Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2019:2041 ECLI:NL:RVS:2019:2041 AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:2041 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2019:2041
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201901687/1/V1. Datum uitspraak: 27 juni 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 februari 2019 in zaak nr. 18/4164 in het geding tussen: de vreemdeling en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa). Procesverloop Bij besluit van 8 mei 2018 heeft het COa de vreemdeling overgeplaatst naar de Extra Begeleidings- en Toezicht Locatie (hierna: de EBTL) te Hoogeveen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:2041 · Raad van State: 201901687/1/V1. Datum uitspraak: 27 juni 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 februari 2019 in zaak nr. 18/4164 in het geding tussen: de vreemdeling en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa). Procesverloop Bij besluit van 8 mei 2018 heeft het COa de vreemdeling overgeplaatst naar de Extra Begeleidings- en Toezicht Locatie (hierna: de EBTL) te Hoogeveen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201901687/1/V1. Datum uitspraak: 27 juni 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 februari 2019 in zaak nr. 18/4164 in het geding tussen: de vreemdeling en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa). Procesverloop Bij besluit van 8 mei 2018 heeft het COa de vreemdeling overgeplaatst naar de Extra Begeleidings- en Toezicht Locatie (hierna: de EBTL) te Hoogeveen.

Bij uitspraak van 19 februari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het COa heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling geen belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn zaak, omdat hij niet meer verblijft in de EBTL te Hoogeveen en niet heeft verzocht om vergoeding van de schade, voortvloeiend uit het besluit van 8 mei 2018.

2. De enige grief is gericht tegen de onder 1. weergegeven overweging. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank niet onderkend dat hij wel om schadevergoeding heeft verzocht. 2.1. Uit de aanvulling van de beroepsgronden van 2 juli 2018 blijkt dat de vreemdeling na het formuleren van zijn beroepsgronden en zijn verzoek aan de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, heeft verzocht om schadevergoeding. De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding de zaak naar de rechtbank terug te wijzen, omdat zij niet is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Het COa moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 februari 2019 in zaak nr. 18/4164; III. wijst de zaak naar de rechtbank terug; IV. veroordeelt het Centraal Orgaan opvang asielzoekers tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, griffier. w.g. Verheij w.g. Groeneweg voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2019 32.