Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2019:372 ECLI:NL:RVS:2019:372 AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:372 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2019:372
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201806781/1/V2. Datum uitspraak: 5 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 augustus 2018 in zaak nr. NL18.12502 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:372 · Raad van State: 201806781/1/V2. Datum uitspraak: 5 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 augustus 2018 in zaak nr. NL18.12502 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201806781/1/V2. Datum uitspraak: 5 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 augustus 2018 in zaak nr. NL18.12502 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 8 augustus 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.J. Blijdorp, advocaat te Leerdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De staatssecretaris klaagt in de derde grief dat de rechtbank ten onrechte een eigen oordeel heeft gegeven over de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde intensivering van haar christelijk geloof.

Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank daarmee een onjuiste toetsingsmaatstaf gehanteerd. 1.1. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat de vreemdeling duidelijke verklaringen heeft afgelegd waaruit de intensivering van haar bekering blijkt. De rechtbank heeft, op basis van een aantal door haar geselecteerde passages uit het gehoor opvolgende aanvraag, overwogen dat uit die passages volgt dat de staatssecretaris ten onrechte geen geloofsintensivering heeft aangenomen. De staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank daarmee haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid van de gestelde bekering in de plaats heeft gesteld van zijn oordeel (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:891 en 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3007).

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Wat de staatssecretaris voor het overige aanvoert, behoeft geen verdere bespreking. De Afdeling zal de zaak krachtens artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van wat hiervoor is overwogen.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 augustus 2018 in zaak nr. NL18.12502; III. wijst de zaak naar de rechtbank terug. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Duyster, griffier. w.g. Verheij w.g. Duyster voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2019 806.