Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2018:394 ECLI:NL:RVS:2018:394 AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:394 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2018:394
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Een huurtoeslag wordt slechts toegekend: a. als de huurder, diens partner alsmede degenen die medebewoner van de woning zijn, als ingezetene op het adres van die woning zijn ingeschreven in de basisregistratie personen; b. als geen andere personen met dat adres in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, behoudens eventueel een onderhuurder en personen die behoren tot diens huishouden.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:394 · Raad van State: Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:411) heeft, gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), bij de beoordeling of iemand als medebewoner moet worden aangemerkt en derhalve diens vermogen ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) moet worden betrokken bij de berekening van de draagkracht en de hoogte van de huurtoeslag, de inschrijving in de BRP (tot 6 januari 2014 de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens) als uitgangspunt te gelden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:411
201603143/1/A2. Datum uitspraak: 15 februari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 maart 2016 in zaak nr. 15/5711 in het geding tussen: [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 14 november 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] over 2012 definitief vastgesteld op € 853,00 en € 1.673,00 aan te veel betaalde voorschotten van haar teruggevorderd. Bij besluit van 15 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2009:BH1861
Procesverloop Bij besluiten van 5 februari 2007 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie, hierna: de minister) de huursubsidie van [wederpartij] over het subsidietijdvak 1 februari 2004 - 1 juli 2004 en het subsidiejaar 1 juli 2004 - 1 juli 2005 vastgesteld op nihil en de over die perioden uitbetaalde huursubsidies ten bedrage van € 617,85 onderscheidenlijk € 834,48 teruggevorderd. Bij besluit van 22 mei 2007 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RBARN:2012:BW1488
RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht registratienummer: AWB 11/2623 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van inzake [eiser], eiser, wonende te [woonplaats], tegen Belastingdienst/Toeslagen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 21 juni 2010 heeft verweerder het recht van eiser op huurtoeslag over 2008 definitief vastgesteld op € 0 en het bedrag aan teveel uitgekeerde en door eiser terug te betalen huurtoeslag vastgesteld op € 2.790,00. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en het besluit van 21 juni 2010 gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Naar de door partijen ingediende stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 28 februari 2012. Eiser is daar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer G. Kortenbach, werkzaam bij Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht.
ECLI:NL:RVS:2012:BY7348
201204853/1/A2. Datum uitspraak: 27 december 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Belastingdienst/Toeslagen, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 april 2012 in zaak nr. 11/2623 in het geding tussen: [wederpartij] en de Belastingdienst. Procesverloop Bij besluit van 21 juni 2010 heeft de Belastingdienst de aan [wederpartij] toegekende huurtoeslag 2008 herzien en vastgesteld op nihil en bepaald dat [wederpartij] de reeds betaalde voorschotten terug dient te betalen. Bij besluit van 30 mei 2011, aangevuld bij besluit van 27 oktober 2011, heeft de Belastingdienst het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201705432/1/A2. Datum uitspraak: 7 februari 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 31 mei 2017 in zaak nr. 16/4391 in het geding tussen: [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 5 augustus 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] over 2014 definitief berekend en vastgesteld op nihil en bepaald dat hij € 2.624,00 dient terug te betalen. Bij besluit van 6 oktober 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 mei 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Slijm, advocaat te Winschoten, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer, zijn verschenen.

Overwegingen Wettelijk kader 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Inleiding 2. [appellant] huurde in 2014 de woning op het adres [locatie] te Bellingwolde van [verhuurder], die de woning in eigendom heeft. In de basisregistratie personen (hierna: de BRP) stond, naast [appellant], zijn partner en hun kind, op dat adres in 2014 eveneens [verhuurder] ingeschreven. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 5 augustus 2016, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 6 oktober 2016, ten grondslag gelegd dat uit de door [appellant] overgelegde huurovereenkomst blijkt dat geen sprake is van een zelfstandige woning.

Nu voorts uit de BRP volgt dat [appellant] in 2014 [verhuurder] als medebewoner heeft gehad en hij niet heeft aangetoond dat deze gegevens onjuist zijn, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het inkomen van [verhuurder] betrokken bij het bepalen van de draagkracht van [appellant]. Nu het gezamenlijk toetsingsinkomen te hoog is om voor huurtoeslag in aanmerking te komen heeft de Belastingdienst/Toeslagen bepaald dat [appellant] over 2014 geen recht heeft op huurtoeslag. Hoger beroep 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij in 2014 geen recht had op huurtoeslag.

De rechtbank heeft volgens [appellant] niet onderkend dat hij in 2014 alleen met zijn gezinsleden in de desbetreffende woning heeft gewoond en dat [verhuurder], die de woning verhuurde, niet feitelijk woonachtig was op dit adres, als gevolg waarvan hij niet als medebewoner dient te worden aangemerkt. Hij voert daartoe, onder verwijzing naar door hem overgelegde foto’s en een door hem niet op schaal getekende plattegrond, aan dat de woning niet groot genoeg was voor ‘dubbele bewoning’. 3.1. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op het medebewonerschap van [verhuurder].

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:411) heeft, gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), bij de beoordeling of iemand als medebewoner moet worden aangemerkt en derhalve diens vermogen ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) moet worden betrokken bij de berekening van de draagkracht en de hoogte van de huurtoeslag, de inschrijving in de BRP (tot 6 januari 2014 de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens) als uitgangspunt te gelden.

Uit artikel 9, tweede lid, van de Wht volgt dat dit anders is als de onjuiste inschrijving in de BRP niet aan de huurder kan worden toegerekend. Daarbij moet komen vast te staan dat de inschrijving in de BRP onjuist is. Vervolgens moet worden beoordeeld of de onjuiste inschrijving voor rekening van de verhuurder komt. Ook kan de Belastingdienst/Toeslagen van de BRP-inschrijving afwijken, indien zich de situatie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling Awir voordoet. In die bepaling staat dat iemand die in de BRP niet op zijn woonadres is ingeschreven, wordt geacht daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven, indien blijkt dat sprake is van een onjuiste inschrijving in de BRP voor de periode tot aan de datum van adreswijziging als bedoeld in artikel 2.20, derde lid, van de Wet basisregistratie personen.

Dit betekent dat het feitelijke woonadres met terugwerkende kracht kan gelden als inschrijvingsadres zodra de wijziging daarvan in de BRP is doorgevoerd. 3.2. Gebleken is dat [verhuurder] er bewust voor heeft gekozen om in de BRP ingeschreven te blijven staan op het adres [locatie] te Bellingwolde, ook al had hij de woning verhuurd. In dit geval kan niet worden vastgesteld dat de inschrijving onjuist is. Een situatie als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wht doet zich dan ook niet voor. Evenmin is sprake van een situatie waarop artikel 3, tweede lid en onder c, van de Uitvoeringsregeling Awir van toepassing is, reeds omdat [verhuurder] niet is uitgeschreven.

De Belastingdienst/Toeslagen is bij de berekening van de huurtoeslag van [appellant] over 2014 terecht uitgegaan van de gegevens in de BRP. De door [appellant] overgelegde foto’s en plattegrond kunnen niet afdoen aan het medebewonerschap van [verhuurder] en daaraan kan dus niet de betekenis worden gehecht die [appellant] daaraan toegekend wil zien. Ook de door hem aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 4 februari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH1861) en de rechtbank Arnhem van 3 april 2012 (ECLI:NL:RBARN:2012:BW1488), welke laatste uitspraak door de Afdeling is bevestigd bij uitspraak van 27 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY7348) kunnen niet leiden tot het daarmee beoogde doel.

In die zaken ging het om de vraag of op hetzelfde BRP-adres meer dan één zelfstandige woning is gelegen en of degenen die op dat adres zijn ingeschreven dezelfde zelfstandige woning bewonen. In de zaak van [appellant] is in hoger beroep niet meer in geschil dat het gaat om één zelfstandige woning maar is enkel aan de orde of [verhuurder] door de inschrijving in de BRP voor de huurtoeslag als medebewoner moet worden aangemerkt. Het betoog faalt. Conclusie 4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier. w.g. Van Ravels w.g. Dallinga lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2018 18-854. BIJLAGE Wet op de huurtoeslag Artikel 7, eerste lid: Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners. Artikel 9:

1. Een huurtoeslag wordt slechts toegekend: a. als de huurder, diens partner alsmede degenen die medebewoner van de woning zijn, als ingezetene op het adres van die woning zijn ingeschreven in de basisregistratie personen; b. als geen andere personen met dat adres in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, behoudens eventueel een onderhuurder en personen die behoren tot diens huishouden.

2. In afwijking van het eerste lid kan een huurtoeslag worden toegekend, als de onjuiste inschrijving in de basisregistratie niet aan de huurder kan worden toegerekend. Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Artikel 2, eerste lid:

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder: […] e. medebewoner: de persoon die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende, met dien verstande dat als medebewoner niet wordt aangemerkt: 1˚. de partner van de belanghebbende, 2˚. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende een deel van de woning huurt, tenzij deze een bloed- of aanverwant in de eerste graad is van de belanghebbende of diens partner, 3˚. degene die tot het huishouden van de onder 2˚ bedoelde persoon behoort; […].

Artikel 7, tweede lid: Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, wordt mede het toetsingsinkomen van de medebewoners in aanmerking genomen. Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Artikel 3: 1. […] 2. Iemand die in de basisregistratie personen niet op zijn woonadres is ingeschreven, wordt geacht daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven, indien: […] c. blijkt dat sprake is van een onjuiste inschrijving in de basisregistratie personen voor de periode tot aan de datum van adreswijziging, bedoeld in artikel 2.20, derde lid, van de Wet basisregistratie personen; […].