Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2020:1385 ECLI:NL:RVS:2020:1385 AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:1385 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2020:1385
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201904465/1/V2. Datum uitspraak: 17 juni 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister, nu de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 juni 2019 in zaak nr. NL19.10703 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 2 mei 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:1385 · Raad van State: In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de asielaanvraag van de vreemdeling ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. 2.1. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:574, onder 4.1 en 4.4) staat, kiest een vreemdeling zelf het moment waarop hij een opvolgende asielaanvraag indient. Daarbij is hij verplicht om volledig te zijn, om zo een efficiënte behandeling mogelijk te maken. Als hij die informatie niet geeft, heeft de staatssecretaris de bevoegdheid de asielaanvraag buiten behandeling te stellen, maar dan moet een vreemdeling wel de mogelijkheid krijgen om zijn aanvraag binnen een door de staatssecretaris te stellen termijn aan te vullen. 2.2.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:574
de vreemdeling heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken over de elementen ter staving van zijn aanvraag, bedoeld in artikel 31, tweede en derde lid, Vw; […] Ad 1 Hierbij kan gedacht worden aan het niet reageren op nadere (schriftelijke) vragen. […] Kennisgevingsformulier model M35-O […] 3 Reden(en) voor het opnieuw indienen van een asielaanvraag > Kruis aan welke situatie(s) van toepassing is/zijn. Voeg de gevraagde toelichting(en) bij het formulier op een apart vel papier. Jurisprudentie • Stuur de betreffende uitspraak mee • Geef aan waarom deze uitspraak ook op u van toepassing is Gewijzigd beleid • Specifieke verwijzing naar de betreffende beleidswijziging (brief aan de Tweede Kamer, Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire of anderszins) • Geef aan waarom deze beleidswijziging ook op u van toepassing is Nieuwe documenten/bewijsmiddelen • Stuur het betreffende document/bewijsmiddel mee (origineel inclusief vertaling) • Geef aan hoe u in het bezit bent gekomen van dit document/bewijsmiddel • Geef aan wanneer u in het bezit bent gekomen van dit document/bewijsmiddel • Geef aan waarom u het document/bewijsmiddel niet eerder hebt ingediend • Geef aan op welke wijze dit document/bewijsmiddel op u van toepassing is en waarom dit voor u reden is om opnieuw een asielaanvraag te willen indienen Nieuwe gebeurtenis/informatie • Geef aan welke nieuwe informatie u hebt verkregen en wanneer • Geef aan welke nieuwe gebeurtenis zich heeft voorgedaan en wanneer • Stuur eventuele bewijsmiddelen mee om de nieuwe informatie of nieuwe gebeurtenis te onderbouwen (origineel inclusief vertaling) • Geef aan waarom u deze informatie/gebeurtenis niet eerder naar voren hebt gebracht • Geef aan waarom deze informatie/gebeurtenis op u van toepassing is en waarom dit voor u reden is om opnieuw een asielaanvraag te willen indienen […]
ECLI:NL:RVS:2017:1253
201607681/1/V3. Datum uitspraak: 9 mei 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 5 oktober 2016 in zaak nr. 16/20135 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 6 september 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2019:2484
201901239/1/V3 Datum uitspraak: 18 juli 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 4 februari 2019 in zaak nr. NL19.398 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 2 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201904465/1/V2. Datum uitspraak: 17 juni 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister, nu de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 juni 2019 in zaak nr. NL19.10703 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 2 mei 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Bij uitspraak van 4 juni 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.D. Lit, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. De vreemdeling heeft met een kennisgevingsformulier, model M35-O, een opvolgende asielaanvraag ingediend.

De staatssecretaris heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat de vreemdeling volgens hem onvoldoende heeft gereageerd op de gestelde vragen in het model M35-O en het voornemen. Volgens de rechtbank heeft hij dit ten onrechte gedaan. Deze uitspraak gaat over de vraag welke eisen de staatssecretaris kan stellen aan de informatie die een vreemdeling in het kader van zijn aanvraag moet geven.

2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de asielaanvraag van de vreemdeling ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. 2.1. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:574, onder 4.1 en 4.4) staat, kiest een vreemdeling zelf het moment waarop hij een opvolgende asielaanvraag indient. Daarbij is hij verplicht om volledig te zijn, om zo een efficiënte behandeling mogelijk te maken. Als hij die informatie niet geeft, heeft de staatssecretaris de bevoegdheid de asielaanvraag buiten behandeling te stellen, maar dan moet een vreemdeling wel de mogelijkheid krijgen om zijn aanvraag binnen een door de staatssecretaris te stellen termijn aan te vullen. 2.2.

Op het kennisgevingsformulier heeft de vreemdeling als reden voor de aanvraag het vakje 'nieuwe gebeurtenis/informatie' aangekruist en daarbij vermeld: 'Problemen in Somalië en Frankrijk. Sinds 2011 in Nederland'. In de zienswijze heeft de vreemdeling toegelicht dat de geldigheidsduur van haar in Frankrijk voor vluchtelingschap verleende verblijfstitel is verlopen. Die verblijfstitel gaf de staatssecretaris eerder aanleiding om de asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren. Door deze nieuwe situatie is de staatssecretaris gehouden om haar asielmotieven inhoudelijk te beoordelen, aldus de vreemdeling. 2.3.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling terecht wegens onvolledigheid buiten behandeling gesteld. Hoewel de geldigheidsduur van de door Frankrijk afgegeven verblijfstitel is verlopen, brengt die omstandigheid niet met zich dat de vreemdeling geen internationale bescherming meer heeft in Frankrijk. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraken van 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253, onder 5.1.1 en 5.1.2 en 18 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2484, onder 3.1. De vreemdeling heeft op het kennisgevingsformulier of bij de zienswijze geen nadere informatie verstrekt over de door haar slechts gestelde beëindiging van die bescherming.

Het is aan een vreemdeling om dergelijke stellingen die aan een opvolgende asielaanvraag ten grondslag liggen te onderbouwen en te staven. De rechtbank is kennelijk niet van dat uitgangspunt uitgegaan. Bij een opvolgende asielaanvraag is het niet aan de staatssecretaris om daarover door middel van onderzoek duidelijkheid te krijgen. 2.4. Verder klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdeling op het kennisgevingsformulier en in de zienswijze onvolledig is geweest over de gestelde problemen in Somalië en Frankrijk.

Op het kennisgevingsformulier heeft de vreemdeling deze problemen vermeld als reden voor het indienen van haar opvolgende asielaanvraag. Zij heeft niet gereageerd op het verzoek van de staatssecretaris om een toelichting op deze problemen. De rechtvaardiging voor die handelwijze, namelijk dat zij heeft willen toelichten waarom de afdoening door de staatssecretaris van eerdere asielaanvragen volgens haar door het verlopen van haar verblijfstitel niet gehandhaafd kan blijven, maakt dat niet anders. Daarmee miskent de vreemdeling dat de staatssecretaris heeft verzocht om juist over deze problemen nadere gegevens te verstrekken, omdat die volgens het door haar ingevulde kennisgevingsformulier reden zijn geweest voor de indiening van de opvolgende asielaanvraag. 2.5.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is daarom gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 juni 2019 in zaak nr. NL19.10703; III. verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. w.g. Bosma griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2020 572-942.