Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2019:2601 ECLI:NL:RVS:2019:2601 AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:2601 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2019:2601
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201703842/1/V2. Datum uitspraak: 30 juli 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 mei 2017 in zaak nr. 17/7453 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 5 april 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:2601 · Raad van State: De Afdeling wijst hierbij op haar uitspraak van 18 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3468, en de daarin aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP0476. De grief slaagt.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:2669
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 15 februari 2016 en haar uitspraak van 18 mei 2016, beide in zaak nr.
ECLI:NL:RVS:2017:3468
201703327/1/V2. Datum uitspraak: 18 december 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 april 2017 in zaak nr. NL17.1332 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 22 maart 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2004:AP0476
De Afdeling wijst hierbij op haar uitspraak van 18 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3468, en de daarin aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP0476.
ECLI:NL:RVS:2019:2073
201604484/3/V2. Datum uitspraak: 3 juli 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 15 februari 2016 en haar uitspraak van 18 mei 2016, beide in zaak nr. 14/26371, in het geding tussen: [vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij verwijzingsuitspraak van 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2669 (hierna: de verwijzingsuitspraak), heeft de Afdeling het Hof van Justitie verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de gestelde vragen over de uitleg van de Procedurerichtlijn (PB 2013 L 180).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201703842/1/V2. Datum uitspraak: 30 juli 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 mei 2017 in zaak nr. 17/7453 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 5 april 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 8 mei 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Arslan, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Naar aanleiding van de verwijzingsuitspraak van 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2669, heeft de Afdeling partijen bericht dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie. Na de intrekking van haar verzoek om een prejudiciële beslissing heeft de Afdeling partijen bericht dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden in afwachting van haar uitspraak over voor het eerst in beroep aangevoerde asielmotieven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Wat de vreemdeling in de eerste tot en met derde grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000).

2. In de vierde grief klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris niet gehouden was om onderzoek te (laten) doen naar het door hem overgelegde proces-verbaal van huiszoeking en bevel tot aanhouding. De staatssecretaris heeft de vreemdeling in het besluit van 5 april 2017 tegengeworpen dat hij geen originele, authentieke bewijsstukken heeft overgelegd. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris hiermee niet heeft kunnen volstaan, nu het een eerste aanvraag betreft, terwijl uit de besluitvorming van de staatssecretaris niet blijkt dat over de authenticiteit van het proces-verbaal en het bevel concrete twijfel bestaat en de staatssecretaris evenmin in de bestuurlijke of de rechterlijke fase een inzichtelijk gemotiveerd standpunt heeft ingenomen over de inhoud van de documenten op grond waarvan hij concludeert dat deze de gestelde problemen van de vreemdeling hoe dan ook niet aannemelijk kunnen maken.

De Afdeling wijst hierbij op haar uitspraak van 18 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3468, en de daarin aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP0476. De grief slaagt.

3. De in de vijfde grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling beantwoord bij uitspraak van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2073. Uit de overwegingen van deze uitspraak, waarbij de Afdeling blijft, volgt dat de rechtbank op grond van het moment van indiening van een asielmotief en de concreetheid ervan moet onderzoeken of zijzelf en de staatssecretaris het asielmotief bij het beroep kunnen betrekken. Hieruit vloeit voort dat de grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Met het oog op de rechtsbescherming en omwille van de rechtsontwikkeling wordt de zaak krachtens artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb naar de rechtbank teruggewezen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van wat hiervoor is overwogen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 mei 2017 in zaak nr. 17/7453; III. wijst de zaak naar de rechtbank terug; IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr.

F.M.J. den Houdijker, griffier. w.g. Wissels w.g. Den Houdijker lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2019 837.