Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2018:847 ECLI:NL:RVS:2018:847 AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:847 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2018:847
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201703346/1/A1. Datum uitspraak: 14 maart 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Soest, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 maart 2017 in zaak nr. 16/1943 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Soest. Procesverloop Bij besluit van 9 november 2015 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de wijziging van een gevel van een pand op het perceel Veldweg 2B te Soest. Bij besluit van 3 maart 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:847 · Raad van State: Ter plaatse van het bedrijfspand geldt het bestemmingsplan "De Zuidelijke Eng". In de planvoorschriften is in artikel 1 een definitie van "voorgevel-bouwgrens" opgenomen. Uit die definitie en de definitie van "achtergevel-bouwgrens" in datzelfde artikel volgt dat de voorgevel de gevel is die is gelegen aan de zijde van de bouwgrens aan de wegzijde. Op de overgelegde plankaart is ter plaatse van de gronden waarop het bedrijfspand staat een vlak opgenomen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het vlak de bouwgrenzen aangeeft. Aangezien er een bouwgrens is gelegen aan de zijde van de Veldweg, is de voorgevel de gevel die is gelegen aan die zijde.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:3
201601009/1/A1. Datum uitspraak: 4 januari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Epe, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 december 2015 in zaak nr. 15/2996 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Epe. Procesverloop Bij besluit van 17 november 2014 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een carport op het perceel [locatie] te Epe. Bij besluit van 28 april 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2012:BY6710
201206869/1/R2. Datum uitspraak: 19 december 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellanten], allen wonend te Soest, appellanten, en de raad van de gemeente Soest, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 15 mei 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "De Eng" (hierna: het plan) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2012, waar [appellanten], bij monde van [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door J.
ECLI:NL:RVS:2006:AV3857
Procesverloop Bij besluit van 28 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (hierna: het college) appellant vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor de bouw van een garage/berging op het perceel [locatie] te Zwolle. Bij besluit van 11 oktober 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 mei 2005, verzonden op 13 mei 2005, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2013:BZ0724
201205185/1/A1. Datum uitspraak: 6 februari 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellanten], wonend onderscheidenlijk gevestigd te [plaats], gemeente Stichtse Vecht, tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 april 2012 in zaak nr. 11/1970 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht. Procesverloop Bij besluit van 15 juni 2010, verzonden 20 oktober 2010, heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de zonder vergunning geplaatste erfafscheiding op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2013:1020
201300795/1/A1. Datum uitspraak: 4 september 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellanten], beiden wonend te Winsum, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 11 december 2012 in zaken nrs. 12/2601 en 12/2600 in het geding tussen: [appellanten] en het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel. Procesverloop Bij besluit van 11 juni 2012 heeft het college [appellanten] onder oplegging van een dwangsom gelast de houten berging op het perceel [locatie A] te Winsum (hierna: het perceel) te verwijderen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201703346/1/A1. Datum uitspraak: 14 maart 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Soest, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 maart 2017 in zaak nr. 16/1943 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Soest. Procesverloop Bij besluit van 9 november 2015 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de wijziging van een gevel van een pand op het perceel Veldweg 2B te Soest. Bij besluit van 3 maart 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 9 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 9 november 2015 ongegrond wordt verklaard en dat dit besluit gehandhaafd blijft en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 3 maart 2016. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2018, waar [appellant], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr.

B. Scheffer, zijn verschenen. Overwegingen 1. [appellant] en [persoon] huren het oude stationsgebouw in Soest en bewonen dat gebouw een deel van de tijd. Aan de andere kant van het spoor, op het perceel Veldweg 2B, is een bouwbedrijf gevestigd. Dat bedrijf heeft de gevel van het pand waarin het gevestigd is, gewijzigd. [appellant] en [persoon] stellen zich op het standpunt dat het bedrijf dat ten onrechte zonder omgevingsvergunning heeft gedaan. Het college stelt zich op het standpunt dat de gevel op grond van artikel 2, aanhef en zevende lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) zonder vergunning mocht worden gewijzigd.

Om die reden heeft het geweigerd handhavend op te treden.

2. Ter zitting heeft [persoon] het door haar ingestelde hoger beroep ingetrokken. 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gevel op grond van artikel 2, aanhef en zevende lid, van bijlage II van het Bor zonder omgevingsvergunning mocht worden gewijzigd. Daartoe voert hij aan dat die gevel niet een zijgevel is, zoals de rechtbank heeft overwogen, maar de voorgevel. Volgens [appellant] heeft de rechtbank bij de beoordeling welke gevel de voorgevel is ten onrechte aansluiting gezocht bij de definitie van "voorgevel" en "voorgevelrooilijn" in het bestemmingsplan "De Eng", aangezien aan dat bestemmingsplan goedkeuring is onthouden voor het perceel Veldweg 2B. [appellant] stelt zich op het standpunt dat in dit geval moet worden gekeken naar de feitelijke situatie.

Uitgaande van de feitelijke situatie is de gewijzigde gevel de voorgevel, aldus [appellant]. Voor zover de gewijzigde gevel wel een zijgevel is, is volgens [appellant] toch een omgevingsvergunning vereist, aangezien die gevel is gericht naar het perron van het treinstation. Dat perron moet, anders dan de rechtbank heeft overwogen, als openbaar toegankelijk gebied worden aangemerkt, aldus [appellant]. 3.1. Artikel 2, aanhef en zevende lid, van bijlage II van het Bor luidt: "Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, mits in de achtergevel, of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een hoofdgebouw, dan wel in een gevel van een bijbehorend bouwwerk, voor zover die gevel is gelegen in achtererfgebied op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn." Artikel 1, eerste lid, luidt: "In deze bijlage wordt verstaan onder: […] openbaar toegankelijk gebied: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer; […] voorgevelrooilijn: voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening; […]" Artikel 1, tweede lid, onder e, van de voorschriften van het bestemmingsplan "De Zuidelijke Eng" luidt: "voorgevel-bouwgrens: de bouwgrens, die bij het bouwen aan de wegzijde niet mag worden overschreden." Dat artikellid onder f luidt: "achtergevel-bouwgrens: de bouwgrens, die bij het bouwen aan de van de weg afgekeerde zijde niet mag worden overschreden." 3.2.

Onder verwijzing naar haar uitspraak van 4 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3, overweegt de Afdeling dat indien er discussie ontstaat over de vraag welke gevel de voorgevel is, primair moet worden afgegaan op de ligging van de voorgevelrooilijn zoals die in het bestemmingsplan of de bouwverordening is aangegeven, zoals artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor bepaalt. Als ook dan nog twijfel bestaat, zal de feitelijke situatie doorslaggevend zijn voor de vraag waar zich de voorgevel bevindt. 3.3. Bij uitspraak van 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6710, heeft de Afdeling het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Eng" vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Veldweg 2B. [appellant] betoogt dan ook terecht dat de rechtbank dat bestemmingsplan ten onrechte heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag welke gevel de voorgevel is.

Ter plaatse van het bedrijfspand geldt het bestemmingsplan "De Zuidelijke Eng". In de planvoorschriften is in artikel 1 een definitie van "voorgevel-bouwgrens" opgenomen. Uit die definitie en de definitie van "achtergevel-bouwgrens" in datzelfde artikel volgt dat de voorgevel de gevel is die is gelegen aan de zijde van de bouwgrens aan de wegzijde. Op de overgelegde plankaart is ter plaatse van de gronden waarop het bedrijfspand staat een vlak opgenomen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het vlak de bouwgrenzen aangeeft. Aangezien er een bouwgrens is gelegen aan de zijde van de Veldweg, is de voorgevel de gevel die is gelegen aan die zijde.

De gewijzigde gevel ligt niet aan die zijde, zodat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat die gevel niet de voorgevel is, maar een zijgevel. De omstandigheid dat er een ander gebouw staat tussen de Veldweg en het bedrijfspand leidt niet tot een ander oordeel. Voor de betrokken gronden is op de plankaart één vlak met bouwgrenzen opgenomen. Een redelijke uitleg van het bestemmingsplan brengt in dit geval met zich dat niet alleen de naar de Veldweg gekeerde gevel van het andere gebouw, maar ook de aan de zijde van de Veldweg gelegen gevel van het bedrijfspand als voorgevel moet worden aangemerkt.

De stelling van [appellant] dat het bedrijfspand onderdeel uitmaakt van een grotere bouwmassa en voor een deel van die bouwmassa aan de zijde van de Veldweg een ander bestemmingsplan geldt waarin geen definitie is opgenomen van "voorgevel" of "voorgevelrooilijn", leidt evenmin tot een ander oordeel. Die stelling doet er niet aan af dat ter plaatse van het bedrijfspand het bestemmingsplan "De Zuidelijke Eng" geldt en daarom op grond van dat plan moet worden bepaald wat de voorgevel van het bedrijfspand is. Ook de stelling van [appellant] dat in het verleden op bouwtekeningen de gewijzigde gevel als voorgevel is aangemerkt, leidt niet tot een ander oordeel.

Niet die tekeningen zijn bepalend, maar het bestemmingsplan "De Zuidelijke Eng" is bepalend bij beantwoording van de vraag welke gevel de voorgevel is. Ten slotte biedt ook de verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 8 maart 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV3857, 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0724, en 4 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1020, geen aanleiding voor een ander oordeel, aangezien die zaken niet vergelijkbaar zijn met deze zaak. In die zaken kon, anders dan in deze zaak, niet aan de hand van het bestemmingsplan worden vastgesteld wat de voorgevel was. 3.4.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de gevel is gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied. Of het perron van het treinstation als zodanig moet worden aangemerkt, is daarbij niet van belang, aangezien er tussen het bedrijfspand en dat perron een spoorweg is gelegen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat die niet kan worden aangemerkt als openbaar toegankelijk gebied in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor. Reeds hierom is de gevel niet gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied. 3.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat wordt voldaan aan de eisen van artikel 2, aanhef en zevende lid, van bijlage II van het Bor.

De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de wijziging van de gevel zonder omgevingsvergunning mocht worden uitgevoerd, zodat het college het verzoek om handhaving terecht heeft afgewezen. Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier. w.g. Hoogvliet w.g. Van Roessel lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2018 457.