Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2019:199 ECLI:NL:RVS:2019:199 AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:199 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2019:199
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201707257/1/V2. Datum uitspraak: 22 januari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 28 augustus 2017 in zaken nrs. NL17.1476, NL17.1477, NL17.1478 en NL17.1479 in het geding tussen: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4] (hierna tezamen: de vreemdelingen) en de staatssecretaris.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 van het EVRM; ECLI:NL:RVS:2019:199 · Raad van State: De staatssecretaris heeft zich in de besluiten en de voornemens daartoe, zoals toegelicht in beroep, terecht op het standpunt gesteld dat Kaboel voor de vreemdelingen een veilig vestigingsalternatief is. Daarbij heeft hij de veiligheidssituatie zoals beschreven in het ambtsbericht betrokken. Hij heeft zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat die informatie niet leidt tot de conclusie dat zich in Afghanistan in het algemeen, dan wel in Kaboel in het bijzonder de situatie voordoet als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000.

Keywords

AI generated
artikel 3 van het EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 van het EVRM
De door de rechtbank in aanmerking genomen persoonlijke omstandigheden van de vreemdelingen zijn onvoldoende voor de conclusie dat zich in hun geval bij terugkeer wel een schending van artikel 3 van het EVRM om humanitaire redenen zal voordoen, aldus de staatssecretaris.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:1744
201703480/1/V2. Datum uitspraak: 3 juli 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 31 maart 2017 in zaak nr. 16/9338 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 21 april 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2018:915
201708886/1/V2. Datum uitspraak: 21 maart 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 16 oktober 2017 in zaak nr. NL17.1729 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 21 maart 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2018:3176
201806537/1/V2. Datum uitspraak: 1 oktober 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 12 juli 2018 in zaak nr. NL18.3779 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 26 januari 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2016:2731
201603587/1/V2. Datum uitspraak: 20 oktober 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 mei 2016 in zaak nr. 16/7358 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 10 april 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 9 mei 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2018:2093
201800403/1/V2. Datum uitspraak: 22 juni 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 15 december 2017 in zaak nr. NL17.3120 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 23 mei 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201707257/1/V2. Datum uitspraak: 22 januari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 28 augustus 2017 in zaken nrs. NL17.1476, NL17.1477, NL17.1478 en NL17.1479 in het geding tussen: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4] (hierna tezamen: de vreemdelingen) en de staatssecretaris.

Procesverloop Bij besluiten van 31 mei 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 28 augustus 2017 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. J.M. Walls, advocaat te Breda, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding 1. De vreemdelingen zijn afkomstig uit Pol-e Khomre in Afghanistan en behoren tot de bevolkingsgroep van de Tadzjieken. Vreemdelingen 2, 3 en 4 zijn de kinderen van vreemdeling 1. De staatssecretaris vindt geloofwaardig dat gezinsleden van de vreemdelingen door [commandant], een lokale krijgsheer, wegens een afgewezen huwelijksaanzoek zijn vermoord en dat de vreemdelingen daarna bij een familielid in Kaboel hebben verbleven.

Hun vrees dat zij in Kaboel niet veilig zijn voor [commandant] en zijn handlangers vindt de staatssecretaris niet aannemelijk. Het hoger beroep gaat over de vraag of de staatssecretaris terecht heeft gemeend dat voor de vreemdelingen Kaboel een vestigingsalternatief is. Kader 2. De staatssecretaris neemt aan dat een ander gebied in het land van herkomst voldoet als vestigingsalternatief als, zo volgt uit artikel 3.37d, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en paragraaf C2/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000, het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico op ernstige schade loopt, hij op een veilige en wettige manier kan reizen naar en toegang kan verkrijgen tot dat deel van het land, en redelijkerwijs van hem kan worden verwacht dat hij zich er vestigt.

De vreemdeling moet zich in dat gebied kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het desbetreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast mogen de levensomstandigheden in het desbetreffende gebied in zijn algemeenheid niet zo zijn dat deze op zichzelf al kunnen leiden tot een humanitaire noodsituatie. Bij de beoordeling of een deel van het land van herkomst aan die voorwaarden voldoet, moet rekening worden gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel, en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling.

Als de staatssecretaris aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden is voldaan, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vestigingsalternatief in zijn geval niet aanwezig is en dat van hem niet kan worden verlangd dat hij zich elders in het land vestigt. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 3 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1744. Grieven 3. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom Kaboel voor de vreemdelingen een veilig vestigingsalternatief is.

De staatssecretaris voert hierover aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij zowel de verslechterde veiligheidssituatie in Kaboel zoals die blijkt uit het algemeen ambtsbericht over Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van 15 november 2016 (hierna: het ambtsbericht), als de individuele omstandigheden van de vreemdelingen in de besluitvorming heeft betrokken. Verder heeft de rechtbank een onjuiste toetsingsmaatstaf gehanteerd bij de vraag of de vreemdelingen in Kaboel te vrezen hebben voor [commandant], aldus de staatssecretaris. 3.1.

De staatssecretaris heeft zich in de besluiten en de voornemens daartoe, zoals toegelicht in beroep, terecht op het standpunt gesteld dat Kaboel voor de vreemdelingen een veilig vestigingsalternatief is. Daarbij heeft hij de veiligheidssituatie zoals beschreven in het ambtsbericht betrokken. Hij heeft zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat die informatie niet leidt tot de conclusie dat zich in Afghanistan in het algemeen, dan wel in Kaboel in het bijzonder de situatie voordoet als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000.

De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:915 en 1 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3176. De staatssecretaris heeft ook in de individuele relazen van de vreemdelingen terecht geen aanleiding gezien voor de conclusie dat zij in Kaboel niet veilig kunnen verblijven. In zijn besluit heeft hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de geloofwaardig geachte problemen van de vreemdelingen met [commandant] in Pol-e Khomre betrokken. Daarbij heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze commandant hen in Kaboel - waar ruim drie miljoen mensen wonen - op eenvoudige wijze zal kunnen vinden.

Door in dit verband te overwegen dat niet valt uit te sluiten dat [commandant] de vreemdelingen in Kaboel kan traceren, heeft de rechtbank niet onderkend dat, gelet op het in 2. weergeven toetsingskader, het aan de vreemdelingen is hun vrees voor deze commandant aannemelijk te maken en heeft zij daarmee een onjuiste toetsingsmaatstaf gehanteerd. Wat betreft de omstandigheid dat de vreemdelingen niet meer terecht kunnen bij het familielid in Kaboel waar zij eerder hebben verbleven, heeft de staatssecretaris er terecht op gewezen dat een vestigingsalternatief zich niet beperkt tot vestiging bij familie.

Verder heeft hij terecht van belang geacht dat vreemdeling 1 heeft verklaard dat familie van haar - overleden - echtgenoot van oorsprong uit Kaboel komt en dat daar meer familie woont. 3.2. Grief 1 slaagt.

4. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdelingen in Kaboel een leven kunnen leiden onder omstandigheden die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De staatssecretaris betoogt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2731, dat de door de rechtbank betrokken informatie uit het ambtsbericht over de situatie in de ontheemdenkampen op zichzelf het aannemen van een humanitaire noodsituatie niet rechtvaardigt.

De door de rechtbank in aanmerking genomen persoonlijke omstandigheden van de vreemdelingen zijn onvoldoende voor de conclusie dat zich in hun geval bij terugkeer wel een schending van artikel 3 van het EVRM om humanitaire redenen zal voordoen, aldus de staatssecretaris. 4.1. De staatssecretaris heeft zich in de besluiten en de voornemens daartoe, zoals toegelicht in beroep, terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen zich in Kaboel staande zullen kunnen houden. In de uitspraak van 20 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2731, heeft de Afdeling, onder verwijzing naar het arrest van het EHRM van 28 juni 2011, Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907, over de vraag of in Kaboel sprake is van een humanitaire noodsituatie overwogen dat een schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden zich niet snel voordoet.

Uit die uitspraak kan verder worden afgeleid dat sociale en humanitaire problemen, zoals gebrekkige toegang tot werk, voedsel en huisvesting, niet van dien aard zijn dat daarin op zichzelf een schending van artikel 3 van het EVRM is gelegen. De door de rechtbank genoemde, vergelijkbare sociale en humanitaire problemen zijn op zichzelf dan ook onvoldoende om een schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 22 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2093. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, leidt de persoonlijke situatie van de vreemdelingen niet tot een ander oordeel.

De staatssecretaris heeft in dit verband terecht van belang geacht dat de vreemdelingen allen volwassen zijn en dat twee jongvolwassen mannen, vreemdelingen 2 en 3, deel uitmaken van het gezin. Hij heeft verder terecht betrokken dat in Kaboel familie van de vreemdelingen woont en dat de Tadzjieken daar de grootste bevolkingsgroep vormen, zodat de vreemdelingen een netwerk kunnen opbouwen. Over de fysieke onderscheidenlijk psychische problemen van vreemdelingen 1 en 4 betoogt de staatssecretaris terecht dat zij deze niet met medische stukken hebben gestaafd.

De verwijzing in de schriftelijke uiteenzetting van de vreemdelingen naar de adviezen van het FMMU van 5 februari 2016 en 10 februari 2016, waaruit slechts volgt dat vreemdeling 4 wegens psychiatrische problemen langere tijd niet kon worden gehoord, is in dit verband onvoldoende, alleen al omdat er niet uit blijkt dat deze vreemdeling voor die problemen een behandeling ondergaat. 4.2. Grief 2 slaagt. Conclusie 5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Nu uit de bespreking van de grieven volgt dat de staatssecretaris terecht meent dat Kaboel een vestigingsalternatief voor de vreemdelingen is, zal de Afdeling, doende wat de rechtbank zou moeten doen, de beroepen van de vreemdelingen tegen de besluiten van de staatssecretaris van 31 mei 2017 alsnog ongegrond verklaren.

Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 28 augustus 2017 in zaken nrs. NL17.1476, NL17.1477, NL17.1478 en NL17.1479; III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier. w.g. Verheij w.g. Prins voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2019 363-596.