Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2019:309 ECLI:NL:RVS:2019:309 AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:309 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2019:309
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201803259/1/A1. Datum uitspraak: 6 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te Den Haag, en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 2 november 2017 heeft het college zijn beslissing om op 30 oktober 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 9 van de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:309 · Raad van State: Wellicht is de doos er uitgevallen toen een derde zijn papier in de container wilde doen, aldus [appellant]. 3.1. Artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt." Artikel 5:32, eerste lid, luidt: "Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen." Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen ,onder meer in de uitspraak van 1 juni 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AT6561), zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2005:AT6561
Procesverloop Op 9 november 2004 heeft verweerder met toepassing van artikel 5:24, vijfde en zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van appellante bestuursdwang toegepast als geregeld in artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht ter zake van het, in strijd met artikel 20, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening Utrecht 2004 door appellante ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de [locatie 1], ter hoogte van nummer […], te Utrecht. De bestuursdwang heeft bestaan in het verwijderen van de afvalstoffen.
ECLI:NL:RVS:2014:1361
201308339/1/A4. Datum uitspraak: 16 april 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend te Den Haag, en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 23 april 2013 heeft het college zijn beslissing om op 18 april 2013 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het door [appellante] in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld.
ECLI:NL:RVS:2017:2592
201607955/1/A1. Datum uitspraak: 27 september 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 14 juni 2016 heeft het college zijn beslissing om op 7 juni 2016 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte, te weten een bedrag van € 126,00, van de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van [appellant] komt.
ECLI:NL:RVS:2018:4075
201800717/1/A1. Datum uitspraak: 12 december 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te Den Haag, appellant, en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 9 oktober 2017 heeft het college zijn beslissing om op 4 oktober 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 (hierna: de Afvalstoffenverordening) van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte (€ 126,00) van de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van [appellant] komt.
ECLI:NL:RVS:2015:2023
201409095/1/A4. Datum uitspraak: 1 juli 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 9 juli 2014 heeft het college zijn beslissing om op 2 juli 2014 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2011 van de gemeente Zwolle (hierna: de Afvalstoffenverordening) en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening 2011 van de gemeente Zwolle (hierna: het Uitvoeringsbesluit) aanbieden van grof huishoudelijk afval spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201803259/1/A1. Datum uitspraak: 6 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te Den Haag, en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 2 november 2017 heeft het college zijn beslissing om op 30 oktober 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 9 van de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld.

Daarbij heeft het college vermeld dat een deel van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten een bedrag van € 126,00, voor rekening van [appellant] komen. Bij besluit van 6 maart 2018 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2019, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr.

S. Immazouine, zijn verschenen. Overwegingen 1. Artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening luidt: "Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot." 2. Op 30 oktober 2017 heeft een toezichthouder van de gemeente op het Willem Royaardsplein ter hoogte van nummer 11 een doos naast de aangewezen inzamelvoorziening aangetroffen.

Om vervuiling op straat te voorkomen, heeft de gemeente de doos met spoed opgeruimd. Op de doos zat een etiket met de naam en het adres van [appellant]. Om die reden heeft het college [appellant] als overtreder aangemerkt en de kosten van de toepassing van spoedeisende bestuursdwang op hem verhaald. 3. [appellant] betoogt dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt [appellant] dat hij de doos opgevouwen in de inzamelvoorziening heeft gedaan, dat de inzamelvoorziening weliswaar erg vol was, maar dat de kartonnen doos er nog in paste, dat hij een getuige heeft die dit in een overgelegde schriftelijke verklaring heeft bevestigd en dat alleen de vondst van de doos naast de inzamelvoorziening niet betekent dat [appellant] het onjuist heeft aangeboden.

Wellicht is de doos er uitgevallen toen een derde zijn papier in de container wilde doen, aldus [appellant]. 3.1. Artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt." Artikel 5:32, eerste lid, luidt: "Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen." Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen ,onder meer in de uitspraak van 1 juni 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AT6561), zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is.

Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden. 3.2. Vaststaat dat op 30 oktober 2017 naast de inzamelvoorziening op het Willem Royaardsplein ter hoogte van nummer 11 een doos is aangetroffen met daarop een sticker, waarop de naam en het adres van [appellant] staan vermeld. [appellant] ontkent niet dat de doos van hem afkomstig is. Het college heeft zich, gelet op de adressering, terecht op het standpunt gesteld dat deze doos herleidbaar is tot [appellant]. 3.3.

Zoals het college terecht heeft gesteld, mag het college in beginsel uitgaan van de juistheid van de door de toezichthouder van de Dienst Stadsbeheer op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt rapport, waaruit blijkt dat de doos naast de aangewezen inzamelvoorziening is aangetroffen. Zie ter vergelijking de uitspraken van de Afdeling van onderscheidenlijk 16 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1361) en 27 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2592). Het betoog van [appellant] dat hij de doos op juiste wijze heeft aangeboden reeds omdat hij de doos in de daartoe bestemde container heeft gedeponeerd, faalt.

De door [appellant] overgelegde schriftelijke verklaring is evenmin voldoende om aan te nemen dat hij niet degene is geweest die de doos op onjuiste wijze heeft aangeboden, omdat deze verklaring niet afkomstig is uit een voldoende verifieerbare, objectieve bron. Zie ter vergelijking voormelde uitspraak van de Afdeling van 27 september 2017. Het feit dat de doos naast de inzamelvoorziening is aangetroffen, betekent dat de doos op onjuiste wijze is aangeboden. Het gebruik maken van een volle inzamelcontainer, met de kans dat een derde de doos er uithaalt, komt voor rekening en risico van [appellant].

Het onjuist aanbieden van de doos moet derhalve aan [appellant] worden toegerekend. Hij heeft met het hierboven onder 3 weergegeven betoog niet aannemelijk gemaakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden. Het betoog faalt.

4. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat de door het college op hem verhaalde kosten onredelijk hoog zijn, overweegt de Afdeling dat (zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 12 december 2018; ECLI:NL:RVS:2018:4075) de kosten van de toepassing van bestuursdwang niet alleen bestaan uit de kosten voor het feitelijk verwijderen van de op onjuiste wijze ter inzameling aangeboden doos, maar ook uit onder meer de kosten voor het onderzoeken van de inhoud van de doos en het opstellen van een rapportage, afgezet tegen het aantal daaraan bestede minuten. In het door [appellant] gestelde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de in rekening gebrachte kosten onredelijk hoog zijn. Zijn vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2023) treft geen doel, reeds omdat het in die zaak een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwolle betrof. Het betoog faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, griffier. w.g. Troostwijk w.g. De Jong lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2019 628.