Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2019:659 ECLI:NL:RVS:2019:659 AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:659 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2019:659
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201805026/2/A3. Datum beslissing: 28 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op een verzoek van: [verzoeker] h.o.d.n. [restaurant], wonend te [woonplaats], verzoeker, om toepassing van artikel 8:15 van de Awb. Procesverloop Bij brief van 21 februari 2019 ingekomen bij de Raad van State op 21 februari 2019, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van mr. B.J. van Ettekoven, mr. A.W.M. Bijloos en mr. E. Steendijk (hierna: de staatsraden) als leden van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaak met 201805026/1/A3. staatsraden hebben niet in de wraking berust.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:15 van de Awb, artikel 6:15 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2019:659 · Raad van State: Bij brief van 8 februari 2019 heeft [verzoeker] verzocht om doorzending van het stuk van 30 januari 2019 naar de rechtbank met toepassing van artikel 6:15 van de Awb.

Keywords

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:15 van de Awb artikel 6:15 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht
Datum beslissing: 28 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op een verzoek van: [verzoeker] h.o.d.n.
artikel 8:15 van de Awb
[restaurant], wonend te [woonplaats], verzoeker, om toepassing van artikel 8:15 van de Awb.
artikel 6:15 van de Awb
Bij brief van 8 februari 2019 heeft [verzoeker] verzocht om doorzending van het stuk van 30 januari 2019 naar de rechtbank met toepassing van artikel 6:15 van de Awb.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201805026/2/A3. Datum beslissing: 28 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op een verzoek van: [verzoeker] h.o.d.n. [restaurant], wonend te [woonplaats], verzoeker, om toepassing van artikel 8:15 van de Awb. Procesverloop Bij brief van 21 februari 2019 ingekomen bij de Raad van State op 21 februari 2019, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van mr. B.J. van Ettekoven, mr. A.W.M. Bijloos en mr. E. Steendijk (hierna: de staatsraden) als leden van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaak met 201805026/1/A3. staatsraden hebben niet in de wraking berust.

De Afdeling heeft het wrakingsverzoek op 28 februari 2019 ter openbare zitting aan de orde gesteld, waar [verzoeker] niet is verschenen. De staatsraden hebben geen gebruikgemaakt van de gelegenheid te worden gehoord. Beslissing Bij mondelinge beslissing van 28 februari 2019 heeft de Afdeling het verzoek om toepassing van artikel 8:15 van de Awb afgewezen. Overweging 1. Artikel 8:15 van de Awb luidt: "Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden." 2. [verzoeker] heeft op 30 januari 2019 een stuk ingediend, door hem aangeduid als hoger beroepschrift op nadere gronden.

Hij beoogt met dit stuk rechtstreeks hoger beroep in te dienen tegen een besluit op bezwaar van 18 december 2018. In het stuk wordt tevens verzocht om dit hoger beroep te voegen met een andere bij de Afdeling aanhangige zaak met nummer 201805026/1/A3.

3. Bij brief van 7 februari 2019 heeft de griffier namens de meervoudige kamer bericht dat de Afdeling vooralsnog geen aanleiding ziet aan het verzoek tot voeging tegemoet te komen. Aangegeven is dat het verzoek ter zitting aan de orde kan worden gesteld.

4. Bij brief van 8 februari 2019 heeft [verzoeker] verzocht om doorzending van het stuk van 30 januari 2019 naar de rechtbank met toepassing van artikel 6:15 van de Awb.

5. Bij brief van 12 februari 2019 heeft de griffier namens de meervoudige kamer herhaald dat het verzoek om voeging ter zitting aan de orde kan worden gesteld en dat na een beslissing van de Afdeling hierover eventueel de brief van 30 januari 2019 naar de rechtbank zal worden gestuurd.

6. Bij brief van 15 februari 2019 heeft [verzoeker] - kort gezegd - zijn eerdere verzoeken herhaald.

7. Bij brief van 21 februari 2019 heeft de griffier [verzoeker] namens de meervoudige kamer medegedeeld dat de eerder gedane verzoeken om voeging en doorzending op de zitting van 28 februari 2019 zullen worden besproken voordat de Afdeling daarover zal beslissen.

8. Aan het verzoek om wraking heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat de beslissing om de toepassing van artikel 6:15 van de Awb ter zitting op 28 februari 2019 te bespreken, de weigering om de zaken te voegen en de weigering om de zaak direct door te zenden aan de rechtbank getuigen van partijdigheid en vooringenomenheid.

9. De beslissing om het op 30 januari 2019 gedane verzoek tot voeging voorlopig niet in te willigen, maar de mogelijkheid te bieden het te bespreken op de zitting die kort hierna op 28 februari 2019 plaats zal vinden, is een procesbeslissing die niet getuigt van partijdigheid of vooringenomenheid. Hetzelfde geldt voor de beslissing op het verzoek tot doorzending van 8 februari 2019. Het bespreekbaar maken van dit verzoek op de aanstaande zitting van 28 februari 2019 kan dus evenmin een grond voor wraking opleveren.

10. Het enkele feit dat het stuk van 30 januari 2019 waarbij wordt beoogd hoger beroep in te dienen, door de griffier wordt aangeduid als brief, is ten slotte evenmin reden om partijdigheid of vooringenomenheid aan te nemen. Het stuk is immers een aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geadresseerde brief. Aldus uitgesproken in het openbaar door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier. w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Boer voorzitter griffier 745.