Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2018:359 ECLI:NL:RVS:2018:359 AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:359 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2018:359
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201702319/2/A2. Datum uitspraak: 18 januari 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 februari 2017 in zaak nr. 16/5197 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Binnenlandse Zaken. Procesverloop Bij brief van 17 november 2015 heeft [appellant] de minister verzocht om realisatie van de aanspraken op de sociale voorzieningen voor het militair personeel van het Nederlands Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (hierna:

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:15 van de Awb, artikel 8:55 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2018:359 · Raad van State: Voorts is in voormelde uitspraken overwogen dat vaststaat dat de Nederlandse regering in de Nota betreffende de problematiek van de Molukse Minderheid in Nederland van februari 1978 (Kamerstukken II 1977/78, 14 915, nrs. 1 en 2) haar standpunt inzake (vermeende) KNIL-rechten heeft bepaald en toen heeft besloten de bijzondere zorgplicht voor Molukkers te beëindigen, waarna deze zorgplicht is afgebouwd en alle daarmee verband houdende regelingen zijn ingetrokken. Gelet hierop ontbreekt een publiekrechtelijke grondslag voor de gevraagde voorzieningen en komt aan de minister geen bevoegdheid toe tot het nemen van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb op het door [appellant] ingediende verzoek.

Keywords

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 6:15 van de Awb artikel 8:55 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Datum uitspraak: 18 januari 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 februari 2017 in zaak nr.
artikel 6:15 van de Awb
Voor zover [appellant] met het hoger beroep wil bereiken dat zijn zaak met toepassing van artikel 6:15 van de Awb wordt teruggezonden naar de rechtbank Den Haag, oordeelt de Afdeling als volgt.
artikel 8:55 van de Awb
Bindels lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2018 Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2006:AZ3737
Procesverloop Bij besluit van 26 mei 2005 heeft appellant het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek van 28 januari 2005, aangevuld bij brieven van 1 en 18 maart 2005, om realisatie van de sociale voorzieningen voor het militair personeel van het Koninklijk Nederlands Indonesisch Leger (hierna: KNIL) zoals van toepassing op 26 december 1949 en 24 juli 1950, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 31 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op het bezwaar dient te nemen.
ECLI:NL:RVS:2007:BA0629
Procesverloop Bij besluit van 26 mei 2005 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de Minister) het door appellant gemaakte bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek van 28 januari 2005, aangevuld bij brieven van 1 en 18 maart 2005, om realisatie van sociale voorzieningen voor het militair personeel van het voormalige Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (hierna: KNIL), niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 8 september 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
ECLI:NL:CRVB:2014:2593
14/724 AW, 14/725 AW, 14/726 AW Datum uitspraak: 31 juli 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2013, 13/6458, 13/7129, 13/7136 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant 1] te [woonplaats 1] (appellant 1)[appellant 2] te [woonplaats 2] (appellant 2)[appellant 3] te [woonplaats 3] (appellant 3) de Minister van Buitenlandse Zaken (minister) PROCESVERLOOP Appellanten hebben hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201702319/2/A2. Datum uitspraak: 18 januari 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 februari 2017 in zaak nr. 16/5197 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Binnenlandse Zaken. Procesverloop Bij brief van 17 november 2015 heeft [appellant] de minister verzocht om realisatie van de aanspraken op de sociale voorzieningen voor het militair personeel van het Nederlands Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (hierna:

KNIL) geldig op 26 december 1949 en 24 juli 1950. Bij brief van 2 maart 2016 heeft [appellant] bij de minister bezwaar gemaakt, gericht tegen de beweerdelijke weigering om een besluit te nemen. Bij brief van 19 mei 2016 heeft [appellant] bij de rechtbank Den Haag beroep ingesteld, gericht tegen de beweerdelijke weigering om een besluit te nemen. De rechtbank Den Haag heeft het beroep ter verdere behandeling doorgestuurd naar de rechtbank Gelderland. Bij uitspraak van 9 februari 2017 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het ingestelde beroep tegen het beweerdelijk niet nemen van een beslissing.

Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister van Buitenlandse Zaken heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. Met de rechtbank is de Afdeling onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 6 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ3737, en van 14 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA0629, van oordeel, dat vast staat dat aan alle militairen in dienst van het KNIL met ingang van 25 juli 1950 collectief ontslag is verleend en dat de tijdelijke status van militair bij de Koninklijke Landmacht, die aan de toen nog niet afgevloeide ex-KNIL-militairen is verleend - gelet ook op het arrest van de Hoge Raad van 25 november 1960 (NJ 1961,3) - direct na aankomst in Nederland rechtsgeldig is opgeheven.

Voorts is in voormelde uitspraken overwogen dat vaststaat dat de Nederlandse regering in de Nota betreffende de problematiek van de Molukse Minderheid in Nederland van februari 1978 (Kamerstukken II 1977/78, 14 915, nrs. 1 en 2) haar standpunt inzake (vermeende) KNIL-rechten heeft bepaald en toen heeft besloten de bijzondere zorgplicht voor Molukkers te beëindigen, waarna deze zorgplicht is afgebouwd en alle daarmee verband houdende regelingen zijn ingetrokken. Gelet hierop ontbreekt een publiekrechtelijke grondslag voor de gevraagde voorzieningen en komt aan de minister geen bevoegdheid toe tot het nemen van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb op het door [appellant] ingediende verzoek.

Dit verzoek kan daarom niet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat nu geen sprake is van een aanvraag in de zin van de Awb, ook geen sprake kan zijn van het niet tijdig nemen van een besluit en dat zij niet bevoegd is van het beroep van [appellant] kennis te nemen. In verband daarmee kan hetgeen [appellant] in hoger beroep naar voren brengt, daaronder begrepen de door hem vermelde bepalingen, niet inhoudelijk aan de orde komen.

2. Voor zover [appellant] met het hoger beroep wil bereiken dat zijn zaak met toepassing van artikel 6:15 van de Awb wordt teruggezonden naar de rechtbank Den Haag, oordeelt de Afdeling als volgt. Bij uitspraken van 8 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:200AX:8683, en van 31 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2593, heeft de Centrale Raad van Beroep de hoger beroepen van onder meer [appellant] tegen uitspaken van de rechtbank Den Haag van 26 september 2005 en 18 december 2013, waarbij de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard om van de beroepen van onder meer [appellant] tegen besluiten betrekking hebbend op verzoeken om realisatie van de sociale voorzieningen voor het KNIL kennis te nemen, bevestigd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding het beroepschrift ter behandeling door te sturen naar de rechtbank Den Haag. Nu de bestuursrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep, is de burgerlijke rechter bevoegd.

3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier. w.g. Bijloos w.g. Bindels lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2018 Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb). - Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan. - In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd. - Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet. 85-836.