Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2019:3358 ECLI:NL:RVS:2019:3358 AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:3358 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2019:3358
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201903860/2/A3. Datum beslissing: 8 oktober 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 april 2019 in zaak nr. 18/6277 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Procesverloop [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 april 2019 in zaak nr. 18/6277. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2019:3358 · Raad van State: 201903860/2/A3. Datum beslissing: 8 oktober 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 april 2019 in zaak nr. 18/6277 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Procesverloop [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 april 2019 in zaak nr. 18/6277. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.

Keywords

AI generated
artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201903860/2/A3. Datum beslissing: 8 oktober 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 april 2019 in zaak nr. 18/6277 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Procesverloop [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 april 2019 in zaak nr. 18/6277. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.

Het betreft het rapport van een door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna AIVD) naar [appellant] gedaan veiligheidsonderzoek met daarbij behorende stukken. Overwegingen 1. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen. Kennisneming van de stukken door de wederpartij zal lopende en toekomstige onderzoeken bemoeilijken en daardoor leiden tot schade voor de nationale veiligheid, aldus de minister.

2. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.

3. De Afdeling heeft kennis genomen van de overgelegde stukken en daarbij vastgesteld dat deze op veel punten verwijzingen bevatten naar de bronnen van de daarin vervatte informatie. Bescherming van bronnen is van belang zowel ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen als ter verzekering van een goede taakvervulling door de AIVD. Beperking van de kennisneming is daarmee tevens in het belang van de nationale veiligheid. Naar het oordeel van de Afdeling wegen deze belangen in dit geval zwaarder dan het belang van de wederpartij om kennis nemen van de stukken. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het rapport van het veiligheidsonderzoek niet ten grondslag ligt aan het in de bodemprocedure aan de orde zijnde besluit van de minister. De feiten die de basis vormen voor dit besluit zijn in dit besluit vermeld, zodat [appellant] niet wordt beperkt in zijn mogelijkheid zich hiertegen te verweren.

4. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek toe. Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier. w.g. Van Eck w.g. Klein lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2019 176.