Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2020:1140 ECLI:NL:RVS:2020:1140 AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:1140 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2020:1140
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202000294/1/V3. Datum uitspraak: 29 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 20 december 2019 in zaak nr. 19/1177 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 30 juli 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:1140 · Raad van State: Om die reden heeft de griffier vooralsnog afgezien van het heffen van griffierecht. Daarbij heeft de griffier vermeld dat de rechter die het beroep behandelt definitief beslist of de vreemdeling in staat is om griffierecht te betalen. 1.3. Onder deze omstandigheden mocht de vreemdeling er redelijkerwijs van uitgaan dat hij binnen de in artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb genoemde termijn geen griffierecht hoefde te betalen, tenzij de rechter anders zou beslissen. Dat hij en zijn gemachtigde met voorafgaande kennisgeving niet ter zitting bij de rechtbank op 28 november 2019 zijn verschenen, maakt niet dat hij daar niet meer van mocht uitgaan.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2015:282
Datum uitspraak: 13 februari 2015 13/1349 WWB-V Centrale Raad van Beroep Grote kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2013, 11/2617 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) College van burgemeester en wethouders van Den Helder (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 25 juni 2013 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2015:3650
201406310/1/V2. Datum uitspraak: 18 november 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 1 juli 2014 in zaak nr. 14/8687 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 2 september 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2016:2728
201507058/1/V2. Datum uitspraak: 13 oktober 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 augustus 2015 in zaak nr. 15/6652 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 29 september 2014 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202000294/1/V3. Datum uitspraak: 29 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 20 december 2019 in zaak nr. 19/1177 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 30 juli 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 31 januari 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 december 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I. Özkara, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De vreemdeling klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat hij het verschuldigde griffierecht niet tijdig heeft betaald.

Hij betoogt dat de rechtbank, voordat zij kon oordelen dat hij niet voldeed aan de vereisten voor betalingsonmacht, hem eerst in de gelegenheid had moeten stellen om hierop te reageren. Verder betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte belang heeft gehecht aan zijn oude arbeidsovereenkomst uit 2017. Ten tijde van het instellen van het beroep en tijdens de beroepsfase had hij namelijk geen rechtmatig verblijf meer, waardoor arbeid niet was toegestaan en hij geen recht meer had op sociale voorzieningen, aldus de vreemdeling. 1.1. In de uitspraak van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, heeft de Centrale Raad van Beroep uiteengezet op welke wijze een beroep op betalingsonmacht door de bestuursrechter moet worden behandeld.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3650, is deze uitspraak voor de Afdeling leidend bij de beoordeling van beroepen op betalingsonmacht. 1.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling bij de rechtbank een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan en dat hij op verzoek van de rechtbank een formulier heeft ingevuld waaruit volgt dat hij niet over inkomen of vermogen beschikt. De griffier van de rechtbank heeft de vreemdeling vervolgens bij brief van 4 maart 2019 medegedeeld dat hij mede op basis van de door hem verstrekte gegevens voorlopig van mening is dat de vreemdeling voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht.

Om die reden heeft de griffier vooralsnog afgezien van het heffen van griffierecht. Daarbij heeft de griffier vermeld dat de rechter die het beroep behandelt definitief beslist of de vreemdeling in staat is om griffierecht te betalen. 1.3. Onder deze omstandigheden mocht de vreemdeling er redelijkerwijs van uitgaan dat hij binnen de in artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb genoemde termijn geen griffierecht hoefde te betalen, tenzij de rechter anders zou beslissen. Dat hij en zijn gemachtigde met voorafgaande kennisgeving niet ter zitting bij de rechtbank op 28 november 2019 zijn verschenen, maakt niet dat hij daar niet meer van mocht uitgaan.

Uit het dossier blijkt namelijk niet dat de rechtbank de vreemdeling van haar beslissing over het griffierecht op de hoogte heeft gesteld en hem de gelegenheid heeft gegeven om het verschuldigde bedrag alsnog te betalen. Zonder een dergelijke herstelmogelijkheid kan niet worden geoordeeld dat de vreemdeling in verzuim is geweest. 1.4. Verder wijst de vreemdeling er terecht op dat hij op het moment dat hij beroep instelde, niet in Nederland mocht werken, omdat hij geen rechtmatig verblijf had. Hij behoort dus tot de categorie rechtzoekenden waarvoor volgens de hiervoor genoemde uitspraak van 18 november 2015 het inkomen niet van belang is, maar slechts of hij over vermogen beschikt.

De eigen verklaring van de vreemdeling is hiervoor voldoende; hij hoefde het ontbreken van vermogen verder niet te staven (zie de uitspraak van 13 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2728, onder 1.3.). Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is daarom niet van belang dat de vreemdeling zijn beroep op betalingsonmacht niet nader heeft onderbouwd en evenmin dat zich in het dossier een arbeidsovereenkomst bevindt die op 1 december 2017 is aangegaan voor onbepaalde tijd en waaruit volgt dat de vreemdeling uit dit dienstverband € 1500,00 per maand verdiende. 1.5.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat de vreemdeling in verzuim is geweest. Zij heeft het beroep van de vreemdeling daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 20 december 2019 in zaak nr. 19/1177; III. wijst de zaak naar de rechtbank terug; IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. H.J.M.

Baldinger en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. w.g. Van Laar griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2020 347-846.