Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2019:847 ECLI:NL:RVS:2019:847 AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:847 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2019:847
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201702609/1/V3. Datum uitspraak: 19 maart 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 maart 2017 in zaak nr. 17/3461 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij uitspraak van 21 maart 2017 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het niet-tijdig door de staatssecretaris nemen van een beslissing niet-ontvankelijk verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:847 · Raad van State: Hetgeen voor het overige is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:838
201703442/1/V3. Datum uitspraak: 19 maart 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 april 2017 in zaak nr. NL17.1281 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 21 maart 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2016:3232
201606176/1/V2. Datum uitspraak: 8 december 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 juli 2016 in zaak nr. 16/11978 in het geding tussen: [de vreemdeling A] en [de vreemdeling B], mede voor hun minderjarige kinderen, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij uitspraak van 18 juli 2016 heeft de rechtbank het door de vreemdelingen ingestelde beroep tegen het niet tijdig door de staatssecretaris nemen van een besluit op hun asielaanvragen gegrond verklaard, vastgesteld dat de staatssecretaris als gevolg daarvan een dwangsom heeft verbeurd van € 1.260,00 en bepaald dat de staatssecretaris uiterlijk op 15 januari 2017 een besluit op de aanvragen neemt.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201702609/1/V3. Datum uitspraak: 19 maart 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 maart 2017 in zaak nr. 17/3461 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij uitspraak van 21 maart 2017 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het niet-tijdig door de staatssecretaris nemen van een beslissing niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R. Balkenende, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld. De vreemdeling en de staatssecretaris hebben desgevraagd naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 13 november 2018, X en X, ECLI:EU:C:2018:900 een reactie ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De in het hogerberoepschrift opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraak vandaag, ECLI:NL:RVS:2019:838, beantwoord. Uit deze uitspraak volgt dat de beslistermijn als bedoeld in artikel 42, zesde lid, gelezen in verbinding met het eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is aangevangen op het moment dat de aangezochte lidstaat niet binnen de termijn van twee weken, genoemd in artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening nr. 1560/2003 (PB 2003 L 222) antwoordt, de aanvullende procedure voor heroverweging daarmee definitief is beëindigd en Nederland vanaf het verstrijken van die termijn verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek. 1.1.

Dat betekent in deze zaak dat Nederland vanaf 25 mei 2016 verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek van de vreemdeling. Gelet op de inwerkingtreding van WBV 2016/3, op 11 februari 2016, is de beslistermijn in alle asielzaken van vóór en ná die datum met negen maanden verlengd (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3232). Dat geldt ook voor deze zaak. Dit betekent dat de staatssecretaris uiterlijk op 26 augustus 2017 een besluit moest nemen op de asielaanvraag van de vreemdeling.

Nu de staatssecretaris op 29 mei 2017 een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van vreemdeling, is de beslistermijn niet overschreden en heeft hij tijdig op de aanvraag beslist.

2. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier. w.g. Verheij w.g. Ahmady-Pikart lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2019 722.