ECLI:NL:RVS:2019:376 · Raad van State
Legislator summary
AI generated201900489/1/V3. Datum uitspraak: 6 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2019 in zaak nr. NL18.25066 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 25 december 2018 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 11 januari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:RVS:2019:376 · Raad van State: 201900489/1/V3. Datum uitspraak: 6 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2019 in zaak nr. NL18.25066 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 25 december 2018 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 11 januari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard.
Full text
201900489/1/V3. Datum uitspraak: 6 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2019 in zaak nr. NL18.25066 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 25 december 2018 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 11 januari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verbaas, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Wat de vreemdeling met zijn hoger beroep kennelijk nastreeft, is bereikt, aangezien de vrijheidsontnemende maatregel op 7 januari 2019 is opgeheven, hem door de staatssecretaris een volledige schadevergoeding is aangeboden en de rechtbank de staatssecretaris in de proceskosten heeft veroordeeld. Voor het oordeel dat de vreemdeling niettemin nog belang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep, bestaat geen grond.
2. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier. w.g. Verheij w.g. Annen lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2019 765.