Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2019:3486 ECLI:NL:RVS:2019:3486 AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:3486 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2019:3486
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201900132/1/A1. Datum uitspraak: 16 oktober 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Zoelen, gemeente Buren, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 november 2018 in zaken nrs. 18/2656 en 18/3887 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Buren. Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2017 heeft het college aan [appellant] onder oplegging van dwangsommen gelast om een aantal gebouwen, een verdiepingsvloer en opslag van materialen op het perceel [locatie] te Buren (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Legislator headnote

AI generated

artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 5:39 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2019:3486 · Raad van State: Artikel 3, achtste lid, van bijlage II van het Bor luidt: "Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op: een verandering van een bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. geen verandering van de draagconstructie, b. geen verandering van de brandcompartimentering of beschermde subbrandcompartimentering, c. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, en d. geen uitbreiding van het bouwvolume." 3.2. Het college heeft ter zitting onweersproken betoogd dat de draagconstructie is gewijzigd, zodat het aanbrengen van de verdiepingsvloer vergunningplichtig is.

Keywords

AI generated
artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 5:39 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht
Dat, zoals [appellant] betoogt, artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) inmiddels is gewijzigd, in die zin dat ook een last kan worden opgelegd die strekt tot gedeeltelijk herstel van de overtreding, maakt dat niet anders.
artikel 5:39 van de Awb
Dit besluit maakt, gelet op artikel 5:39 van de Awb, onderdeel uit van dit geding.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2018:1872
201703861/1/A1. Datum uitspraak: 6 juni 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Zoelen, gemeente Buren, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 april 2017 in zaak nr. 16/4505 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Buren. Procesverloop Bij besluit van 22 december 2015 heeft het college aan [appellant] een aantal lasten onder dwangsom opgelegd ten aanzien van bouwwerken op het perceel [locatie] te Buren (hierna: het perceel). Bij besluit van 19 januari 2016 heeft het college aan [appellant] opnieuw een aantal lasten opgelegd ten aanzien van bouwwerken, containers en opslag van materialen op het perceel.
ECLI:NL:RVS:2018:3620
Landgoed Sollewerf B.V. en [appellant sub 1B], gevestigd respectievelijk wonend te Beekbergen, gemeente Apeldoorn, (hierna tezamen en in enkelvoud: Landgoed Sollewerf) 2. het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 mei 2017 in zaak nr. 16/6851 in het geding tussen: Landgoed Sollewerf en het college. Procesverloop Bij besluit van 6 april 2016 heeft het college Landgoed Sollewerf gelast: a. het verhuren van de woning (Charming lodge) als recreatiewoning en; b. het verhuren van de voor bewoning geschikt gemaakte bijgebouwen als recreatiewoning, Hunting lodge (B1) en Unique cottage (B2); op het perceel Solleweg 50 te Beekbergen (hierna: het perceel), kadastraal bekend gemeente Beekbergen, sectie I, nummers 1504 en 1503 te beëindigen en beëindigd te houden; c. het geplaatste hekwerk op het perceel, kadastraal bekend gemeente Beekbergen, sectie I nummers 2809 en 2810, te verwijderen en verwijderd te houden; d. de (zwem)vijver op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden; e. het vernieuwde, vergrote en voor bewoning geschikt gemaakte bestaande bijgebouw (Unique cottage) op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden; f. de twee nieuwe bijgebouwen waarvan er één geschikt is gemaakt voor bewoning (Hunting lodge) in strijd met het bestemmingsplan "Stuwwalrand Parkzone Zuid"(F1) en de andere wordt gebruikt voor opslag (F2) op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 21.000,00 per maand met een maximum van € 126.000,00 met betrekking tot punt a van de last, een dwangsom van € 24.000,00 per maand met een maximum van € 144.000,00 met betrekking tot punt B1, een dwangsom van € 15.000,00 per maand met een maximum van € 90.000,00 met betrekking tot punt B2, een dwangsom van € 5.000,00 per maand met een maximum van € 30.000,00 met betrekking tot punt C, een dwangsom van € 5.000,00 per maand met een maximum van € 30.000,00 met betrekking tot punt D, een dwangsom van € 25.000,00 per maand met een maximum van € 150.000,00 met betrekking tot punt E, een dwangsom van € 25.000,00 per maand met een maximum van € 150.000,00 met betrekking tot punt F1 en een dwangsom van € 10.000,00 per maand met een maximum van € 60.000,00 met betrekking tot punt F2.
ECLI:NL:RVS:2002:AE3969
Procesverloop Bij besluit van 22 augustus 2000, kenmerk 2000/34839, hebben verweerders het verzoek van appellante, om met toepassing van bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen te bewerkstelligen dat de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghouder] een vergunning krachtens de Wet milieubeheer aanvraagt voor de inzet van een mobiele grondreinigingsinstallatie in het kader van het saneren van de [locatie], afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij besluit van 19 december 2000, verzonden op 19 december 2000, kenmerk 2000/54125, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar, voorzover hier van toepassing, ongegrond verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201900132/1/A1. Datum uitspraak: 16 oktober 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Zoelen, gemeente Buren, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 november 2018 in zaken nrs. 18/2656 en 18/3887 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Buren. Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2017 heeft het college aan [appellant] onder oplegging van dwangsommen gelast om een aantal gebouwen, een verdiepingsvloer en opslag van materialen op het perceel [locatie] te Buren (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 30 april 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en het besluit van 3 juli 2017 gedeeltelijk herroepen. Bij uitspraak van 29 november 2018 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 29 mei 2019 heeft het college een bedrag van € 70.000 euro aan dwangsommen ingevorderd. [appellant] heeft tegen dat besluit gronden ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2019, waar het college, vertegenwoordigd door R.A. Vermeulen, is verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] is eigenaar van het perceel, waar hij een kiwibessenkwekerij exploiteert. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2008" heeft het perceel de bestemming "Agrarisch - Komgebied". Op het perceel ligt geen agrarisch bouwvlak. Tijdens een controle op 26 mei 2017 is geconstateerd dat op het perceel zonder vergunning en/of in strijd met het bestemmingsplan verschillende bouwwerken waren opgericht dan wel vernieuwd of verbouwd en materialen werden opgeslagen.

Bij besluit van 3 juli 2017 heeft het college lasten onder dwangsom opgelegd om de geconstateerde overtredingen te beëindigen. Bij besluit van 30 april 2017 heeft het college de last voor de opslag van materialen herroepen en de overige lasten in stand gelaten. De rechtbank heeft dat besluit in stand gelaten. Bij besluit van 29 mei 2019 heeft het college een bedrag van € 70.000 aan verbeurde dwangsommen bij [appellant] ingevorderd. [appellant] kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank en evenmin met het invorderingsbesluit. Het hoger beroep ten aanzien van de lasten onder dwangsom 2.

De opgelegde lasten onder dwangsom die onderwerp zijn van het hoger beroep houden het volgende in. Het verwijderen en verwijderd houden van: - de hooischuur (gebouw); - de verdiepingsvloer in de vergunde schuur; - de oude schuur achter de vergunde schuur (gebouw); - het nieuwe bijgebouw (gebouw); 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het aanbrengen van de verdiepingsvloer in de vergunde schuur op grond van artikel 3, achtste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) niet vergunningplichtig is. Het betreft geen wijziging van de draagconstructie of de brandcompartimentering, aldus [appellant]. 3.1.

Artikel 3, achtste lid, van bijlage II van het Bor luidt: "Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op: een verandering van een bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. geen verandering van de draagconstructie, b. geen verandering van de brandcompartimentering of beschermde subbrandcompartimentering, c. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, en d. geen uitbreiding van het bouwvolume." 3.2. Het college heeft ter zitting onweersproken betoogd dat de draagconstructie is gewijzigd, zodat het aanbrengen van de verdiepingsvloer vergunningplichtig is.

Er is geen aanleiding deze stelling niet te volgen. Het betoog faalt.

4. Verder zijn de hooischuur, de oude schuur achter de vergunde schuur en het nieuwe bijgebouw zonder daartoe vereiste vergunningen opgericht en in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Dit is tussen partijen niet in geschil. Gelet op het vorenstaande was het college bevoegd handhavend op te treden.

5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat concreet zicht op legalisering bestaat.

Daarbij wijst [appellant] op de door het college vastgestelde beleidsregel "Beleidsregel bestemmingsplanafwijkingen" en voert hij aan dat hij bereid is een vergunningaanvraag in te dienen. 6.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is medewerking te verlenen aan het afwijken van het bestemmingsplan voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1872, heeft overwogen bestaat geen concreet zicht op legalisering van de overtredingen ten aanzien van de onder 2 genoemde gebouwen op het perceel.

Verder bestond ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom bij het college geen bereidheid om medewerking te verlenen aan vergunningverlening voor de verdiepingsvloer. Voor zover [appellant] zich beroept op de "Beleidsregel bestemmingsplanafwijkingen" overweegt de Afdeling dat deze geen zelfstandige grondslag biedt voor vergunningverlening. Dat [appellant] bereid is een vergunningaanvraag in te dienen, maakt ten slotte niet dat daarmee sprake is van concreet zicht op legalisatie. Het betoog faalt. 7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de opgelegde lasten onder dwangsom te verstrekkend zijn.

Het college had kunnen volstaan met het opleggen van een last onder dwangsom die gericht is op het verkrijgen van een toereikende vergunning. Verder bestaat er uit een oogpunt van de bescherming van milieu, flora en fauna geen noodzaak tot verwijdering van de gebouwen, aldus [appellant]. 7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3620, is een last die ziet op het beëindigen van de overtreding in beginsel niet te verstrekkend. Verder heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE3969, terecht overwogen dat het systeem van de wet niet toelaat dat een dwangsom kan worden opgelegd teneinde het indienen van een toereikende vergunningaanvraag af te dwingen.

Dat, zoals [appellant] betoogt, artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) inmiddels is gewijzigd, in die zin dat ook een last kan worden opgelegd die strekt tot gedeeltelijk herstel van de overtreding, maakt dat niet anders. Met het indienen van een vergunningaanvraag wordt de overtreding niet hersteld, ook niet gedeeltelijk. Daar komt bij dat, zoals onder 6.1 is overwogen, het college niet bereid is medewerking te verlenen aan het afgeven van de benodigde vergunningen. Ten slotte vormt het ontbreken van natuurbeschermings- en milieubelangen, als door [appellant] gesteld, geen bijzondere omstandigheid om van handhaving af te zien.

Evenmin behoefde dit voor het college aanleiding te zijn minder verstrekkende lasten op te leggen. Het betoog faalt. 8. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van de lasten onder dwangsom. Hij stelt dat het college het besluit daartoe onzorgvuldig heeft gemotiveerd en de daarbij betrokken belangen niet heeft afgewogen.

9. Anders dan [appellant] betoogt is het college in het primaire besluit en het besluit op bezwaar ingegaan op de beginselplicht tot handhaving en de bij de handhaving betrokken belangen. Voor zover [appellant] betoogt dat het college ten onrechte geen kenbare belangenafweging in de besluiten heeft neergelegd, mist dat betoog feitelijke grondslag. Verder is het college in het besluit op bezwaar ingegaan op de door [appellant] gemaakte bezwaren. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college het besluit tot het opleggen van de lasten onder dwangsom onzorgvuldig of ontoereikend heeft gemotiveerd. Het betoog faalt.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen. Het beroep tegen het invorderingsbesluit 11. Bij besluit van 29 mei 2019 heeft het college een bedrag van € 70.000 euro aan dwangsommen ingevorderd. Dit besluit maakt, gelet op artikel 5:39 van de Awb, onderdeel uit van dit geding.

12. Bij brief van 5 augustus 2019 heeft het college [appellant] meegedeeld dat de bevoegdheid tot invordering is verjaard en dat de dwangsom daarom niet hoeft te worden betaald. Deze brief moet worden geduid als een besluit tot intrekking van het besluit van 29 mei 2019. Gelet hierop kan [appellant] niet worden geacht belang te hebben bij een uitspraak op zijn beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Proceskosten 13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Buren van 29 mei 2019 niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier. w.g. Borman w.g. Van der Maesen de Sombreff lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2019 190-866.