Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2019:632 ECLI:NL:RVS:2019:632 AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:632 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2019:632
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201802332/1/A1. Datum uitspraak: 27 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Dentrax B.V., gevestigd te Alkmaar, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 februari 2018 in zaak nr. 17/1649 in het geding tussen: Dentrax. en het college van burgemeester en wethouders van Bergen, Noord-Holland. Procesverloop Bij besluit van 26 september 2016 heeft het college geweigerd het besluit van 3 december 2013, waarbij aan Dentrax lasten onder dwangsom zijn opgelegd, gedeeltelijk in te trekken. Bij besluit van 16 februari 2017 heeft het college het door Dentrax daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 26 september 2016 met een aanvullende motivering in stand gelaten.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:632 · Raad van State: Daarbij wijst zij op de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2819, waaruit dat volgens haar blijkt. Dentrax stelt dat een getuige bereid is op de zitting te verklaren over het destijds aanwezige feitelijke woongebruik. 2.1. Artikel 5:34, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt; "Het bestuursorgaan dat een last heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen indien de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat een dwangsom is verbeurd." 2.2. Het college heeft bij een besluit over de opheffing van een opgelegde last onder dwangsom beleidsruimte, waarbij het de betrokken belangen dient af te wegen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:513
201406838/1/A1. Datum uitspraak: 18 februari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats], 2. het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH), appellanten, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 12 augustus 2014 in zaak nr. 14/1051 in het geding tussen: [appellante sub 1] en het college. Procesverloop Bij besluit van 3 december 2013 heeft het college aan [appellante sub 1] een vijftal lasten onder dwangsom opgelegd ten aanzien van het perceel [locatie 1] te Bergen. [appellante sub 1] wordt op straffe van een dwangsom van € 75.000,00 gelast het object, bekend als de (recreatie)woning, terug te brengen naar een bijgebouw (schuur/berging) van 50 m² (hierna: last 1), op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 gelast het gebruik van het bijgebouw (schuur/berging) om te overnachten te (laten) staken en gestaakt te houden (hierna: last 2), op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 gelast de aanbouw van 28 m² aan de oostkant van het bijgebouw te verwijderen en verwijderd te houden (hierna: last 3), op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 gelast het bijgebouw, dat in gebruik is of was als kippenhok, te verwijderen en verwijderd te houden (hierna: last 4) en op straffe van een dwangsom van eveneens € 25.000,00 gelast het bijgebouw, dat in gebruik is of was als kas, te verwijderen en verwijderd te houden (hierna: last 5).
ECLI:NL:RVS:2015:427
201110268/5/A1. Datum uitspraak: 18 februari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dentrax B.V., gevestigd te Beverwijk, appellante, en de raad van de gemeente Bergen (NH), verweerder. Procesverloop Bij besluit van 7 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied Noord" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft Dentrax beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2014, waar Dentrax, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr.
ECLI:NL:RVS:2015:2819
201500490/1/A1. Datum uitspraak: 9 september 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], beiden wonend te Bergen (Nh), 2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], 3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend te Bergen (Nh), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 december 2014 in zaken nrs. 14/3878, 14/3880, 14/3881, 14/3882, 14/3883 en 14/3884 in het geding tussen: [appellant sub 1A en appellante sub 1B], [appellant sub 2], [appellant sub 3A en appellant sub 3B] en het college van burgemeester en wethouders van Bergen (Nh) Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 27 februari 2014 heeft het college onderscheidenlijk [appellant sub 1A en appellante sub 1B], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A en appellant sub 3B] onder oplegging van een dwangsom van € 75.000,00 gelast onderscheidenlijk de [locatie 1, locatie 2 en locatie 3] te Bergen terug te brengen naar een bijgebouw, te weten een berging/atelier zoals vergund in de bouwvergunning B99/116 van 25 mei 1999 (lees: 27 april 1999), en zo te houden, door het verwijderen en verwijderd houden van de slaapgelegenheden en ten minste één voorziening zoals de badkamer, het toilet of de keuken, inclusief het leidingwerk.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201802332/1/A1. Datum uitspraak: 27 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Dentrax B.V., gevestigd te Alkmaar, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 februari 2018 in zaak nr. 17/1649 in het geding tussen: Dentrax. en het college van burgemeester en wethouders van Bergen, Noord-Holland. Procesverloop Bij besluit van 26 september 2016 heeft het college geweigerd het besluit van 3 december 2013, waarbij aan Dentrax lasten onder dwangsom zijn opgelegd, gedeeltelijk in te trekken. Bij besluit van 16 februari 2017 heeft het college het door Dentrax daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 26 september 2016 met een aanvullende motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 6 februari 2018 heeft de rechtbank het door Dentrax daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft Dentrax hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2019, waar Dentrax, vertegenwoordigd door [gemachtigden], vergezeld van [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.P. van de Ven, zijn verschenen. Na het sluiten van het onderzoek op de zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend om Dentrax in de gelegenheid te stellen stukken in te brengen.

Dat heeft Dentrax gedaan. Het college en Dentrax hebben een nadere reactie gegeven. Zij hebben toestemming verleend een nadere zitting achterwege te laten, waarop het onderzoek is gesloten. Overwegingen 1. Dentrax heeft een schuur op het perceel Kerkedijk 51S te Bergen verbouwd tot woning en heeft deze als zodanig gebruikt. Bij besluit van 3 december 2013 heeft het college aan Dentrax lasten onder dwangsom opgelegd. Aan het besluit heeft het college wat betreft de opgelegde lasten 1 en 2 ten grondslag gelegd dat het gebruik van de schuur als woning in strijd is met het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Noord".

Last 1 houdt in dat de schuur moet worden teruggebracht naar een bijgebouw van 50 m². Daartoe dient de nutsvoorziening die voorziet in een gasaansluiting, te worden verwijderd en minstens één voorziening zoals de badkamer, het toilet of de keuken, inclusief leidingwerk, te worden verwijderd alsmede de slaapgelegenheden. Last 2 ziet op het (laten) staken van het gebruik van de tot woning verbouwde schuur. Dentrax heeft het college verzocht om last 1 gedeeltelijk en last 2 geheel op te heffen. Vast staat dat het besluit een jaar van kracht is geweest zonder dat een dwangsom is verbeurd, zodat het college bevoegd is de door Dentrax bedoelde lasten op te heffen door het besluit van 3 december 2013 in zoverre in te trekken.

Het college is blijkens het in bezwaar gehandhaafde besluit niet bereid de lasten in de door Dentrax bedoelde zin op te heffen, omdat het zich op het standpunt stelt dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:513, het gebruik van de schuur als woning in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Er kan geen geslaagd beroep op het in dat bestemmingsplan neergelegde overgangsrecht worden gedaan, reeds omdat het voorgaande bestemmingsplan "Weidegebied" bewoning van de schuur niet toestond, aldus het college. Daarbij heeft het gewezen op een andere uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:427, waarin het ging om een beroep van Dentrax tegen het vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk Gebied Noord".

Het college verwacht dat bij gedeeltelijke intrekking van de lasten het woongebruik zal worden hervat en het opnieuw een handhavingsbesluit moet nemen. Dat acht het college ongewenst en daarom is het niet bereid de lasten op te heffen.

2. Dentrax betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van de schuur als woning niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Zij voert aan dat zij, anders dan de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:513, wel een geslaagd beroep op het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Noord" kan doen. In deze uitspraak is ten onrechte ervan uitgegaan dat het voorheen geldende bestemmingsplan "Weidegebied" op gronden met de bestemming "Wonen-3" wonen in bijgebouwen, zoals de schuur, niet toestaat.

Daarbij wijst zij op de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2819, waaruit dat volgens haar blijkt. Dentrax stelt dat een getuige bereid is op de zitting te verklaren over het destijds aanwezige feitelijke woongebruik. 2.1. Artikel 5:34, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt; "Het bestuursorgaan dat een last heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen indien de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat een dwangsom is verbeurd." 2.2. Het college heeft bij een besluit over de opheffing van een opgelegde last onder dwangsom beleidsruimte, waarbij het de betrokken belangen dient af te wegen.

De rechter toetst of het college in redelijkheid tot zijn besluit om omgevingsvergunning niet op te heffen heeft kunnen komen. 2.3. De rechtbank is terecht ervan uitgegaan dat het gebruik als woning van de schuur niet is toegestaan ingevolge het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied Noord". De rechtbank heeft daarbij de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2015 tot uitgangspunt kunnen nemen. In die uitspraak is geoordeeld dat Dentrax geen geslaagd beroep kan doen op het in artikel 39, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Noord" neergelegde overgangsrecht, nu het gebruik van de schuur als woning niet was toegestaan ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Weidegebied".

Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in de uitspraak van eveneens 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:427, waarin het ging om een beroep van Dentrax tegen het vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk Gebied Noord", was op het perceel Kerkedijk 51S, dat de bestemming "Woondoeleinden" had, ingevolge het geldende bestemmingsplan "Weidegebied" geen woning toegestaan, nu woningen enkel waren toegestaan binnen een op de plankaart aangegeven bouwvlak en het perceel op de plankaart niet was voorzien van een bouwvlak. Om die reden valt het gebruik van de schuur als woning niet onder de beschermende werking van het gebruiksovergangsrecht van artikel 39, aanhef en onder a, van de planregels.

Daartoe is van belang, zo overwoog de Afdeling, dat gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingplan is uitgezonderd van het gebruiksovergangsrecht. Anders dan waarvan Dentrax uitgaat, heeft de Afdeling in de uitspraak van 9 september 2015 geen andersluidend oordeel gegeven over het toegestane gebruik op gronden die ingevolge het bestemmingsplan "Weidegebied" de bestemming "Woondoeleinden" hebben. De Afdeling overwoog in die uitspraak dat het standpunt van het college dat het gebruik als woning van een atelier niet is toegestaan ingevolge artikel 5, lid B, van de voorschriften van dat bestemmingsplan, een bouwvoorschrift, onjuist is.

Het college had daarmee een onjuiste grondslag voor het handhavingsbesluit gehanteerd. In de uitspraak is de Afdeling niet toegekomen aan de vraag of het gebruik als woning van het atelier was toegestaan ingevolge artikel 5, lid A, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Weidegebied". Gezien het vorenstaande is de rechtbank terecht ervan uitgegaan dat het gebruik van de schuur als woning niet is toegestaan, omdat het niet onder het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Noord" valt. Aan het betoog van Dentrax dat het gebruik van de schuur als woning zich feitelijk al voordeed op de peildatum en aan het door hem in dit verband gedane bewijsaanbod, wordt niet toegekomen.

In wat Dentrax heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft mogen besluiten om de lasten niet op te heffen. Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier. w.g. Bijloos w.g. Van Heusden lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019 163.