Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2018:3752 ECLI:NL:RVS:2018:3752 AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:3752 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2018:3752
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201805113/1/V2. Datum uitspraak: 15 november 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 juni 2018 in zaak nr. NL18.9282 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 16 mei 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:3752 · Raad van State: Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling daarom geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2007:AZ8751
Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploot van 8 februari 2002 eiser tot cassatie - verder te noemen: de Staat - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en, kort gezegd, gevorderd de Staat te veroordelen aan haar te betalen: ter zake van verlies van arbeidsvermogen een vergoeding van € 26.493,13, alsmede pensioenschade, nader op te maken bij staat, smartengeld en buitengerechtelijke kosten. De Staat heeft de vorderingen bestreden. De rechtbank heeft bij vonnis van 16 april 2003 de vorderingen afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2009:BH1887
Procesverloop Bij besluit van 4 mei 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie, voorheen de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de staatssecretaris), een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen. Bij besluit van 12 september 2007 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 april 2008, verzonden op 25 april 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2008, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2009, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. A.A. van Harmelen, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. T. Hartsuiker, ambtenaar op het departement, zijn verschenen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201805113/1/V2. Datum uitspraak: 15 november 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 juni 2018 in zaak nr. NL18.9282 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 16 mei 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 13 juni 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verweij, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld. Desgevraagd heeft de staatssecretaris een nader stuk ingediend. De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De staatssecretaris heeft in het nader stuk medegedeeld dat de vreemdeling op 21 juni 2018 opnieuw een asielaanvraag heeft ingediend en dat hem bij besluit van 4 juli 2018 met ingang van 21 juni 2018 een asielvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend.

Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling daarom geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

2. De vreemdeling heeft in het nader stuk medegedeeld dat hij het hoger beroep handhaaft. Hij betoogt dat zijn belang niet is gelegen in het verkrijgen van een verblijfsvergunning met een eerdere ingangsdatum maar in de vaststelling dat het besluit van 16 mei 2018 onrechtmatig is om naar aanleiding van die vaststelling een verzoek om schadevergoeding bij de staatssecretaris in te dienen.

3. De vreemdeling heeft niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden. Reeds gelet hierop heeft hij geen belang bij handhaving van het hoger beroep. Daarbij komt nog dat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8751, heeft overwogen dat de toelating als vluchteling plaats vindt om humanitaire redenen, teneinde bescherming te bieden tegen vervolging in het land van herkomst. Indien de staatssecretaris in het kader van de procedure tot toelating een voor die procedure geldende regel heeft geschonden, heeft de vreemdeling toegang tot de rechter om deze schending te laten herstellen. Deze schending geeft echter geen aanspraak op vergoeding van schade. Bij uitspraak van 20 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2009:BH1887, heeft de Afdeling de Hoge Raad daarin gevolgd. Het gaat daarbij om zowel vermogensschade als ander nadeel.

4. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr H.G. Lubberdink en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, griffier. w.g. Verheij w.g. Wolff voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2018 238.