Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2019:1450 ECLI:NL:RVS:2019:1450 AI generated

ECLI:NL:RVS:2019:1450 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2019:1450
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201901519/2/R1. Datum uitspraak: 30 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: Werkgroep inspraak Zetten-Noord (hierna: de werkgroep), gevestigd te Zetten, gemeente Overbetuwe, verzoekster, en de raad van de gemeente Overbetuwe, verweerder. Openbare zitting gehouden op 30 april 2019 om 10:45 uur.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2019:1450 · Raad van State: 201901519/2/R1. Datum uitspraak: 30 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: Werkgroep inspraak Zetten-Noord (hierna: de werkgroep), gevestigd te Zetten, gemeente Overbetuwe, verzoekster, en de raad van de gemeente Overbetuwe, verweerder. Openbare zitting gehouden op 30 april 2019 om 10:45 uur.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201901519/2/R1. Datum uitspraak: 30 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: Werkgroep inspraak Zetten-Noord (hierna: de werkgroep), gevestigd te Zetten, gemeente Overbetuwe, verzoekster, en de raad van de gemeente Overbetuwe, verweerder. Openbare zitting gehouden op 30 april 2019 om 10:45 uur.

Tegenwoordig: Staatsraad mr. D.A.C. Slump, voorzieningenrechter griffier: mr. S.J.R.R. Brock Verschenen: De raad, vertegenwoordigd door mr. C. van Deutekom, advocaat te Arnhem, en ing. T. Ahoud. Het beroep richt zich tegen het besluit van de raad van 29 januari 2019, waarbij het bestemmingsplan "Zetten, begraafplaats en Hoofdstraat ong." is vastgesteld, voorzover dat voorziet in de aanleg van een begraafplaats en recreatieve voorzieningen. De werkgroep heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De werkgroep wenst met haar verzoek onomkeerbare gevolgen te voorkomen.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Gronden: De werkgroep wil met haar verzoek voorkomen dat activiteiten van inrichtingsaard worden verricht voordat het bestemmingsplan onherroepelijk is. Bij brief van 23 april 2019 heeft de raad verklaard dat hij geen (voorbereidende) handelingen zal verrichten voor de aanleg van de begraafplaats en de recreatieve voorzieningen die het bestemmingsplan mogelijk maken totdat uitspraak is gedaan in de bodemzaak en het bestemmingsplan onherroepelijk is. De initiatiefnemer heeft bij brief van 23 april 2019 verklaard te garanderen dat er geen bomenkap zal plaatsvinden voordat het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Ter zitting heeft de raad bevestigd dat er geen activiteiten van inrichtingsaard zullen worden verricht voordat het bestemmingsplan onherroepelijk is. De raad heeft er verder op gewezen dat het gebruik van de gronden volgens de planregels uitsluitend is toegestaan onder de voorwaarde dat er een parkeerterrein is aangelegd. De raad heeft toegezegd dat hij geen parkeerterrein zal aanleggen voordat uitspraak is gedaan in de bodemzaak, waardoor de initiatiefnemer de gronden niet zal mogen gebruiken in die periode. De raad heeft verder toegelicht dat hij initiatiefnemer ook heeft verzocht geen handelingen te verrichten voor uitspraak is gedaan in de bodemzaak en dat de initiatiefnemer heeft toegezegd dit niet te doen.

Gelet op deze toezeggingen van de raad en de initiatiefnemer is naar het oordeel van de voorzieningenrechter met het verzoek geen spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. w.g. Slump w.g. Brock voorzieningenrechter griffier 603.