Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2018:375 ECLI:NL:RVS:2018:375 AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:375 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2018:375
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201706475/2/A1. Datum uitspraak: 7 februari 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van onder meer: [verzoeker] en anderen, wonend te Amsterdam, verzoekers, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2017 in zaak nr. 16/2930 in het geding tussen: [wederpartij A] en [wederpartij B], beide gevestigd te Amsterdam (hierna: [wederpartij]) en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2018:375 · Raad van State: In hoger beroep is onder meer in geschil of de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van handhavend optreden en of het college bij het besluit van 15 augustus 2017 in redelijkheid tot handhaving heeft kunnen overgaan, waarbij door [verzoeker] en anderen onder meer is aangevoerd dat handhaving, gelet op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, disproportioneel is. De voorlopige voorzieningprocedure leent zich niet voor een definitieve beantwoording van deze vragen.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2017:2979
-GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer: 200.189.604/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/585731 / HA ZA 15-402 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 juli 2017 inzake 1CHIDDA VASTGOED B.V., gevestigd te Amsterdam, 2. AMSTELIMMO B.V., gevestigd te Amsterdam, appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. A.J. Bakhuijsen te Amsterdam, tegen 1. zij die verblijven of wonen op of in de onroerende zaak of een gedeelte daarvan, bestaande uit bedrijfsterrein met bijbehorend water, daarop staande opstallen, omvattend bedrijfsgebouwen en een tweetal woningen met aanhorigheden, kade en verdere toebehoren, staande en gelegen aan de Hornweg te Amsterdam, kadastraal bekend gemeente Sloten (N.H.) Sectie K nummer 2981, gemeente Sloten (N.H.) Sectie K nummer 2982 en gemeente Sloten (N.H.) Sectie K nummer 2119, volgens het kadaster plaatselijk bekend als Westhaven en Hornweg 2, geïntimeerden in principaal hoger beroep, niet verschenen, 2 [X] , 3. [geïntimeerde sub 3], 4. [geïntimeerde sub 4], 5. [geïntimeerde sub 5], 6. [geïntimeerde sub 6], 7. [geïntimeerde sub 7], 8. [geïntimeerde sub 8], 9. [geïntimeerde sub 9], 10. [geïntimeerde sub 10], 11. [geïntimeerde sub 11], 12. [geïntimeerde sub 12], 13. [geïntimeerde sub 13], 14. [geïntimeerde sub 14], 15. [geïntimeerde sub 15], 16. [geïntimeerde sub 16], 17. [geïntimeerde sub 17], 18. [geïntimeerde sub 18], 19. [geïntimeerde sub 19], 20. [geïntimeerde sub 20], 21. [geïntimeerde sub 21], 22. [geïntimeerde sub 22], 23. [geïntimeerde sub 23] , 24. [geïntimeerde sub 24], 25. [geïntimeerde sub 25], 26. [geïntimeerde sub 26], 27. [geïntimeerde sub 27], 28. [geïntimeerde sub 28], 29. [geïntimeerde sub 29], 30. [geïntimeerde sub 30], 31. [geïntimeerde sub 31], 32. [geïntimeerde sub 32], 33. [geïntimeerde sub 33], 34. [geïntimeerde sub 34], 35. [geïntimeerde sub 35], 36. [geïntimeerde sub 36], 37. [geïntimeerde sub 37], 38. [geïntimeerde sub 38], 39. [geïntimeerde sub 39], 40. [geïntimeerde sub 40], 41. [geïntimeerde sub 41], 42. [geïntimeerde sub 42], 43. [geïntimeerde sub 43], 44. [geïntimeerde sub 44], 45. [geïntimeerde sub 45], 46. [geïntimeerde sub 46], 47. [geïntimeerde sub 47], 48. [geïntimeerde sub 48], 49. [geïntimeerde sub 49], 50. [geïntimeerde sub 50], 51. [geïntimeerde sub 51], 52. [geïntimeerde sub 52], 53. [geïntimeerde sub 53], 54. [geïntimeerde sub 54], 55. [geïntimeerde sub 55], 56. [geïntimeerde sub 56], 57. [geïntimeerde sub 57], 58. [geïntimeerde sub 58], 59. [geïntimeerde sub 59], 60. [geïntimeerde sub 60], 61. [geïntimeerde sub 61], 62. [geïntimeerde sub 62], 63. [geïntimeerde sub 63], 64. [geïntimeerde sub 64], 65. [geïntimeerde sub 65], 66. [geïntimeerde sub 66], 67. [geïntimeerde sub 67], 68. [geïntimeerde sub 68], 69. [geïntimeerde sub 69], 70. [geïntimeerde sub 70], 71. [geïntimeerde sub 71], 72. [geïntimeerde sub 72], 73. [geïntimeerde sub 73], 74. [geïntimeerde sub 74], 75. [geïntimeerde sub 75], 76. [geïntimeerde sub 76], 77. [geïntimeerde sub 77], 78. [geïntimeerde sub 78], 79. [geïntimeerde sub 79], 80. [geïntimeerde sub 80], 81. [geïntimeerde sub 81], allen wonend te [woonplaats 1] , geïntimeerden in principaal hoger beroep, tevens appellanten in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201706475/2/A1. Datum uitspraak: 7 februari 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van onder meer: [verzoeker] en anderen, wonend te Amsterdam, verzoekers, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2017 in zaak nr. 16/2930 in het geding tussen: [wederpartij A] en [wederpartij B], beide gevestigd te Amsterdam (hierna: [wederpartij]) en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop Bij besluit van 15 september 2015 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen het strijdig gebruik van de gronden gelegen op het perceel [locatie] in het Westelijk Havengebied te Amsterdam (hierna: het ADM-terrein). Bij besluit van 21 maart 2016 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 juni 2017 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 maart 2016 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

Tegen deze uitspraak hebben onder meer [verzoeker] en anderen hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 15 augustus 2017 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] beslist, dat gegrond verklaard en het besluit van 15 september 2015 herroepen. Bij dat besluit heeft het college een last onder bestuursdwang opgelegd en de bewoners en gebruikers van het ADM-terrein, zijnde het terrein zoals gemarkeerd op de bij het besluit gevoegde kaart, gelast de in dat besluit vermelde overtredingen van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.3, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), artikel 4.25 en artikel 2.20, eerste lid, van de Algemeen Plaatselijke Verordening 2008 en artikel 3.2 van de regionale Havenverordening te beëindigen, door het illegale, feitelijke gebruik ten behoeve van woondoeleinden en/of van recreatieve doeleinden op het ADM-terrein te staken en gestaakt te houden, de bouwwerken, caravans, andere voertuigen, tenten en objecten van dit terrein te verwijderen en verwijderd te houden en de (woon)schepen en andere vaartuigen van dit terrein te verwijderen en verwijderd te houden. [verzoeker] en anderen kunnen zich met dit besluit niet verenigen en hebben daartegen gronden aangevoerd.

Het college en [wederpartij] hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend. [verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 januari 2018, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door mr. drs. J. Rutteman, advocaat te Amsterdam, vergezeld van mr. M.F. van Hulst, advocaat te Utrecht, en mr. M.F. van Wijngaarden, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Hagen-Pot, mr. H. Krans en mr. M. van Muster, zijn verschenen.

Ter zitting is tevens gehoord [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. F. Onrust en [gemachtigde], beiden advocaat te Amsterdam. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak opnieuw beslist op het bezwaar van [wederpartij] en besloten handhavend op te treden. Aan dat besluit is een begunstigingstermijn verbonden die eindigt op 15 februari 2018. [verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht dat besluit te schorsen totdat op hun hoger beroep en beroep tegen dat besluit is beslist.

3. In hoger beroep is onder meer in geschil of de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van handhavend optreden en of het college bij het besluit van 15 augustus 2017 in redelijkheid tot handhaving heeft kunnen overgaan, waarbij door [verzoeker] en anderen onder meer is aangevoerd dat handhaving, gelet op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, disproportioneel is. De voorlopige voorzieningprocedure leent zich niet voor een definitieve beantwoording van deze vragen.

Dat dient te geschieden in de bodemprocedure. Ten aanzien van de vraag of in afwachting daarvan aanleiding bestaat tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, wordt als volgt overwogen. 3.1. [verzoeker] en anderen hebben in het kader van hun verzoek aangevoerd dat het ontruimen van het terrein met ongeveer 200 bewoners, waarbij de bouwwerken waarin zij nu wonen zullen worden verwijderd of ongeschikt worden gemaakt voor bewoning, grote en onomkeerbare gevolgen heeft voor de bewoners. De bewoners zijn inmiddels ruim twintig jaar op het terrein gevestigd en hebben daar een hechte gemeenschap gevormd.

Er zijn gedurende de jaren tientallen kinderen geboren, voor wie de ontruiming ook grote gevolgen heeft. Ondanks aantoonbare inspanningen hebben de bewoners nog geen vervangende woonruimte gevonden en heeft de gemeente een toegezegde oplossing voor de gezinnen met kinderen nog niet gevonden. 3.2. Van de zijde van [wederpartij] is in deze procedure aangegeven dat zij het verzoek om handhaving heeft ingediend, omdat er op haar terrein ernstige overtredingen van wet- en regelgeving plaatsvinden. Voorts is aangevoerd dat een deel van het terrein is verhuurd.

De huurder heeft een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een inrichting aangevraagd. Deze vergunning is weliswaar nog niet verleend, maar dat laat onverlet dat vóór de verlening verschillende andere werkzaamheden moeten worden verrichten, zoals het opruimen, saneren en bouwrijp maken van het terrein, het aanleggen van verharding en het kappen van bomen. Het overige deel van het terrein zal in gebruik worden genomen door twee ondernemingen die thans elders in Amsterdam zijn gevestigd, aldus [wederpartij]. 3.3. Bij de beoordeling van de vraag of de gevraagde voorziening moet worden getroffen, gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op het terrein dat in eigendom is van [wederpartij] wonen en werken ongeveer 200 personen in de op het terrein aanwezige bedrijfsgebouwen, caravans, hutten en andere objecten. Tussen [wederpartij] en verschillende bewoners van het ADM-terrein is een civielrechtelijke procedure gevoerd inzake de ontruiming van dat terrein. In het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 25 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2979, inzake het hoger beroep van [wederpartij] tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 januari 2016, was aan de orde of [wederpartij], kort gezegd, belang had bij een ontruiming van het terrein.

Het hof heeft overwogen dat de plannen van de huurder inmiddels in hoge mate concreet en onderbouwd en op afzienbare termijn uitvoerbaar zijn en dat de vordering van [wederpartij] in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt. Het hof heeft evenwel van belang geacht dat de door de huurder gevraagde omgevingsvergunning nog niet is verkregen. Het hof heeft vervolgens, samengevat weergegeven, de vordering tot ontruiming toegewezen een en ander indien en zodra een periode van zes maanden zal zijn verstreken na verkrijgen door de huurder van de omgevingsvergunning.

Ter zitting is gebleken dat het college op zoek is naar een terrein waar de bewoners zich definitief kunnen vestigen. In afwachting van de daadwerkelijke beschikbaarheid van dat terrein, heeft het college een terrein op het oog waar de bewoners zich tijdelijk kunnen vestigen. Dit terrein heeft enige voorzieningen, zoals een verharding. 3.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de huurder nog niet in het bezit is van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Niet gebleken is dat andere eventueel benodigde omgevingsvergunningen zijn aangevraagd dan wel zijn verkregen.

Op dit moment kunnen derhalve nog geen werkzaamheden op het perceel worden uitgevoerd. Evenmin is gebleken dat de twee andere ondernemingen zich op korte termijn zullen vestigen op het ADM-terrein. In aanmerking genomen dat de situatie ter plaatse al 20 jaar bestaat, op het perceel ongeveer 200 personen wonen en werken, waaronder gezinnen met kinderen, zij bij ontruiming op korte termijn geen vervangende huisvesting hebben en de uitvoering van het handhavingsbesluit voor hun onomkeerbare gevolgen met zich brengt, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van de in dit geding aan de orde zijnde belangen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen en het besluit van 15 augustus 2017 te schorsen totdat uitspraak in de hoofdzaak is gedaan.

4. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat, hangende de periode waarin het besluit is geschorst, de bewoners van het terrein doorgaan met zoeken naar alternatieve huisvesting, waarbij van belang wordt geacht dat de bewoners erkennen dat het gebruik van het terrein eindig is. Indien blijkt dat, voordat in de hoofdzaak is beslist, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, dan wel andere vergunningen aan de huurder zijn afgegeven waardoor de belangenafweging mogelijk anders zou kunnen uitvallen, kan om opheffing van de voorlopige voorziening worden gevraagd.

5. Het college dient ten aanzien van [verzoeker] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 21 maart 2016, kenmerk BZ.1.15.0571.001 en 002; II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij [verzoeker] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [verzoeker] en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier. w.g. Van der Beek-Gillessen voorzieningenrechter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2018 473.