Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2020:1090 ECLI:NL:RVS:2020:1090 AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:1090 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2020:1090
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201906192/1/V1. Datum uitspraak: 22 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 juli 2019 in zaak nr. 19/3948 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij uitspraak van 29 juli 2019 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De rechtbank heeft de staatssecretaris bij eerdere uitspraak van 20 maart 2019 opgedragen een medisch onderzoek te laten doen en binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De staatssecretaris heeft de vreemdeling op 29 mei 2019 voor het eerst voor dat onderzoek uitgenodigd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2020:1090 · Raad van State: Het beroepschrift is op 20 mei 2019 bij de rechtbank ingekomen. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken, zodat het beroep gelet op artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb voortijdig is ingesteld. De rechtbank had dat beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:673
201808648/1R1.Datum uitspraak: 8 maart 2019 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen: [appellant], wonend te Bergen (NH), appellant, en de raad van de gemeente Bergen (NH), verweerder. Procesverloop [appellant] heeft in vervolg op de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2018, nr. 201709325/1/R1, beroep ingesteld tegen het andermaal niet tijdig nemen van een besluit door de raad omtrent vaststelling van het bestemmingsplan "Bergen Dorpskern Zuid". De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
ECLI:NL:RVS:2016:7
201504350/1/A2. Datum uitspraak: 13 januari 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats], (hierna ook gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 april 2015 in zaak nr. 14/4985 in het geding tussen: [appellant] en Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (lees: het bestuur van de stichting Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen; hierna: de stichting). Procesverloop Bij besluit van 2 mei 2014 heeft de stichting bepaald dat [appellant] niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van een verlies op de afgeloste hypothecaire lening met Nationale Hypotheekgarantie (hierna:

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201906192/1/V1. Datum uitspraak: 22 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 juli 2019 in zaak nr. 19/3948 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij uitspraak van 29 juli 2019 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De rechtbank heeft de staatssecretaris bij eerdere uitspraak van 20 maart 2019 opgedragen een medisch onderzoek te laten doen en binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De staatssecretaris heeft de vreemdeling op 29 mei 2019 voor het eerst voor dat onderzoek uitgenodigd.

2. De vraag of het beroep ontvankelijk is, is een kwestie van openbare orde. Dit betekent dat de Afdeling ambtshalve toetst of de rechtbank de regels betreffende de ontvankelijkheid van het beroep juist heeft toegepast. 2.1. Als de bestuursrechter een termijn stelt voor het nemen van een besluit, gaan de regelingen voor beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het verbeuren van dwangsommen door het niet tijdig nemen van een besluit ervan uit dat hij de uitspraak op juiste wijze bekendmaakt en dat het bestuursorgaan zijn verplichting kent.

Het doel van een dwangsom, het bestuursorgaan aansporen tot het tijdig nemen van besluiten, kan anders niet worden bereikt. Daarbij is van belang dat een vreemdeling in zo'n geval zonder bezwaar en ingebrekestelling beroep kan instellen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673, onder 8. 2.2. De staatssecretaris heeft in het verweerschrift gesteld dat de rechtbank de uitspraak van 20 maart 2019 naar een verkeerd adres heeft gestuurd, ook al had hij het juiste adres op meerdere wijzen eerder aan haar doorgegeven.

Pas na een e-mail van de vreemdeling van 3 mei 2019 wist de staatssecretaris van die uitspraak. De rechtbank heeft blijkens de zittingsaantekeningen deze fout erkend. De Afdeling stelt vast dat de staatssecretaris die uitspraak ook niet op andere manieren te weten kon komen, zoals het Zaakverloopregister of via notificaties. In zo'n situatie moet het ervoor worden gehouden dat de termijn is gaan lopen vanaf het moment dat de staatssecretaris met de uitspraak bekend is geraakt. Vergelijk de rechtspraak over het aanvangen van de beroepstermijn als een bestuursorgaan een besluit naar het verkeerde adres stuurt, zoals de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:7, onder 4.

Het beroepschrift is op 20 mei 2019 bij de rechtbank ingekomen. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken, zodat het beroep gelet op artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb voortijdig is ingesteld. De rechtbank had dat beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren.

3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank had moeten doen, verklaart de Afdeling het beroep alsnog niet-ontvankelijk. De staatssecretaris moet de proceskosten voor de procedure in hoger beroep vergoeden. Omdat het hoger beroep uitsluitend gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit en van eenvoudige aard is, merkt de Afdeling de zaak als "licht" aan en past zij wegingsfactor 0,5 toe. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 juli 2019 in zaak nr. 19/3948; III. verklaart het beroep niet-ontvankelijk; IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 262,50 (zegge: tweehonderdtweeënzestig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr.

C.J. Borman en mr. J.J van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier. w.g. Van Ettekoven w.g. Van Goeverden-Clarenbeek voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2020 32-862.