Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2020:267 ECLI:NL:RVS:2020:267 AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:267 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2020:267
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201905065/1/A3. Datum uitspraak: 29 januari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2019 in zaak nr. 18/3002 in het geding tussen: [appellant] en de staatssecretaris van Financiën. Procesverloop Bij besluit van 12 januari 2018 heeft de staatssecretaris besloten op een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob). Bij besluit van 24 april 2018 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:267 · Raad van State: Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepsgronden tegen het besluit van 24 april 2018 beoordelen. 3.3. [appellant] betoogt dat de verzochte stukken geen betrekking hebben op de persoon of zaken van een ander waarvoor de geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Awr geldt. [appellant] stelt in dit verband dat hij tot 2 november 2015 direct of indirect bestuurder was bij [bedrijf]. Bovendien had de staatssecretaris de verzochte stukken persoonlijk aan hem kunnen verstrekken zonder dat die aan een ieder openbaar worden gemaakt, aldus [appellant]. 3.4.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:3318
201805613/1/A3. Datum uitspraak: 2 oktober 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Stichting Afkoop Belastingschulden (hierna: de stichting), gevestigd te Hengelo, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 11 juni 2018 in zaak nr. 17/884 in het geding tussen: de stichting en de staatssecretaris van Financiën. Procesverloop Bij brief van 20 juli 2016 heeft de staatssecretaris het verzoek van [verzoeker] om informatie afgewezen. Bij besluit van 16 februari 2017 heeft de staatssecretaris het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2013:1625
201210313/1/A3. Datum uitspraak: 23 oktober 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Financiën, appellant, tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2012 en 21 september 2012 in zaak nr. 12/71 in het geding tussen: [wederpartij], wonend te [woonplaats], en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 19 september 2011 heeft de staatssecretaris een verzoek van [wederpartij] om openbaarmaking van het handhavingsconvenant dat de Belastingdienst op 30 november 2007 heeft gesloten met 21 bij het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (hierna:
ECLI:NL:RVS:2010:BM1041
Procesverloop Bij besluit van 30 juli 2008 heeft de staatssecretaris het door [appellant] tegen de weigering om te beslissen op zijn verzoek om inzage in zijn volledige fiscale dossier gemaakte bezwaar primair niet-ontvankelijk verklaard. Subsidiair heeft de staatssecretaris een gedeelte van de gevraagde documenten aan [appellant] verstrekt, maar geweigerd de gevraagde documenten openbaar te maken. Bij uitspraak van 1 juli 2009, verzonden op 13 juli 2009, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 juli 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201905065/1/A3. Datum uitspraak: 29 januari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2019 in zaak nr. 18/3002 in het geding tussen: [appellant] en de staatssecretaris van Financiën. Procesverloop Bij besluit van 12 januari 2018 heeft de staatssecretaris besloten op een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob). Bij besluit van 24 april 2018 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 mei 2019 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het daartegen ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.A. Soebhag, advocaat te Rotterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. W.J.G. van Duijn, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Bij brieven van 14 en 15 december 2017 heeft [appellant] met een beroep op de Wob de staatssecretaris verzocht om het volledige dossier en alle andere stukken of correspondentie te verstrekken over de betrokkenheid van de Belastingdienst, kantoor te Rotterdam, bij het faillissement van [bedrijf].

Het gaat om stukken van zowel voor als na de datum van het faillissement. Bij het besluit van 12 januari 2018 heeft de staatssecretaris het verzoek afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de stukken onder zijn geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) vallen en daarom niet mogen worden verstrekt. Die bepaling prevaleert boven de Wob, aldus de staatssecretaris. Bij het besluit van 24 april 2018 is de afwijzing gehandhaafd. Aangevallen uitspraak 2. De rechtbank heeft overwogen dat de geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Awr op de verzochte stukken van toepassing is.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling staat tegen een besluit dat op grond van die bepaling is genomen geen beroep open, maar kan uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld. De rechtbank heeft zich daarom onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen. Hoger beroep 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard. De verzochte stukken vallen niet onder de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Awr. De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op zijn verzoek om de staatssecretaris op te dragen de stukken alsnog binnen een bepaalde termijn te verstrekken.

De rechtbank heeft nagelaten te bepalen dat de staatssecretaris een dwangsom verbeurt voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden. De rechtbank heeft ten onrechte geen proceskostenveroordeling uitgesproken ten laste van de staatssecretaris, nu hij tijd heeft besteed aan de behandeling van het bezwaar en beroep, aldus [appellant]. 3.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3318, is de beslissing op een bezwaar zonder meer een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld, ook al zou de beslissing waartegen het bezwaar zich richt geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit zijn.

Reeds hierop gelet heeft de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd geacht van het beroep kennis te nemen. Onder verwijzing naar hetgeen zij zal overwegen onder 3.5, had de rechtbank het beroep ongegrond moeten verklaren. De rechtbank hoefde daarom geen aanleiding te zien de staatssecretaris op te dragen de stukken alsnog binnen een bepaalde termijn te verstrekken en aan de uitspraak een dwangsom te verbinden. Evenmin hoefde de rechtbank aanleiding te zien voor een proceskostenveroordeling. 3.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepsgronden tegen het besluit van 24 april 2018 beoordelen. 3.3. [appellant] betoogt dat de verzochte stukken geen betrekking hebben op de persoon of zaken van een ander waarvoor de geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Awr geldt. [appellant] stelt in dit verband dat hij tot 2 november 2015 direct of indirect bestuurder was bij [bedrijf]. Bovendien had de staatssecretaris de verzochte stukken persoonlijk aan hem kunnen verstrekken zonder dat die aan een ieder openbaar worden gemaakt, aldus [appellant]. 3.4.

Artikel 67, eerste lid, luidt: "Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht)." Het tweede lid luidt: "De geheimhoudingsplicht geldt niet indien: […]; c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt." 3.5. [appellant] heeft in zijn brieven van 14 en 15 december 2017 verzocht om informatie die de staatssecretaris uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet blijkt of is meegedeeld.

Nu de Belastingdienst beschikt over de gevraagde gegevens in verband met de uitvoering van de belastingwet, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de verzochte stukken onder de geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Awr vallen. Voor zover [appellant] betoogt dat de geheimhoudingsplicht op grond van artikel 67, tweede lid, van de Awr niet geldt, is er voor dat oordeel geen grond. Door te stellen dat de staatssecretaris de stukken persoonlijk aan hem had kunnen verstrekken, miskent [appellant] dat de geheimhoudingsplicht ook daaraan in de weg staat.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 23 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1625) en 14 april 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM1041)), is artikel 67, eerste lid, van de Awr een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter die prevaleert boven de Wob. De staatssecretaris heeft het Wob-verzoek daarom terecht afgewezen met een beroep op zijn geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Awr. Het betoog faalt. Slotsom 4. De Afdeling zal het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2019 in zaak nr. 18/3002; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond; IV. veroordeelt de staatssecretaris van Financiën tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,-. (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de staatssecretaris van Financiën aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht van € 259,- (zegge: tweehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier. w.g. Borman w.g. Man lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2020 629.