Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2020:2445 ECLI:NL:RVS:2020:2445 AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:2445 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2020:2445
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201906139/1/V6. Datum uitspraak: 14 oktober 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 juli 2019 in zaak nr. 18/2440 in het geding tussen: [wederpartij] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 19 april 2018 heeft de minister bepaald dat [wederpartij] op 1 oktober 2018 moet beginnen met het terugbetalen van een lening voor het volgen van een inburgeringscursus. De schuld bedraagt € 10.008,71 en zij moet maandelijks € 83,41 betalen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 1:3 van de Awb, Artikel 4:86 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2020:2445 · Raad van State: De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De minister voert aan dat het besluit van 19 april 2018, voor zover het de vermelding van de hoofdsom van € 10.000,00 betreft, geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat deze schuld bij de eerdere besluiten is ontstaan. De minister verwijst naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB) in studiefinancieringszaken van 24 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1981), 8 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:929), 24 april 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8343) en 5 april 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:501). 3.1.

Keywords

AI generated
artikel 1:3 van de Awb Artikel 4:86 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 1:3 van de Awb
De minister voert aan dat het besluit van 19 april 2018, voor zover het de vermelding van de hoofdsom van € 10.000,00 betreft, geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat deze schuld bij de eerdere besluiten is ontstaan.
Artikel 4:86 van de Awb
een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep.' Artikel 4:86 van de Awb luidt: '1.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2017:1981
16/5191 WSF, 16/5192 WSF Datum uitspraak: 24 mei 2017 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 juni 2016, 15/6614 en 16/1320 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A. Benamar, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2017.
ECLI:NL:CRVB:2017:929
16/815 WSF Datum uitspraak: 8 maart 2017 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 december 2015, 15/4445 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant) [Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.
ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8343
12/6103 WSF-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 oktober 2012, 12/908 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister) Zitting heeft: I.M.J. Hilhorst-Hagen Griffier: G.J. van Gendt Ter zitting zijn verschenen: appellante, bijgestaan door haar vader T. Bakker, en mr.drs. E.H.A. van den Berg als vertegenwoordiger van de Minister. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep -vernietigt de aangevallen uitspraak; -verklaart het beroep gegrond; -vernietigt het besluit van de Minister van 7 mei 2012; -verklaart het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2012 niet-ontvankelijk; -veroordeelt de Minister in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 20,=; -bepaalt dat de Minister het gestorte recht van totaal € 146,= aan appellante vergoedt.
ECLI:NL:CRVB:2013:501
Centrale Raad van Beroep 12/6103 WSF-PV Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 oktober 2012, 12/908 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister) Zitting heeft: I.M.J. Hilhorst-Hagen Griffier: G.J. van Gendt Ter zitting zijn verschenen: appellante, bijgestaan door haar vader [naam vader], en mr.drs. E.H.A. van den Berg als vertegenwoordiger van de Minister. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van de Minister van 7 mei 2012; verklaart het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2012 niet-ontvankelijk; veroordeelt de Minister in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 20,=; bepaalt dat de Minister het gestorte recht van totaal € 146,= aan appellante vergoedt.
ECLI:NL:RVS:2020:2401
201908630/1/V6. Datum uitspraak: 14 oktober 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 oktober 2019 in zaak nr. 18/2733 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Procesverloop Bij brief van 18 mei 2018 heeft de minister bepaald dat [appellant] op 1 november 2018 moet beginnen met het terugbetalen van een lening voor het volgen van een inburgeringscursus. De schuld bedraagt € 9.026,85 en zij moet maandelijks € 75,22 betalen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201906139/1/V6. Datum uitspraak: 14 oktober 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 juli 2019 in zaak nr. 18/2440 in het geding tussen: [wederpartij] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 19 april 2018 heeft de minister bepaald dat [wederpartij] op 1 oktober 2018 moet beginnen met het terugbetalen van een lening voor het volgen van een inburgeringscursus. De schuld bedraagt € 10.008,71 en zij moet maandelijks € 83,41 betalen.

Bij besluit van 13 juli 2018 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar, voor zover het ziet op de terugbetalingsverplichting, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 25 juli 2019 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. [wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2020, waar de minister, vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter, is verschenen. Overwegingen 1. Bij brief van 13 december 2013 heeft de minister [wederpartij] meegedeeld dat zij inburgeringsplichtig is, dat haar inburgeringstermijn op 8 oktober 2013 is gestart en dat zij voor 7 oktober 2016 aan deze plicht moet hebben voldaan. Bij brief van 19 juni 2015 heeft de minister de inburgeringstermijn verlengd tot 2 december 2016. Bij besluit van 26 januari 2017 heeft de minister de inburgeringstermijn nogmaals verlengd tot 3 december 2018.

Op 28 februari 2018 heeft [wederpartij] het laatste onderdeel van het inburgeringexamen gehaald. Bij besluit van 19 april 2018 heeft de minister [wederpartij] meegedeeld dat zij € 10.008,71 heeft geleend voor een cursus en/of examen, dat zij deze lening vanaf 1 oktober 2018 gaat terugbetalen en dat over de periode 1 oktober 2018 tot 1 november 2023 maandelijks een bedrag van € 83,41 zal worden geïncasseerd.

2. De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard, omdat voor het eerst met het besluit van 19 april 2018 een geldschuld is ontstaan als bedoeld in artikel 4:85, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Volgens de rechtbank heeft de minister in de eerdere besluiten van 23 juli 2014, 17 april 2015, 5 juni 2015, 22 juli 2015, 27 november 2015, 13 april 2016, 28 juni 2016, 22 juli 2016, 16 januari 2017, 11 mei 2017, 19 juli 2017, 9 augustus 2017 en 9 januari 2018 de totaal te betalen geldsom en de termijn waarbinnen betaling moet plaatsvinden niet vastgesteld, zodat met die besluiten nog geen betalingsverplichting voor [wederpartij] is ontstaan. Dit betekent dat het besluit van 19 april 2018 rechtsgevolg heeft. De minister heeft het daartegen gemaakte bezwaar dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aldus de rechtbank.

3. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De minister voert aan dat het besluit van 19 april 2018, voor zover het de vermelding van de hoofdsom van € 10.000,00 betreft, geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat deze schuld bij de eerdere besluiten is ontstaan. De minister verwijst naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB) in studiefinancieringszaken van 24 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1981), 8 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:929), 24 april 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8343) en 5 april 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:501). 3.1.

Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb luidt: 'Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.' Artikel 4:85, eerste lid, van de Awb luidt: 'Deze titel is van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit: a. een wettelijk voorschrift dat een verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan regelt, of b. een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep.' Artikel 4:86 van de Awb luidt: '1. De verplichting tot betaling van een geldsom wordt bij beschikking vastgesteld.

2. De beschikking vermeldt in ieder geval: a. de te betalen geldsom; b. de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden.' 3.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:86 van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 32 tot en met 34) kan worden afgeleid dat met een besluit als bedoeld in deze bepaling is beoogd voor de schuldenaar duidelijk te maken waarom hij een geldsom is verschuldigd en welk bedrag hij moet betalen binnen welke termijn. Hoofdregel is dat een verplichting tot betaling pas ontstaat nadat een besluit is genomen waarin is vastgesteld hoe hoog de schuld precies is en binnen welke termijn deze moet worden betaald. 3.3.

Bij besluit van 19 april 2018 heeft de minister voor het eerst de exacte hoogte van de schuld en de termijn waarbinnen betaling daarvan moet plaatsvinden vastgesteld. Gelet op artikel 4:86 van de Awb en het onder 3.2 overwogene ontstond pas na dit besluit voor [wederpartij] de verplichting om de schuld te gaan terugbetalen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het besluit van 19 april 2018 rechtsgevolgen heeft en daarmee een besluit is in de zin van de Awb waartegen [wederpartij] bezwaar kon maken. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2020:2401.

De verwijzing naar de uitspraken van 24 mei 2017, 24 april 2013 en 5 april 2013 maakt dit niet anders, omdat in die zaken de schuldenaren bezwaar maakten tegen de vaststelling dat zij een schuld hadden, terwijl die vaststelling al bij een eerder besluit had plaatsgevonden. In het geval van [wederpartij] gaat het om de terugbetalingsverplichting van de schuld als bedoeld in artikel 4:86, eerste lid, van de Awb, welke de minister, zoals hiervoor is overwogen, eerst bij besluit van 19 april 2018 heeft vastgesteld. De verwijzing naar de uitspraak van 8 maart 2017 treft ook geen doel, omdat in die zaak, anders dan in deze zaak, de minister al eerder het totaalbedrag van de schuld aan de schuldenaar had bekendgemaakt.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; III. bepaalt dat van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een griffierecht van € 519,00 (zegge: vijfhonderdnegentien euro) wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2020 670-876.