Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2018:782 ECLI:NL:RVS:2018:782 AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:782 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2018:782
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201602620/1/A3. Datum uitspraak: 7 maart 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzoek van: [verzoekster], wonend te [woonplaats], om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)). Procesverloop [verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 maart 2016, zaak nr. 14/6418. [verzoekster] heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht de minister van Veiligheid en Justitie (thans: de minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de bij haar opgekomen proceskosten.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:75a van de Awb; ECLI:NL:RVS:2018:782 · Raad van State: CVOM) ingediende Wob-verzoeken. Verder is van belang dat [verzoekster] eigenaar en directeur van een juridisch adviesbureau is waarvoor [persoon] als rechtsbijstandverlener werkzaam is. Beiden hebben ruime ervaring met procedures over Wob-verzoeken. Dit wordt bevestigd door hetgeen de minister in het verweerschrift heeft vermeld dat [verzoekster] in de periode van 2012 tot en met 2015 112 Wob-verzoeken bij de CVOM heeft ingediend. In plaats van over de ingediende Wob-verzoeken in deze zaak zelf te procederen, of zich door [persoon] te laten bijstaan, heeft [verzoekster] ervoor gekozen om [gemachtigde] in te schakelen. 1.3.

Keywords

AI generated
artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:75a van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht
Datum uitspraak: 7 maart 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzoek van: [verzoekster], wonend te [woonplaats], om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)).
artikel 8:75a van de Awb
Er is geen reden om anders te oordelen over de bevoegdheid om de bestuursrechter te verzoeken het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten in geval van intrekking van het beroep, als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2014:4129
201311752/1/A3. Datum uitspraak: 19 november 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2013 in zaak nr. 13/4146 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 22 februari 2013 heeft de minister een door [appellante] ingediend verzoek om openbaarmaking van stukken betreffende een aan haar opgelegde verkeersboete, geweigerd te behandelen. [appellante] heeft daartegen bezwaar gemaakt.
ECLI:NL:RVS:2014:4135
201400648/1/A3. Datum uitspraak: 19 november 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2013 in zaken nrs. 13/2157, 13/3989, 13/4152, 13/4319, 13/4374, 13/5429 en 13/5827 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop [appellant] heeft bij de rechtbank zeven beroepen ingesteld. Één beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek om openbaarmaking van stukken betreffende een aan [appellant] opgelegde verkeersboete.
ECLI:NL:RVS:2015:426
201309592/1/A3 en 201309596/1/A3.
ECLI:NL:RVS:2016:2844
201507764/1/A3. Datum uitspraak: 3 oktober 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 september 2015 in zaak nr. 15/410 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Veiligheid en Justitie. Openbare zitting gehouden op 3 oktober 2016. Tegenwoordig: Staatsraad mr. C.J. Borman voorzitter Staatsraad mr. B.P. Vermeulen lid Staatsraad mr. A.B.M. Hent rapporteur griffier: mr.
ECLI:NL:RVS:2016:2858
201508180/1/A3. Datum uitspraak: 2 november 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 oktober 2015 in zaak nr. 14/4531 in het geding tussen: [wederpartij], wonend te [woonplaats], en de minister. Procesverloop Bij brief van 28 februari 2014 heeft de minister een verzoek van [wederpartij] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) afgewezen. Bij besluit van 7 augustus 2014 heeft de minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en te kennen gegeven dat geen dwangsom is verschuldigd.
ECLI:NL:RVS:2015:2446
201501547/1/A3. Datum uitspraak: 5 augustus 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 januari 2015 in zaak nr. 14/4423 in het geding tussen: [wederpartij] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 11 maart 2014 heeft de minister krachtens de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) een document aan [wederpartij] verstrekt. Bij besluit van 14 juli 2014 heeft de minister het besluit van 11 maart 2014 ingetrokken en het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201602620/1/A3. Datum uitspraak: 7 maart 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzoek van: [verzoekster], wonend te [woonplaats], om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)). Procesverloop [verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 maart 2016, zaak nr. 14/6418. [verzoekster] heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht de minister van Veiligheid en Justitie (thans: de minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de bij haar opgekomen proceskosten.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 december 2017, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. C.J. Louisse, is verschenen. Overwegingen 1. De minister betoogt in zijn schriftelijke uiteenzetting dat hij niet in de proceskosten van [verzoekster] moet worden veroordeeld omdat sprake is van misbruik van bevoegdheden door [verzoekster] en haar [gemachtigde]. 1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraken van 19 november 2014 in zaken nrs. ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:4135), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het BW, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt.

Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst. Ze bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Er is geen reden om anders te oordelen over de bevoegdheid om de bestuursrechter te verzoeken het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten in geval van intrekking van het beroep, als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 18 februari 2015 in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2015:426), laat artikel 3, derde lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna:

Wob), ingevolge welke bepaling de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek behoeft te stellen, onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. 1.2. De Afdeling heeft in de uitspraken van 3 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2844, en 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2858, ten aanzien van [verzoekster] en haar [gemachtigde] geoordeeld dat misbruik is gemaakt van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen en een rechtsmiddel in te stellen.

Ten aanzien van [gemachtigde] was dit reeds in een groot aantal uitspraken (onder meer de uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2446, 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:157, 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1102, 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1585, 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1885 en ECLI:NL:RVS:2016:1884, 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1950 en ECLI:NL:RVS:2016:1957, en 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2312) geoordeeld. Dit oordeel wordt bevestigd door het in de schriftelijke uiteenzetting van de minister genoemde bedrag van € 309.318,00 dat [gemachtigde] in de periode van 2012 tot en met 2015 aan dwangsommen en proceskostenvergoedingen heeft ontvangen in verband met, zoals het verzoek in deze zaak, bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (hierna:

CVOM) ingediende Wob-verzoeken. Verder is van belang dat [verzoekster] eigenaar en directeur van een juridisch adviesbureau is waarvoor [persoon] als rechtsbijstandverlener werkzaam is. Beiden hebben ruime ervaring met procedures over Wob-verzoeken. Dit wordt bevestigd door hetgeen de minister in het verweerschrift heeft vermeld dat [verzoekster] in de periode van 2012 tot en met 2015 112 Wob-verzoeken bij de CVOM heeft ingediend. In plaats van over de ingediende Wob-verzoeken in deze zaak zelf te procederen, of zich door [persoon] te laten bijstaan, heeft [verzoekster] ervoor gekozen om [gemachtigde] in te schakelen. 1.3.

Op 26 november 2012 heeft [verzoekster] twee afzonderlijke Wob-verzoeken gestuurd naar de CVOM. Deze verzoeken luiden als volgt: "In het kader van een onderzoek vraag ik u om de navolgende informatie, een en ander uiteraard op grond van de wet openbaarheid van bestuur. Ik verzoek u om documenten waaruit een nauwkeurige beschrijving van het gebruik en de functie van het systeem AMBER (Afhandeling Mulder beroepen) blijkt. Te denken valt aan de handleiding, maar ook ander instructiemateriaal." "In het kader van een onderzoek vraag ik u om de navolgende informatie, een en ander uiteraard op grond van de wet openbaarheid van bestuur.

Ik verzoek u om documenten die zien op het door u gebruikte AMBER systeem (Afhandeling Mulder beroepen). In het specifiek wordt verzocht om alle (tussentijdse) evaluatierapporten vastgelegd op welke wijze dan ook die zien op het functioneren van het systeem, de kritiekpunten, voorgestelde verbeterpunten, etc." Allereerst valt niet in te zien waarom de Wob-verzoeken zijn verspreid over twee afzonderlijke faxberichten, terwijl beide verzoeken op dezelfde datum zijn ingediend en zien op dezelfde informatie. Ten tweede zijn, gelet op de formulering van de Wob-verzoeken, het doel van de verzoeken en de reikwijdte ervan onduidelijk.

In de gehele procedure heeft [verzoekster] het gestelde onderzoek niet aannemelijk gemaakt. Op de hoorzitting in bezwaar is alleen gesteld dat [verzoekster] met de gevraagde documenten inzicht wenst te verkrijgen in het functioneren van het AMBer-systeem. De verzoeken zijn zodanig geformuleerd dat het voor de minister niet mogelijk is om er volledig en adequaat op te kunnen beslissen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het verhandelde op de hoorzitting van 2 april 2014 in bezwaar waarin is vermeld dat [gemachtigde] heeft toegelicht dat het Wob-verzoek breed is geformuleerd en dat daaronder allerlei documenten vallen die worden opgesteld over de noodzaak van het AMBer-systeem.

De vaagheid van de verzoeken doet afbreuk aan het doel waartoe zij beweerdelijk zijn ingediend en maakt de op de verzoeken te nemen besluiten onnodig extra vatbaar voor discussie in bezwaar- en beroepsprocedures. 1.4. De Afdeling neemt tevens in aanmerking dat [verzoekster] gebruik heeft gemaakt van vier verschillende faxnummers van de CVOM voor het indienen van de Wob-verzoeken, een ingebrekestelling en verschillende reacties. Door deze inconsistente wijze van corresponderen bemoeilijkt [verzoekster] een tijdige besluitvorming. 1.5. [verzoekster] heeft het hoger beroep ingetrokken na een besluit van de minister van 12 mei 2016 waarbij de minister een aantal documenten gedeeltelijk heeft verstrekt naar aanleiding van een Wob-verzoek van [verzoekster] van 25 februari 2016 waarin zij de CVOM op grond van de Wob heeft verzocht om verstrekking van de actuele versie van de AMBer-handleidingen en handleidingen of vergelijkbare documenten die op het burgerportaal zien. 1.6.

Op grond van al het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat in deze zaak sprake is van misbruik door [verzoekster] en haar gemachtigde [gemachtigde] van de wettelijke bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen en tegen het besluit hierop te procederen. Nu het verzoek om proceskostenveroordeling niet los kan worden gezien van het doel waarmee de Wob is gebruikt, houdt ook dit verzoek misbruik van bevoegdheid in.

2. Het verzoek is niet-ontvankelijk. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Niane-van de Put, griffier. w.g. Bijloos w.g. Niane-van de Put lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018 805.