ECLI:NL:RVS:2019:1086 · Raad van State
Legislator summary
AI generated201902252/2/V3. Datum uitspraak: 8 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [de vreemdeling], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 maart 2019 in zaak nr. NL19.4712 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2019:1086 · Raad van State: 201902252/2/V3. Datum uitspraak: 8 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [de vreemdeling], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 maart 2019 in zaak nr. NL19.4712 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
201902252/2/V3. Datum uitspraak: 8 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [de vreemdeling], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 maart 2019 in zaak nr. NL19.4712 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop Bij besluit van 28 februari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 14 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven.
2. De bodemprocedure wordt aangehouden in verband met de rechtsvraag die de tweede grief van de vreemdeling oproept. Niettemin ziet de voorzieningenrechter in dit stadium, gelet op de betrokken belangen, onvoldoende aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
3. Het verzoek is dan ook ongegrond en wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier. w.g. Bijloos w.g. Bechinka voorzieningenrechter griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2019 371.