Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2018:862 ECLI:NL:RVS:2018:862 AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:862 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2018:862
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201703164/1/A3. Datum uitspraak: 14 maart 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 april 2017 in zaak nr. 16/430455 / FA RK 17-75 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Stichtse Vecht. Procesverloop Bij besluit van 7 december 2016 heeft de burgemeester te 14:47 uur aan [appellant] voor een periode van tien dagen - derhalve tot 17 december 2016 te 14:47 uur - een huisverbod opgelegd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:862 · Raad van State: Uit artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de burgemeester alvorens een besluit tot oplegging van een huisverbod te nemen, [appellant] in de gelegenheid moest stellen zijn zienswijze naar voren te brengen. Uit het RiHG blijkt dat zowel [appellant] als zijn ex-vriendin ter plaatse zijn gehoord. Het RiHG behelst op pagina 6 een weergave van de reactie van [appellant] op het jegens hem geuite voornemen tot het opleggen van een huisverbod. Verder geeft [appellant] in zijn aanvullende beroepschrift bij de rechtbank aan door de politie te zijn gehoord.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:749
201605217/1/A3. Datum uitspraak: 22 maart 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de burgemeester van Rotterdam, appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 2 juni 2016 in zaken nrs. 50202689 16-591 en 10/502690 16-4402 in het geding tussen: [wederpartij] en de burgemeester. Procesverloop Bij besluit van 29 mei 2016 heeft de burgemeester [wederpartij] gelast om de woning aan de [locatie] te Rotterdam onmiddellijk te verlaten en deze woning tot 8 juni 2016 11:28 uur niet te betreden noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden.
ECLI:NL:RVS:2014:1408
201305059/1/A3. Datum uitspraak: 23 april 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Poortugaal, gemeente Albrandswaard, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 18 april 2013 in zaak nr. FA RK 13-1162 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Albrandswaard. Procesverloop Bij besluit van 30 december 2012 heeft de burgemeester [appellant] een huisverbod opgelegd voor de woning aan de [locatie] te Poortugaal. Bij mondelinge uitspraak van 18 april 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2017:2964
201700256/1/A3. Datum uitspraak: 1 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Schiedam, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 november 2016 in zaak nr. C/10/508499/FA RK 16-6944 in het geding tussen: [appellante] en de burgemeester van Schiedam. Procesverloop Bij besluit van 11 juli 2016 heeft de burgemeester aan [appellante] een huisverbod opgelegd voor een periode van tien dagen, te weten van 11 juli 2016 tot 21 juli 2016. Bij besluit van 20 juli 2016 heeft de burgemeester het huisverbod verlengd met een aansluitende periode van achttien dagen tot 8 augustus 2016.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201703164/1/A3. Datum uitspraak: 14 maart 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 april 2017 in zaak nr. 16/430455 / FA RK 17-75 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Stichtse Vecht. Procesverloop Bij besluit van 7 december 2016 heeft de burgemeester te 14:47 uur aan [appellant] voor een periode van tien dagen - derhalve tot 17 december 2016 te 14:47 uur - een huisverbod opgelegd.

Bij besluit van 15 december 2016 heeft de burgemeester het huisverbod verlengd tot 4 januari 2017 te 14:47 uur. Bij uitspraak van 10 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen deze besluiten ingestelde beroep ongegrond verklaard en het door hem ingediende verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr.

J.M.G. Hulsman, advocaat te Delft, en de burgemeester, vertegenwoordigd door R.R.A. Vianen en K.K. Jansen, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. De burgemeester heeft het huisverbod gebaseerd op een door een medewerker van de politie ingevuld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG). Hij heeft aan het huisverbod ten grondslag gelegd dat [appellant], kennelijk onder de invloed van alcoholhoudende drank, zijn toenmalige vriendin op 6 december 2016 heeft geduwd, uitgescholden en bedreigd. Aan het verlengingsbesluit heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat de hulpverlening aan [appellant] niet op gang is gekomen wegens het ontbreken van een eerste contact.

Doordat de hulpverlening niet op gang is gekomen zijn geen veiligheidsafspraken gemaakt en kan niet worden ingeschat of het geweld stopt in de nabije toekomst. De dreiging van geweld blijft bestaan, aldus de burgemeester. Oplegging huisverbod 2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het huisverbod door de burgemeester mocht worden opgelegd. Hij voert daartoe aan dat het RiHG is gebaseerd op een eenzijdige, niet geverifieerde verklaring van zijn ex-vriendin en dat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. 2.1.

Artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: de Wth) luidt: "De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. […]" 2.2.

Uit artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de burgemeester alvorens een besluit tot oplegging van een huisverbod te nemen, [appellant] in de gelegenheid moest stellen zijn zienswijze naar voren te brengen. Uit het RiHG blijkt dat zowel [appellant] als zijn ex-vriendin ter plaatse zijn gehoord. Het RiHG behelst op pagina 6 een weergave van de reactie van [appellant] op het jegens hem geuite voornemen tot het opleggen van een huisverbod. Verder geeft [appellant] in zijn aanvullende beroepschrift bij de rechtbank aan door de politie te zijn gehoord.

Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat [appellant] onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:749) is het opleggen van een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen voordoet.

Indien dat het geval is, moet de burgemeester zorgvuldig overwegen of aanwending van de bevoegdheid aangewezen is. De rechter beoordeelt of de aangevoerde omstandigheden van dien aard waren, dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot oplegging van een huisverbod bestond. Indien dat het geval is, wordt de afweging van de burgemeester door de bestuursrechter terughoudend getoetst. Gelet op de aard van een huisverbod, dat altijd in spoedeisende situaties wordt opgelegd, is niet vereist dat de juistheid van de aan het huisverbod ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onomstotelijk vaststaat.

Voldoende is dat aannemelijk is dat die feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan en een ernstig en onmiddellijk gevaar, dan wel een ernstig vermoeden van een dergelijk gevaar, voor de in het besluit genoemde personen opleveren. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1408) strekt het huisverbod blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wth ertoe in de gegeven noodsituatie escalatie te voorkomen en hulp te bieden. Het huisverbod moet worden gezien als een bestuurlijke maatregel, die ook kan worden ingezet wanneer zich geen strafbare feiten hebben voorgedaan, maar er situaties zijn ontstaan waarbij er acute en dringende behoefte bestaat aan het creëren van een afkoelingsperiode om escalatie te voorkomen (Kamerstukken II 2005/06, 30 657, nr. 3, blz. 2).

Niet in geschil is dat twee dagen voordat het huisverbod is opgelegd zijn ex-vriendin aan [appellant] heeft verteld verliefd te zijn geworden op een andere man en vervolgens een ruzie tussen hen is ontstaan, waarbij zij [appellant] een klap in zijn gezicht heeft gegeven. Evenmin in geschil is dat [appellant] en zijn ex-vriendin op 6 december 2016 wederom ruzie hebben gehad, waarbij [appellant] in bijzijn van in ieder geval een van de minderjarige kinderen grove woorden heeft gebruikt en een van de kinderen dan wel zijn ex-vriendin de politie heeft gebeld. [appellant] is aangehouden.

Verder heeft [appellant] ter zitting bij de rechtbank verklaard zijn ex-vriendin die dag te hebben geduwd om te voorkomen dat zij hem opnieuw een klap zou geven. Gelet hierop heeft de burgemeester op goede gronden kunnen oordelen dat ten tijde van het opleggen van het huisverbod sprake was van een acute en dringende behoefte aan het creëren van een afkoelingsperiode om verdere escalatie te voorkomen. Nu voorts in het RiHG is vermeld dat de politie op 6 december 2016 heeft waargenomen dat [appellant] onder invloed van alcohol was en [appellant] heeft erkend dat hij zijn ex-vriendin heeft geduwd, heeft de burgemeester zich op het standpunt mogen stellen dat de aanwezigheid van [appellant] in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde als bedoeld in artikel 2 van de Wth of dat een ernstig vermoeden van dat gevaar bestond.

Derhalve was de burgemeester bevoegd tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan [appellant]. Mede gelet op het belang van de minderjarige kinderen, heeft de burgemeester in redelijkheid van de bevoegdheid tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod gebruik kunnen maken. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen. Het betoog faalt. Verlenging huisverbod 3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester het huisverbod mocht verlengen. Na het incident op 6 december 2016 is hij naar het buitenland vertrokken en heeft hij geen contact meer opgenomen met zijn ex-vriendin en de kinderen.

Voor Veilig Thuis, het advies- en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling, was hij bereikbaar per e-mail, aldus [appellant]. 3.1. Artikel 9, eerste lid, van de Wth luidt: "De burgemeester kan een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. […]" 3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2964) is bij de beoordeling of de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan daadwerkelijk niet langer bestaat, van belang of de uithuisgeplaatste inmiddels een reële aanvang met de hulpverlening heeft gemaakt en of de verwachting gerechtvaardigd is dat hij aan de hulpverlening blijft meewerken.

Doordat [appellant] in het buitenland verbleef, is het tijdens de eerste tien dagen niet mogelijk geweest om met hem zorgoverleg te voeren, waarbij veiligheidsafspraken konden worden gemaakt. Het enkel bereikbaar zijn per e-mail heeft de burgemeester in redelijkheid daartoe onvoldoende kunnen achten, gezien het belang van de persoonlijke aanwezigheid voor een goede beoordeling van de situatie. Nu [appellant] geen reële aanvang met de hulpverlening had gemaakt, was de burgemeester bevoegd het opgelegde huisverbod te verlengen. Van deze bevoegdheid heeft de burgemeester in redelijkheid gebruik kunnen maken.

De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen. Het betoog faalt. Schadevergoeding 4. Gelet op hetgeen hiervoor, onder 2.2 en 3.2, is overwogen heeft de rechtbank het door [appellant] ingediende verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen. Slotsom 5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Proceskosten 6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M.

Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier. w.g. Bijloos w.g. de Vries lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2018 582-859.