Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2018:4011 ECLI:NL:RVS:2018:4011 AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:4011 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2018:4011
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201807813/1/V3. Datum uitspraak: 6 december 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 18 september 2018 in zaak nr. NL18.16361 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 6 september 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 18 september 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.

Legislator headnote

AI generated

artikel 59b van de Vw 2000; ECLI:NL:RVS:2018:4011 · Raad van State: De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat de vreemdeling de gronden van bewaring niet heeft betwist. De staatssecretaris heeft daarom in beginsel terecht aangenomen dat het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Gelet hierop en op wat de Afdeling heeft overwogen onder 1.2, is de grond bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in ieder geval terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend en, gezien het bovenstaande, ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris een afweging had moeten maken tussen de gronden en het gegeven dat de vreemdeling een asielzoeker is. 1.6.

Keywords

AI generated
artikel 59b van de Vw 2000

Cited Legislation

AI generated
artikel 59b van de Vw 2000
De rechtbank heeft haar oordeel uitsluitend gebaseerd op jurisprudentie van voor de invoering van artikel 59b van de Vw 2000 en heeft de onder 1.1 en 1.2 genoemde uitspraken ten onrechte daarin niet meegenomen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:889
201506600/1/V3. Datum uitspraak: 23 maart 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 12 augustus 2015 in zaak nr. 15/14681 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 31 juli 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 12 augustus 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
ECLI:NL:RVS:2016:2852
201605881/1/V3. Datum uitspraak: 19 oktober 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 27 juli 2016 in zaak nr. 16/14701 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2016 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 27 juli 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
ECLI:NL:RVS:2016:1553
201601065/1/V3. Datum uitspraak: 8 juni 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 februari 2016 in zaak nr. NL 16.128 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 23 januari 2016 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
ECLI:NL:RVS:2015:1309
201502024/1/V3. Datum uitspraak: 10 april 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 maart 2015 in zaak nr. 15/2876 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld (hierna: de maatregel van bewaring).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201807813/1/V3. Datum uitspraak: 6 december 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 18 september 2018 in zaak nr. NL18.16361 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 6 september 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 18 september 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.A.J. Purperhart, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen concrete afweging heeft gemaakt met betrekking tot het toepassen van de maatregel van bewaring in relatie tot de asielaanvraag van de vreemdeling. Hij betoogt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:889, dat hij een dergelijke belangenafweging niet hoeft te maken als één van de gronden in artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna:

Vw 2000) zich voordoet, zoals in dit geval. 1.1. De Afdeling heeft in de hierboven genoemde uitspraak overwogen dat de belangen die kunnen leiden tot het in bewaring stellen van een asielzoeker zijn vervat in de in artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde gronden. Paragraaf A5/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, waarin wordt gewezen op de noodzakelijke belangenafweging, heeft daarom in zoverre geen toegevoegde waarde meer, aldus de Afdeling. 1.2. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2852, overwogen dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht - door middel van de in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 opgenomen lichte en zware gronden - ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen. 1.3.

De rechtbank heeft haar oordeel uitsluitend gebaseerd op jurisprudentie van voor de invoering van artikel 59b van de Vw 2000 en heeft de onder 1.1 en 1.2 genoemde uitspraken ten onrechte daarin niet meegenomen. 1.4. De staatssecretaris heeft de vreemdeling, onder andere, krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring gesteld, omdat bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel en het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, wat blijkt uit de feiten en omstandigheden dat de vreemdeling: (a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; (b) zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; (c) zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; (d) heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; (e) zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van de Vw 2000 heeft gehouden; (f) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; (g) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 1.5.

De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat de vreemdeling de gronden van bewaring niet heeft betwist. De staatssecretaris heeft daarom in beginsel terecht aangenomen dat het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Gelet hierop en op wat de Afdeling heeft overwogen onder 1.2, is de grond bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in ieder geval terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend en, gezien het bovenstaande, ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris een afweging had moeten maken tussen de gronden en het gegeven dat de vreemdeling een asielzoeker is. 1.6.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 6 september 2018 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop na hetgeen is overwogen nog moet worden beslist.

3. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat de staatssecretaris niet voortvarend heeft gehandeld, omdat eerst op 10 september 2018 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden. 3.1. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1553, heeft overwogen, is de staatssecretaris niet gehouden om voortvarend handelingen te verrichten ter voorbereiding van de uitzetting als hij een vreemdeling krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring heeft gesteld. De beroepsgrond faalt.

4. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte niet met een lichter middel heeft volstaan, temeer omdat dit niet eerder op hem is toegepast. De motivering in de maatregel voor het niet toepassen van een lichter middel is bovendien niet overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Afdeling gemotiveerd, aldus de vreemdeling 4.1. De staatssecretaris heeft in de maatregel van bewaring bij de afweging of een lichter middel doeltreffend is toe te passen verwezen naar de motivering van de gronden voor bewaring en in aanvulling daarop kenbaar beoordeeld of de omstandigheden die de vreemdeling heeft aangevoerd in het gehoor dat voorafgaand aan de maatregel heeft plaatsgevonden, de maatregel onevenredig maken.

Hij heeft hiermee voldaan aan de motiveringseis, zoals deze voortvloeit uit het arrest van het Hof van Justitie van 5 juni 2014, C-146/14 PPU, Mahdi, ECLI:EU:C:2014:1320 (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1309). De staatssecretaris heeft in de door de vreemdeling gestelde omstandigheden dat hij geen crimineel is, dat hij bescherming wil en dat een lichter middel in zijn geval nog niet eerder is toegepast, gelet op het onder 1.5 genoemde onttrekkingsrisico, terecht geen reden gezien om een minder dwingende maatregel doeltreffend toe te passen.

De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 18 september 2018 in zaak nr. NL18.16361; III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond; IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, griffier. w.g. Troostwijk w.g. Van Gemert voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2018 466-863.