer onder het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen en waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 1,20 meter boven het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen; […].

Artikel 7 Gemengd-1 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Gemengd-1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: […] f. detailhandel, in de eerste bouwlaag, met inbegrip van een mengformule, met uitzondering van smartshops, minisupermarkten en souvenirwinkels, headshops, seedshops en growshops, tenzij op de verbeelding aangeduid, met inachtneming van de artikelen 7.5.3 en 35.1; […]. 7.5 Specifieke gebruiksregels Op de tot ‘Gemengd-1’ bestemde gronden gelden de volgende gebruiksregels. […] 7.5.3 Detailhandel en consumentverzorgende dienstverlening a.

Detailhandel en voorzieningen ten behoeve van consumentverzorgende dienstverlening zijn in de eerste bouwlaag en de daaronder gelegen bijzondere bouwlaag (kelder, souterrain) van bebouwing toegestaan, met uitzondering van bebouwing langs grachten en waterwegen, […]. Artikel 40 Overgangsrecht […] 40.4 Overgangsrecht gebruik Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 40.5 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 40.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 40.6 Onderbroken verboden gebruik Indien het gebruik, bedoeld in artikel 40.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 40.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik Artikel 40.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Bestemmingsplan "Winkeldiversiteit Centrum" Artikel 2 Herziening van de regels 2.1 Herziening bestemmingsplan Postcodegebied 1012 […] […] 2.1.2 Verboden gebruik Aan artikel 35 worden drie nieuwe leden toegevoegd, luidende: 35.2 Verboden gebruik […] 35.2.2 Gebruiksvormen Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een toeristenwinkel, toeristische dienstverlening, kantoor met baliefunctie gericht op toeristen, eetwinkel en een voorziening gericht op entertainment. 35.3 Uitzonderingen […] 35.3.2 Gebruiksvormen Het bepaalde in artikel 35.2.2 geldt niet voor de volgende adressen, in dier voege dat: […] - een toeristenwinkel is toegestaan in de eerste bouwlaag van de adressen: […] Oude Doelenstraat 6-8 […].