Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2020:1988 ECLI:NL:RVS:2020:1988 AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:1988 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2020:1988
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201907755/1/A3. Datum uitspraak: 19 augustus 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Enschede, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 oktober 2019 in zaak nr. 18/2114 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Enschede. Procesverloop Bij besluit van 26 februari 2018 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van zijn gegevens over het huwelijk in de basisregistratie personen (hierna: brp) afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2020:1988 · Raad van State: BW), waarin de erkenning van in het buitenland gesloten huwelijken is geregeld, niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Een echtscheidingsdocument zoals voor erkenning van een echtscheiding mogelijk is op grond van artikel 56 van Boek 10 ontbreekt, aldus het college. Het hoger beroep 2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet met de juiste brondocumenten aannemelijk heeft gemaakt dat de in de brp opgenomen gegevens over het huwelijk onjuist zijn. Op basis van het uittreksel van de burgerlijke stand en het certificate of celibacy staat onomstotelijk vast dat hij is gescheiden.

Keywords

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
Datum uitspraak: 19 augustus 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Enschede, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 oktober 2019 in zaak nr.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2004:AO3416
Procesverloop Bij besluit van 1 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) het verzoek van appellant om de gegevens betreffende zijn huwelijk zoals die zijn geregistreerd in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen, afgewezen. Bij besluit van 4 oktober 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 juni 2003, verzonden op 5 juni 2003, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2015:866
het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;
ECLI:NL:RVS:2018:1707
201704044/1/A3. Datum uitspraak: 23 mei 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], domicilie kiezend te Amsterdam, appellante, en het college van burgemeester en wethouders van Vaals, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 18 december 2012 heeft het college een verzoek van [appellante] om wijziging van de van haar in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA; thans: basisregistratie personen (BRP)) geregistreerde persoonsgegevens afgewezen. Bij besluit van 25 juni 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201907755/1/A3. Datum uitspraak: 19 augustus 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Enschede, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 oktober 2019 in zaak nr. 18/2114 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Enschede. Procesverloop Bij besluit van 26 februari 2018 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van zijn gegevens over het huwelijk in de basisregistratie personen (hierna: brp) afgewezen.

Bij besluit van 1 november 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 oktober 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen Inleiding 1. Op 6 juni 2016 heeft [appellant] een verklaring onder ede ten overstaan van een ambtenaar van de gemeente Emmen afgelegd. In die verklaring staat dat hij op 1 juni 2015 in Syrië is getrouwd met [echtgenoot]. Over de juistheid van deze verklaring bestond volgens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen geen twijfel. Bij gebrek aan andere documenten over het huwelijk heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen op basis van de verklaring onder ede in de brp ingeschreven dat [appellant] is gehuwd. [appellant] heeft het college verzocht in de brp te registreren dat hij is gescheiden.

Het huwelijk in Syrie zou zijn ontbonden door echtscheiding. Daartoe heeft hij een uittreksel van de burgerlijke stand van Syrië van 22 oktober 2017 en een ‘certificate of celibacy’, afkomstig van de kerk, van 4 oktober 2017 overgelegd. Het college heeft het verzoek afgewezen omdat uit deze documenten niet blijkt dat hij is gescheiden. Bij het besluit op bezwaar van 1 november 2018 is het college niet van dat standpunt afgeweken. Niet is gebleken dat het huwelijk van [appellant], gelet op artikel 31, eerste lid, van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (hierna:

BW), waarin de erkenning van in het buitenland gesloten huwelijken is geregeld, niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Een echtscheidingsdocument zoals voor erkenning van een echtscheiding mogelijk is op grond van artikel 56 van Boek 10 ontbreekt, aldus het college. Het hoger beroep 2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet met de juiste brondocumenten aannemelijk heeft gemaakt dat de in de brp opgenomen gegevens over het huwelijk onjuist zijn. Op basis van het uittreksel van de burgerlijke stand en het certificate of celibacy staat onomstotelijk vast dat hij is gescheiden.

Deze documenten zijn van hogere rangorde dan een eed, zo blijkt uit artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp. Uit het "certificate of celibacy" blijkt dat hij niet is getrouwd of is verloofd. Van een huwelijk dat niet heeft plaatsgevonden kan ook niet worden verlangd dat met documenten wordt bewezen dat het nietig is verklaard. Bovendien is een kerkelijk huwelijk naar Syrisch recht niet geldig. In het uittreksel van de burgerlijke stand staat dan ook dat hij niet getrouwd is. Het college gaat er ook ten onrechte van uit dat het huwelijk op grond van artikel 10:31, eerste lid, van het BW in Nederland wordt erkend, omdat een kerkelijk huwelijk ook in Nederland niet rechtsgeldig is.

Met deze documenten staat onomstotelijk vast dat de in de brp geregistreerde gegevens over het huwelijk onjuist zijn, aldus [appellant]. Daarbij verwijst hij naar de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO3416. Wettelijk kader 3. Artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp luidt: ‘De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder […] c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e: […] c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, […]; d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld; e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.’ Artikel 2.10, eerste en tweede lid, luidt:

‘1. Indien aannemelijk is dat omtrent een gegeven over de familierechtelijke betrekkingen tot de ouders of de kinderen, over het huwelijk en de eerdere huwelijken, over de echtgenoot en de eerdere echtgenoten, over het geregistreerd partnerschap en de eerdere geregistreerde partnerschappen of over de geregistreerde partner en de eerdere geregistreerde partners een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c of d, kan worden verschaft, mogen deze gegevens niet worden ontleend aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder e.

2. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, worden geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.’ Beoordeling hoger beroep 4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:866), is het doel van de brp dat de daarin vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn.

Het bewijs dat eenmaal in de brp opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, kan alleen maar worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens zal gelet op het systeem van de Wet brp onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1707). 4.1. Uit de door [appellant] overgelegde documenten blijkt enkel dat hij ‘single’ en niet getrouwd is. Uit deze documenten valt niet af te leiden dat hij is gescheiden.

Uit deze documenten valt evenmin af te leiden dat zijn huwelijk nietig is verklaard. De stelling van [appellant] dat niet is te bewijzen dat zijn huwelijk niet heeft plaatsgevonden, volgt de Afdeling niet. Bij de immigratieprocedure heeft [appellant] verklaard dat hij is gehuwd en dat de huwelijksakte bij een brand in zijn huis is vernietigd. Onder ede ten overstaan van een ambtenaar van de gemeente Emmen heeft hij nogmaals verklaard dat hij op 1 juni 2015 is gehuwd. Niet is vast komen te staan dat de in de brp geregistreerde gegevens over het huwelijk van [appellant] feitelijk onjuist zijn.

De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Het betoog faalt. Slotsom 5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier. w.g. Bijloos w.g. Klein lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2020 176-857.