Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2019:956 ECLI:NL:RVS:2019:956 AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:956 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2019:956
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201806092/1/A2. Datum uitspraak: 27 maart 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 juni 2018 in zaak nr. 18/167 in het geding tussen: [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 2 oktober 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om herziening van haar recht op kinderopvangtoeslag over 2012 afgewezen. Bij besluit van 5 december 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:956 · Raad van State: Volgens [appellante] heeft zij € 1.202,00 voor beide kinderen per maand aan de kinderopvang betaald. Dat is meer dan het bedrag van € 1.156,00 dat zij aan voorschotten per maand kreeg, aldus [appellante]. 4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3064, en 22 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ8833) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, gelezen in verbinding met artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wko), dat degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, moet kunnen aantonen dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is. 4.2.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:3064
201501703/1/A2. Datum uitspraak: 30 september 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2015 in zaak nr. 13/1344 in het geding tussen: [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij afzonderlijke besluiten van 24 december 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2009 en 2010 herzien en op nihil gesteld. Bij besluit van 31 januari 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2011:BQ8833
Procesverloop Bij besluit van 18 juni 2009 heeft de Belastingdienst het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 herzien en gewijzigd vastgesteld op nihil.
ECLI:NL:RVS:2014:1114
201209147/1/A2. Datum uitspraak: 2 april 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 september 2012 in zaak nr. 12/3258 in het geding tussen: [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 3 juni 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2009 herzien en op € 621,00 gesteld. Bij besluit van 9 maart 2012, aangevuld bij besluit van 22 maart 2012, (hierna tezamen: het besluit op bezwaar) heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het voorschot herzien en op nihil gesteld.
ECLI:NL:RVS:2017:1925
201602656/1/A2. Datum uitspraak: 19 juli 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2016 in zaak nr. 15/2783 in het geding tussen: [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 21 november 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2014 opnieuw berekend en vastgesteld op nihil. Bij besluit van 8 mei 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2012 definitief vastgesteld op nihil en een bedrag van € 6.351,00 teruggevorderd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201806092/1/A2. Datum uitspraak: 27 maart 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 juni 2018 in zaak nr. 18/167 in het geding tussen: [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 2 oktober 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om herziening van haar recht op kinderopvangtoeslag over 2012 afgewezen. Bij besluit van 5 december 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2019, waar [appellante], vergezeld door [persoon], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen. Overwegingen Het wettelijk kader 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding 2. [appellante] heeft in 2012, ten behoeve van de opvang van haar twee kinderen bij de buitenschoolse opvang [opvang] van Stichting Kindcentrum Oldebroek (hierna: SKO), voorschotten kinderopvangtoeslag ontvangen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft deze voorschotten bij besluit van 6 maart 2015 op nihil gesteld. De teveel ontvangen voorschotten kinderopvangtoeslag over 2012 zijn teruggevorderd. Het besluit van 6 maart 2015 heeft in bezwaar, beroep en hoger beroep stand gehouden. Vervolgens heeft [appellante] de dienst verzocht laatstgenoemd besluit te herzien, maar dit verzoek heeft de Belastingdienst/Toeslagen afgewezen.

De dienst heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij de kosten van de kinderopvang in 2012 volledig en tijdig heeft betaald. [appellante] heeft dan ook niet aangetoond dat de tegemoetkoming van de kinderopvangtoeslag op een te laag bedrag is vastgesteld, aldus de dienst. De uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de feiten of omstandigheden die [appellante] in haar verzoek tot herziening heeft aangedragen, niet tot het oordeel leiden dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2012 niet op nihil heeft mogen stellen.

De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling de verschuldigde kosten voor kinderopvang ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna moeten worden voldaan. Dit is slechts anders indien aan de vraagouder geen voorschotten zijn verstrekt, de vraagouder wel een deel van de opvangkosten tijdig heeft betaald en aannemelijk kan maken dat hem door de kinderopvanginstelling uitstel van betaling ten aanzien van het resterende deel is verleend. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen heeft kunnen stellen dat deze bijzondere omstandigheden zich in deze zaak niet voordoen.

De ontvangen voorschotten, die hoger waren dan de totale kosten van de kinderopvang in 2012, heeft zij niet benut voor de betaling van de kosten voor kinderopvang van dat jaar. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de betalingsregeling die [appellante] met de kinderopvanginstelling heeft, dan ook buiten beschouwing mogen laten. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de dienst de teveel betaalde voorschotten terecht heeft teruggevorderd. Het hoger beroep 4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de feiten of omstandigheden die zij in haar verzoek tot herziening heeft aangedragen, niet tot het oordeel leiden dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2012 niet op nihil heeft mogen stellen.

Zij voert hiertoe aan dat de regel dat de kosten voor kinderopvang binnen twee maanden na het berekeningsjaar moeten zijn betaald, slechts geldt als gebruik wordt gemaakt van een gastouderbureau. [appellante] wijst in dit verband op informatie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Volgens [appellante] ziet deze regel niet op haar geval, omdat haar kinderen zijn opgevangen bij een kinderdagverblijf. Zij kon niet weten dat de betalingsregeling die zij heeft getroffen met de kinderopvang, begin 2013 moest zijn voldaan, aldus [appellante]. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aan haar toegekende voorschotten hoger waren dan de kosten van de kinderopvang.

Volgens [appellante] heeft zij € 1.202,00 voor beide kinderen per maand aan de kinderopvang betaald. Dat is meer dan het bedrag van € 1.156,00 dat zij aan voorschotten per maand kreeg, aldus [appellante]. 4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3064, en 22 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ8833) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, gelezen in verbinding met artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wko), dat degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, moet kunnen aantonen dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is. 4.2.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1114), bestaat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag, indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald. Indien slechts een deel van de kosten aantoonbaar is voldaan, kan geen aanspraak worden gemaakt op een evenredig lager voorschot of lagere tegemoetkoming. 4.3. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1925), brengt de achtergrond van de regeling voor het toekennen van kinderopvangtoeslag en het belang van controle op een juiste besteding van overheidsgelden met zich mee dat de verschuldigde kosten voor kinderopvang daadwerkelijk ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna worden voldaan.

Dit is een algemene voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op kinderopvangtoeslag en geldt dus niet slechts, zoals [appellante] stelt, als gebruik wordt gemaakt van een gastouderbureau, maar ook als kinderen worden opgevangen bij een kinderopvangverblijf. In de door [appellante] overgelegde informatie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid staat dat de verschuldigde kosten voor kinderopvang binnen twee maanden moeten worden voldaan indien gebruik wordt gemaakt van gastouderopvang. Hieruit kan niet de conclusie worden getrokken dat de verschuldigde kosten bij gebruikmaking van een kinderopvangverblijf niet ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna dienen te worden voldaan.

Weliswaar is het voorstelbaar dat deze informatie verwarrend is geweest voor [appellante], maar dit maakt niet dat zij hieraan het vertrouwen kon ontlenen dat de betaling van de kosten van opvang in haar geval niet aan een termijn was gebonden. De rechtbank heeft bovendien terecht overwogen dat degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, zich op de hoogte dient te stellen van de voorwaarden die aan de aanspraak op kinderopvangtoeslag zijn verbonden. Zij kan dan ook niet worden gevolgd in haar betoog. 4.4. De Belastingdienst/Toeslagen voert het beleid dat hij kosten van kinderopvang ook aanvaardt indien zij niet ten tijde van de opvang of kort daarna zijn gemaakt, mits aannemelijk wordt gemaakt dat tijdige voldoening - wegens bijvoorbeeld het door de Belastingdienst/Toeslagen te laat uitbetalen van een voorschot - niet mogelijk was en een door partijen overeengekomen uitstel van de voldoening tijdig aan hem wordt doorgegeven.

Deze situatie doet zich hier niet voor. Daartoe is van belang dat vaststaat dat [appellante] in 2012 € 13.873,00 heeft ontvangen aan voorschotten kinderopvangtoeslag voor de opvang van haar twee kinderen. Volgens de jaaropgaven 2012 bedroegen de totale kosten voor kinderopvang over 2012 in totaal € 8.214,16. De facturen die [appellante] heeft overgelegd wijzen op hetzelfde totaalbedrag aan kosten voor kinderopvang. Het door haar aan voorschotten ontvangen bedrag was daarmee hoger dan de door haar te betalen kosten. [appellante] kon daarom de opvangkosten in 2012 of kort daarna voldoen, maar heeft dat niet gedaan.

Overigens heeft zij weliswaar een betalingsregeling getroffen met de kinderopvanginstelling, maar uit de door haar tijdens de zitting overgelegde stukken en haar toelichting hierop, kan worden afgeleid dat ook thans nog een bedrag moet worden voldaan, waarmee ook in zoverre geen sprake is van een tijdig voldoen van de kosten. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de feiten of omstandigheden die [appellante] in haar verzoek tot herziening heeft aangedragen, niet tot het oordeel leiden dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2012 niet op nihil heeft mogen stellen.

Hetgeen [appellante] voor het overige aanvoert, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier. w.g. Sevenster w.g. Van Dokkum lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2019 480-902. Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Artikel 18 "1. Een belanghebbende, een partner en een medebewoner verstrekken de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn. […]." Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen Artikel 1.7 "1.

De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van: a. de draagkracht, en b. de kosten van kinderopvang per kind in het berekeningsjaar, 1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar, 2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en 3º. de soort kinderopvang. […]."